Het moeras van haatberichten

Allemaal terug naar jullie apenland! Wat komen jullie hier doen? Van ons profiteren? Klotevolk! Als ze gaan doppen, weten ze precies hoe het zit, maar onze taal spreken is o zo moeilijk? En wij maar werken voor dat crapuul. Ga terug naar waar je thuishoort!

Welkom op de Facebookpagina van de N-VA. Nee, dit is niet één racistische facebooker die zijn zelfbeheersing verliest, dit zijn zinnetjes uit talloze reacties die afgelopen dinsdag binnendruppelden onder een artikel over een andere taal dan het Nederlands toestaan op school. Een enkele keer reageert de moderator van de partijpagina: ‘Chantal, alle respect voor je mening, maar hou het a.u.b. wel beschaafd’, maar die terechtwijzing (‘met alle respect’) is een uitzondering. Het merendeel van de bezoekers mag ongelimiteerd beledigingen en verdachtmakingen plaatsen. Een eindje verderop op de pagina: ‘Stamp die profiteurs toch eens het land uit, we zijn die zo beu als kouwe pap!’ De moderator is in geen velden of wegen te bekennen.

Haatberichten, discriminatie en intimidatie van mensen of groepen leveren bij de slachtoffers dezelfde stressklachten op als andere misdrijven. Eerst de reflex: vechten, vluchten of bevriezen? Daarna onder meer angst, een laag zelfbeeld en in sommige gevallen een trauma. Als je tot een van de regelmatig gediscrimineerde groepen behoort, denk je dus wel drie keer na voor je argeloos je browser openklikt. Voor je het weet, leidt computertijd tot ernstige psychische klachten.

En juist dat is een probleem. Het internet is voor groepen die achterstelling en ongelijkheid aanvechten een belangrijke schakel om gehoord te worden. Als je geen machtsposities bekleedt, kan het helpen om de macht van het getal in te roepen, zoals onlangs gebeurde met de hashtag #metoo en sinds 2013 met #blacklivesmatter. Alleen door de bundeling van krachten kwamen stemmen die eerder niet of nauwelijks gehoord werden boven het luid geraas van de dominante groep uit. Maar dankzij verbale intimidatie worden juist die stemmen vakkundig terug hun hol in gedreven. Zelfcensuur, vermijdingsdrang, zelfzorg: de groep die onder vuur ligt, moet steeds opnieuw alle zeilen bijzetten om weer een lading agressie te voorkomen of te verwerken.

‘Doe een digitale detox’, lees je dezer dagen her en der. ‘Internet en sociale media creëren geen connecties, ze leiden ons af van waar het werkelijk over gaat. Zet je telefoon uit, pak een boek.’ Maar dat is een luxe die is voorbehouden aan de bevoorrechten. Mensen die opkomen voor hun grondrechten kunnen het zich niet veroorloven om even heerlijk te ontspannen. Zij zijn namelijk echt bezig met waar het over gaat: de krachten bundelen om gelijk behandeld te worden, met een levensgroot risico om in een moeras van racisme, seksisme en belediging te belanden.

In Nederland werd deze week een man veroordeeld tot 40 uur werkstraf, waarvan de helft met uitstel, omdat hij op Facebook schreef: ‘Gewoon weer voor slaaf laten werken kunnen ze ook niet meer klagen is toch wat ze willen dat luie zweet eruit werken nikker daar ben je voor geboren’. De rechter noemde de uitlatingen ‘kwetsend en onnodig grievend voor een hele groep mensen’. In deze zaak is dus eindelijk paal en perk gesteld aan wat je kunt zeggen op internet, maar het is een druppel op een gloeiende plaat.

In België wordt driekwart van de discriminatieklachten, online en offline, geseponeerd en van de behandelde zaken leidt slechts een vijfde tot een veroordeling. Tegelijkertijd meldt Unia dat het aantal klachten over haatberichten nog nooit zo groot is geweest.

Dat betekent dat het internet wordt overgelaten aan het recht van de sterkste en dat het publieke debat dat daar plaatsvindt uitermate onveilig is voor de groepen die er juist het meeste belang bij hebben de arena te betreden.

Minister van Justitie Koen Geens (CD&V) betreurt het dat door onder meer gebrek aan mankracht en prioriteiten zo weinig klachten tot vervolging leiden, maar hij wijst voor een oplossing naar staatssecretaris voor Gelijke Kansen Zuhal Demir (N-VA). Waarmee de bal opnieuw in het kamp ligt van een partij die graag hamert op veiligheid, maar die dagelijks op haar eigen socialemediakanalen laat zien dat ze niet bereid is die veiligheid voor iedereen te waarborgen.

Deze column verscheen op vrijdag 1 december 2017 in De Standaard.

De omgekeerde wereld

‘Zet de palm van je hand onder de kin van de man. Klauw je vingers. Vouw je middelvinger naar beneden en duw met je wijs- en ringvinger de oogbollen eruit.’
Deze instructie kreeg ik op mijn dertiende tijdens een cursus zelfverdediging voor meisjes. In tien weken leerden we nee zeggen, hulp vragen, knieschijven breken, ogen uitsteken en praten over seksueel geweld. De doelstelling was ‘het vergroten van de fysieke en mentale weerbaarheid van vrouwen en meisjes door middel van cursussen zelfverdediging en vechtsporten’, maar de training kon niet voorkomen dat ik in de vijf jaar die volgden twee keer werd verkracht en nog vaker werd aangerand. Niet alleen lieten de situaties het niet toe knieën te breken of ogen uit te steken, ook wreekte zich het feit dat er geen cursussen waren waarin jongens en mannen werd geleerd hoe je zorgt dat een vrouw zich niet weerbaar hoeft op te stellen.
In de #metoo-discussie wordt ook vaak ingezet op de weerbaarheid van vrouwen: zij moeten aan de bel trekken, zij moeten stop zeggen, zij moeten weglopen, zij moeten een klap geven, zij moeten aangifte doen. Maar laat ik je dit vertellen: veel vrouwen zijn dat zat.
Weerbaar zijn is dodelijk vermoeiend en het is de omgekeerde wereld. Altijd op je hoede zijn, negeren, afwijzen, grenzen stellen, je schrap zetten, roepen, vechten; je raakt er uitgeput van.
Ooit had ik een baas die zijn mails aan mij eindigde met ‘liefs en kusjes’. Ik vond dat niet ernstig, maar wel uiterst ongemakkelijk. Als hij in die tijd een hand op mijn schouder legde, zette ik me schrap, want ik had geen idee wat die ‘liefs en kusjes’ te betekenen hadden. In de ogen van de weerbaarmakers had ik moeten reageren met een mail terug ‘Beste baas, wil je dat niet meer doen?’ Maar, eerlijk, was het niet gewoon aan hem om die dingen achterwege te laten? Had hij niet moeten bedenken: ik ben haar baas, misschien is ‘liefs en kusjes’ niet zo gepast? Moeten wij uitleggen dat ongewenste intimiteiten het functioneringsgesprek tot een benauwende aangelegenheid maken? Moeten we tot vermoeiens toe cursusjes betamelijk gedrag geven? Moeten we vechten tot de oogbollen over de vloer rollen?
Begin deze maand overleed Nancy Friday, een gevierde voorvechtster van de seksuele gelijkheid van vrouwen. Volgens The New York Times vond ze seksueel grensoverschrijdend gedrag op het werk niet echt een probleem, want het werk was nu eenmaal voor meeting en mating, vergaderen en neuken.
Dat vrouwen veel vaker dan mannen kampen met ongewenst seksueel gedrag op de werkvloer was het gelijkheidsboegbeeld mogelijk ontgaan. In een interview in Humo deze week maakt een andere oer-feministe, Fay Weldon, het nog bonter. Vrouwen die niet in hun billen geknepen willen worden, moeten een klap geven, en als ze dat niet doen, is dat omdat ze het gemakkelijker vinden om achteraf te klagen. ‘Jonge feministen zijn zo hysterisch. Het is modieus geworden een willoos slachtoffer te zijn, alsof je zelf geen enkele verantwoordelijkheid draagt.’
Wel Fay, dat klopt. Als een collega in mijn billen knijpt, als een vreemde man mij op straat volgt tot aan mijn huis (’heb je een vriend?’), als mijn baas mailt met ‘liefs en kusjes’, dan mag ik toch bovenal verwachten dat zíj verantwoordelijkheid nemen? Of is dat in deze wereld van twee maten te veel gevraagd?
Het #metoo-debat wordt vergiftigd door mensen die beweren dat het leven geen wandeling in het park is en dat je gewoon je grenzen moet aangeven. Vrouwen moeten kordater optreden bij ongewenste sms’jes, eerder hun beklag doen, luider nee zeggen of direct de hotelkamer verlaten. Terwijl: komaan zeg, gedraag je gewoon een beetje!
De cijfers rond seksueel geweld, ongewenst seksueel gedrag en gevoelens van onveiligheid vallen steevast uit in het nadeel van vrouwen, maar volgens Fay Weldon is de feministische revolutie voltooid, hebben de ‘vrouwen gewonnen’ en zijn de ‘mannen geketend’.
Onlangs waagde ik het om in deze krant verlof te vragen voor vrouwen die moe zijn van die dagelijkse weerbaarheid, een soort mentale vakantie van de assertiviteit. Wie schetste mijn verbazing toen ik door mijn oproep van mannenhaat en kleinzerigheid werd beticht. En niet alleen ik, maar veel vrouwen die zich dankzij #metoo eindelijk uitspreken over een leven lang grenzen stellen, krijgen de vraag: waar is jullie weerbaarheid? Maar weet je wat het is: we zijn zo onderhand wel een beetje klaar met die oneindige cursus zelfverdediging.

Deze column verscheen op vrijdag 17 november 2017 in De Standaard.

Dubbele loyaliteit

Ik moet iets bekennen, iets waar ik geheimzinnig over moet doen, omdat sommige mensen argwaan zullen krijgen, omdat er mensen zijn die zullen zeggen: ze wil er niet bijhoren. Ze doet niet mee.
Ik mag twee nationaliteiten aannemen. Ik mag Belg worden en Nederlander blijven. Na elf jaar wonen en werken in België en na een huwelijk met een Belg kan ik namelijk aanspraak maken op rechten en plichten in twee landen. Houd het stil, want zodra ik er echt voor kies, mag er openlijk worden getwijfeld aan mijn intenties.
Zo moesten in Australië deze week de senaatsvoorzitter, de vicepremier en zes andere politici de politieke arena verlaten, omdat de wet ‘dubbel burgerschap’ niet toestaat bij volksvertegenwoordigers en regeringsleden vanwege belangenverstrengeling. Iets dichter bij huis dreigde PVV-leider Geert Wilders donderdag met een motie van wantrouwen tegen de nieuwe Nederlandse minister van Binnenlandse Zaken Kajsa Ollongren (D66), die naast de Nederlandse de Zweedse nationaliteit bezit, en tegen staatssecretaris Barbara Visser (VVD), die doordat ze in Kroatië is geboren ook een Kroatisch paspoort heeft. Dubbele loyaliteit. Weg ermee!
Ook in België wordt de juridische fictie van de modelburger met slechts één enkele loyaliteit op hoog niveau gepredikt. Na de staatsgreep in Turkije in juli 2016 pleitte staatssecretaris voor Gelijke Kansen en Armoedebestrijding Zuhal Demir (N-VA), toen nog Kamerlid, voor afschaffing van de dubbele nationaliteit van Turkse jongeren. In augustus van dit jaar liet ze weten dat ze zelf de daad bij het woord zou voegen: ze is een procedure begonnen om afstand te doen van haar Turkse nationaliteit.
De fictieve optelsom van de dubbele loyaliteit is overal ter wereld gemeengoed. Alsof er werkelijk mensen zijn die denken dat je iemand kunt open schroeven en vervolgens op je vingers kunt tellen: daar is loyaliteit één, en – hé! – nog eentje! Deze persoon heeft een dubbele loyaliteit!
Als ik mezelf open schroef, kom ik een woud aan loyaliteiten tegen. Dubbele, driedubbele, wat zeg ik: grenzeloze loyaliteit. Aan mensen, aan plaatsen, aan taakjes, aan dromen, alles in veelvoud, niets afgebakend. Mijn loyaliteit blijkt uit hoe ik praat in mijn hoofd, wie ik ben als ik me verhoud tot anderen. Het blijkt uit de standpunten die ik nu inneem, maar ook uit de wijze waarop ik die heb vergaard. Het blijkt uit hoe ik me gedroeg in nobele en minder nobele tijden, met al mijn minne streken en al mijn heldhaftige daden. Het blijkt uit wie ik ben tegenover mijn studenten en mijn leraren, tegenover mijn lezer en mijn uitgever, tegenover mijn moeder en mijn metekind. Het blijkt uit wat ik zeg tegen bekenden, vreemdelingen en vrienden, en het blijkt bovenal uit de wijze waarop ik me door deze samenleving beweeg. Die optelsom van onvergelijkbare grootheden zal je iets vertellen over mijn loyaliteit, niet de hoeveelheid paspoorten in mijn achterzak.
Mijn paspoort is voor mij een praktisch document: ik bewijs ermee dat ik in de basisadministratie van een land sta, ik mag ermee vliegen en ik mag er sommige landen mee in. Maar het bepaalt niet mijn intenties, niet wie ik ben, wie ik wil zijn, hoe anderen me zien en wat daarvan waar is. Dat bleek ook toen ik de vraag aan een grote groep mensen stelde op sociale media: ‘Als jullie mij waren, zouden jullie dan de Belgische nationaliteit aannemen, de Nederlandse houden, of kiezen voor een dubbele nationaliteit?’ De tientallen antwoorden waren eensluidend: als ze mij waren, zou vrijwel iedereen kiezen voor een dubbele nationaliteit. De antwoorden kwamen uit linker- en rechterhoek en van bekenden en onbekenden. De antwoorden waren kort en pragmatisch. Geen smartlappen over volksaard, geen tranentrekkers over geboortegrond, geen bloed dat door aderen stroomt en niemand die twijfelde aan mijn loyaliteit. Slechts praktische overwegingen over administratieve rechten ten aanzien van pensioen, erfenis en mantelzorgterugkeer. En begrip voor de wens te mogen stemmen in het land waar je leeft, wat voor velen een groot goed is.
Ik ben geneigd dit soort wezensvragen als luxeprobleem te beschouwen en een grote groep denkt er net zo over. De meesten geven aan dit soort zaken net als ik het liefste zo praktisch mogelijk op te lossen, zonder inbreuk op de eigen normen en waarden, en met zo min mogelijk ambtelijke rompslomp. Maar dat is buiten het populaire politieke discours gedacht, waarin schuldig door associatie ook schuldig is. Dus mocht u willen weten waar ik uiteindelijk voor kies: van mij zult u het niet horen. Het luxeprobleem blijkt immers een mijnenveld waarin ik met een fictieve optelsom mijn geloofwaardigheid kan verliezen.

Deze column verscheen op vrijdag 3 november in De Standaard.

Ieder zijn portie verkramping

Ze zijn in verwarring, de mannen, dankzij de hashtag #metoo waarmee vooral vrouwen wereldwijd aangeven dat ze te maken hebben gehad met seksuele intimidatie of erger. De heren laten weten onzeker te zijn. Ze willen gerustgesteld worden. Ze willen weten of ze nog complimentjes mogen geven, of ze nog dicht tegen iemand aan mogen dansen, of ze nog mogen kijken, knipogen, flirten en jagen. Ze sputteren dat het eigenlijk alleen zou moeten gaan over de echte griezels, want nu krijgen ze het gevoel dat alle mannen schuldig zijn, waardoor ze verkrampen, en tiens, dat moeten we toch niet willen? Dat alle mannen verkrampen?
Terwijl me dat een prima idee lijkt, een beetje meer verkramping. Want laten we eerlijk zijn: onze cultuur is niet vrij van kramp, maar de pijnlijke spanning ontneemt tot nu toe vooral vrouwen bewegingsruimte. Ieder zijn portie kramp lijkt me fair enough.
Vrouwen worden al in de zandbak gewaarschuwd voor enge mannen, ze laten hun nachtelijke logistiek grotendeels afhangen van de mate van aanwezigheid van de andere helft van de bevolking en ze kunnen zich op talloze internetplatforms niet laten zien omdat ze daar direct verteld wordt óf en hóe ze genomen moeten worden. Veel vrouwen hebben een kaartje in hun hoofd van verlichte en onverlichte plekken, houden hun ogen op sleutels en sloten gericht, omdat deuren die op slot gaan lang niet altijd een goed teken zijn, en ze vermijden blikken op straat omdat elke vriendelijke oogopslag nare gevolgen kan hebben. In het licht van deze oneerlijke verhoudingen lijkt me even nadenken of je wel of niet een compliment moet geven een offer van likmevestje.
Als we vrouwen meer speelruimte willen geven, dan moeten we ook de kramp eerlijk verdelen. Want we kunnen massaal zeggen dat de meeste mannen het goed bedoelen, maar in deze tijd van catcallende medeburgers en stuitende slettenpagina’s op Facebook zijn intenties niet veel waard. Vrouwen worden angstig opgevoed en een beetje inschikkelijkheid van mannelijke zijde kan helpen om de donkere straatjes, het nachtleven, het werk, de school en het internet terug te veroveren.
Maar hoe kun je als man een beetje nuttig verkrampen? Ik zou zeggen: leef je in. Doe je best. Denk na. Denk door. Overweeg je motieven. Weet dat #metoo een beeld geeft van hoe vaak vrouwen zich onveilig voelen. Slik je compliment soms even in, ook al doe je dat krampachtig, doe niet alsof je recht hebt op een glimlach van een vrouw. En geef angstige vrouwen de ruimte.
De volgende keer dat je als man een avondtrein neemt en je ziet een vrouw alleen in een treinstel, weet dan dat ze een risicoanalyse doet. Het mag dan wel lijken alsof ze leest, maar in werkelijkheid kijkt ze waar jij gaat zitten, of je er gevaarlijk uitziet, of er iemand is als het misgaat en waar ze haar telefoon heeft gelaten, voor als jij onverhoopt op hetzelfde donkere station uitstapt. Als je de kramp eerlijk wilt verdelen, ga dan niet te dicht bij haar zitten en laat het vermijden van oogcontact niet alleen aan haar over.
Een ander voorbeeld: als je in het donker achter een vrouw wandelt, geef haar de ruimte. Weet dat die hand die zo losjes in haar zak steekt, vermoedelijk een sleutelbos vast heeft, met tussen duim en wijsvinger de autosleutel, want die is het scherpst. Weet dat ze met heel haar hart hoopt dat jij naar de overkant gaat, de hoek om slaat of haar passeert. Als je de kramp eerlijk wilt verdelen, overweeg dan of een van die drie routes een optie is.
Of het beruchte voorbeeld van het compliment over haar uiterlijk. Als je de kramp eerlijk wilt verdelen: durf te aarzelen voordat je over haar ogen, shirt of kont begint. Vraag je af: hoe liggen de verhoudingen? Ondermijnt je opmerking de gelijkwaardigheid? Wat voegt een opmerking over uiterlijk toe in deze wereld van zich verlustigende mannen en hun wegwerpcomplimenten? Stel jezelf dit soort vragen eerlijk en probeer die denkoefening niet te zien als iets dat jou wordt aangedaan. Denk aan de beroemde quote ‘Als je gewend bent aan een voorrecht, voelt gelijkheid als onderdrukking’. In het streven naar gelijke verdeling van veiligheid zullen ook mannen een offer moeten brengen en een zekere mate van kramp moeten omarmen.

Deze column verscheen op vrijdag 20 oktober 2017 in De Standaard.

NB Op 21 oktober verscheen in de zaterdagkrant van De Standaard een reactie van Tom Heremans. Ik zou een ‘mannenhater’ zijn. Well, that escalated quickly.

Schaamte is oneerlijk verdeeld

Toen mijn oma op haar zesenzeventigste ineens de sterspeler werd van de Niet-Rokers Bridgevereniging moest ze een nachtje van huis om een toernooi in een andere provincie te spelen. Ik was erbij toen ze aan mijn opa wilde uitleggen hoe hij in haar afwezigheid koffie en thee moest zetten en een ei moest koken. Mijn opa werd bloednerveus en dat was logisch: een fornuis aansteken, het juiste kookgerei kiezen, hij had het allemaal nog nooit gedaan. Na een halfuur gaf mijn oma het op en leerde ze hem alleen nog hoe hij het koffieapparaat moest bedienen. Ze besloot dat de thee en dat ei maar moesten wachten tot ze weer terug was en liet hem achter met anderhalf brood, zodat hij niet zou verhongeren.
Mijn opa was niet dom, maar hij was geboren in 1907 en behoorde dus tot de generatie die geloofde dat mannen ongeschikt zijn voor huishoudelijk werk.
Anno 2017 denk ik niet dat er in mijn nabije omgeving nog mannen zijn die geen ei kunnen koken, maar hulpeloosheid door ouderwetse stereotypen is helaas geen verleden tijd. Denk aan de emotionele taakverdeling in huis: in veel gezinnen zijn vrouwen de initiatiefnemers van gesprekken over emoties en hoewel het idee dat ook mannen emoties mogen hebben veel breder gedragen wordt dan honderd jaar geleden, is de paniek die mijn opa voelde bij het aansteken van het fornuis en het kiezen van het juiste kookgerei nog steeds alomtegenwoordig wanneer mannen emotionele taken moeten verrichten. Vergelijk het fornuis aansteken met een gesprek beginnen over gevoelens en het juiste kookgerei kiezen met vragen of problemen formuleren.
De voorspelbare reactie is: maar vrouwen zijn gewoon beter in het uiten van hun gevoelens! Dat klopt. Net zoals het klopt dat mijn oma beter een ei kon koken dan mijn opa. Maar we zullen niet langer beweren dat vrouwen een biologisch voordeel hebben als ze een ei koken, en de opvatting dat er een aangeboren verschil in emotionele intelligentie zou zijn, wankelt al jaren op haar grondvesten. De hersenen van jongens en meisjes verschillen bijvoorbeeld op het gebied van empathie in eerste aanleg niet significant, dus beide geslachten beginnen gemiddeld genomen met hetzelfde gereedschap. Wel worden vrouwen na verloop van tijd beter in het op tafel leggen van emoties van zichzelf en anderen, maar dat heeft veel te maken met oefening. Meisjes leren eerder om te praten over hun gevoelens en na te denken over schaamte en andere obstakels die het praten belemmeren. Bij jongens nemen we sneller genoegen met ‘Ach, hij kan dat niet zo goed’, omdat die eigenschap netjes aansluit bij ons vooroordeel.
Zaterdag las ik dat 56 procent van de mannelijke slachtoffers van partnergeweld niet durft te praten over wat er is gebeurd (DS 30 september), tegenover 34 procent van de vrouwelijke slachtoffers. Terwijl praten juist de meest gehoorde aanbeveling is bij traumatische gebeurtenissen of andere geestelijke nood. ­Tele-Onthaal gebruikt het zelfs als baseline: praten is de eerste stap. Ook bij cijfers over zelfdoding wordt het veel grotere aandeel van mannen toegeschreven aan hun onvermogen om over emoties te praten.
Ik moest aan mijn opa denken, en hoe hij het zich kon veroorloven het ei te laten wachten, omdat er ook brood was. Maar wat als je emotioneel lijdt? Kun je het je dan veroorloven het rolpatroon te handhaven, omdat je zenuwachtig wordt wanneer je het doorbreekt?
De emotionele taakverdeling tussen mannen en vrouwen zit uitermate scheef en onze prioriteit zou moeten zijn: rechttrekken. Mannen zouden net als vrouwen moeten leren praten over hun gevoelens, over dingen waarvoor ze zich schamen. En de belangrijkste manier om dat te doen is het juiste voorbeeld geven. Want je kunt je kinderen wel leren dat ze over hun gevoelens moeten praten, maar als ze thuis zien dat hun moeder degene is die alle emotionele gesprekken aanknoopt, zal dat patroon standhouden en zullen mannen met hun ziel onder de arm blijven lopen. Dus voor uw eigen bestwil stel ik u de vraag: hoe is bij u thuis de emotionele taakverdeling?

Deze column verscheen op vrijdag 6 oktober 2017 in De Standaard.

Een mannetje loopt in cirkels

Laten we hem B. noemen. Ik begeleidde B. als jonge reporter en ik vermoedde een ernstig probleem. ‘Heb je wel iemand om mee te praten?’, vroeg ik in een Facebook-berichtje. En zo begonnen onze chats. De ingrediënten: B. was als minderjarige slachtoffer in een zedenzaak, waarna het misdrijf, de opsporing en de berechting meer dan vijf jaar aansleepten. Hij had een moeilijke thuissituatie, een verleden in jeugdinstellingen, een autismespectrumstoornis en een laag budget. Tel daarbij op: een scala aan justitiële fouten en een lange wachtlijst voor slachtofferhulp, en een ongeluk in slow motion was geboren.
Twee maanden duurt het gemiddeld voor een jongere psychologische hulp krijgt (DS 19 september), maar bij B. duurde het jaren voor hij de weg naar hulp vond. En toen de redding nabij was, waren de wachtlijsten onverbiddelijk. Al die tijd moest hij – inmiddels meerder­jarig, maar wel nog scholier – zelf zijn psycholoog én zijn advocaat betalen, omdat zijn alleenstaande moeder met een arbeidersloon net te veel verdiende voor tegemoet­koming.
Toen de rechtszaken aanhielden, de hulp uitbleef en de nachten steeds donkerder werden, probeerde ik hem vertrouwen te geven, en het gevoel dat er iemand was. Als ik al wakker was en hij nog moest slapen, namen we in het licht van het chatvenster zijn wanhoop door. We spraken over hulpvragen, schuldvragen, angsten en boosheid, ik probeerde hem gerust te stellen, naar bed te krijgen, naar school, naar instanties. Je doet het goed, schreef ik, het is jouw schuld niet, je bent sterk, hou vol!
‘Ik heb het gevoel dat ik blijf vallen’, schreef hij eind 2016. Waarmee hij onbedoeld beschreef hoe een ongeluk in slow motion voelt. ‘Ik heb mijn longen uit mijn lijf gekrijst. We kunnen de advocaat niet betalen. Ik slaap niet meer. Ik heb niets te verliezen.’
Januari 2017. ‘Ik ben de weken voor de rechtbank altijd slapeloos, ik weet niet hoe het komt. Elke keer dat ik naar de rechtbank moet voor weer een uitstel van de rechtszaak, verliest mama een verlofdag. Ik zet een masker op, wil niet onder de mensen komen.’
Wat later. ‘Ik heb letterlijk nergens zin in. Waarom luistert er niemand? Waarom stelt niemand zich vragen?’
Maart: ‘Tijdens de zitting ben ik ingestort. Slachtofferhulp kwam voor het eerst. Mijn moeder zit in haar laatste verlofdagen. Op regelmatige hulp moet ik wachten.’
April: ‘Ik slaap niet meer. Ik kan niet naar de psycholoog, ik heb geen geld. Eerst mijn advocaat betalen.’
‘Ik zit al een week in pyjama, omdat ik niet meer naar buiten wil. Dit weekend kromp ik ineen. Er belde een goedgeklede man aan. Ik was bang dat hij het hoger beroep kwam brengen. En geloof het of niet: de advocaat stuurde nog een rekening.’
Begin mei: ‘Eindelijk bericht van het Centrum Geestelijke Gezondheidszorg (CGG). Moet wel nog twee weken wachten op een informatiebijeenkomst.’
‘Ik weet waarom er zulke hoge zelfmoordcijfers zijn in België. De infosessie van CGG is nog niet geweest.’
‘Op het infomoment zeiden ze dat ik, als het tegenzit, nog een jaar moet wachten.’
‘Hier is mijn afscheidsbrief. Mijn gedachten zijn in beslag genomen.’
Al die maanden had ik mij verdiept in de problemen, als het nodig was navraag gedaan, gepeinsd of de oplossing binnen mijn macht lag en geconstateerd dat ik me volkomen machteloos voelde. Ook nu vroeg ik professionals wat ik kon doen en ook nu kon ik er volgens hen alleen maar zijn. In het wit van het chatvenster zag ik de zelfmoordgedachten weg­ebben. De financiële problemen namen het over en B. deed opnieuw aan zorgmijding omdat hij geen hulp kon betalen.
Intussen kreeg de dader in de zedenzaak een zware straf, maar de opluchting was van korte duur. ‘Weer een dagvaarding. Hij gaat in hoger beroep. Ik pakte net de draad weer op. Laat me met rust!’
In de zomer: ‘De psycholoog die ik zelf betaalde, kan de papieren niet meer vinden. Nu krijg ik misschien niets vergoed.’
September 2017. Met het hoger beroep over drie weken beginnen de slapeloze nachten van B. weer, maar onlangs kreeg ik goed bericht: ‘Ik heb een intakegesprek gehad. De psycholoog weet nu dat er in mijn hoofd een mannetje in cirkeltjes loopt.’
Ik hoop dat B. zich gesteund voelt de komende weken, maar intussen lopen er duizenden mannetjes in cirkeltjes in de hoofden van mensen die geen hulp kunnen vinden of betalen. Zij doen aan zorgmijding, omdat de overheid aan zorgmijding doet. Door een gebrek aan zuivere prioriteiten gebeuren er duizenden ongelukken in slow motion, al jarenlang. En net als B. heb ik het gevoel dat we maar blijven vallen.

Deze column verscheen op vrijdag 22 oktober 2017 in De Standaard.