Mijn zoektocht naar een plek om te blijven (6) Het auto-alarm

In het vorige stukje, Perceptie is een bitch schreef ik hoe we door het huurcontract van ons huidige huis te tekenen, gelijk al ons afscheid bezegelden. Binnen drie jaar moesten we weg.

Taartdiagrammen

Ik denk in taart- en staafdiagrammen. Alles is een diagram: mijn leven, mijn relaties, een eeuw, een week, ons huurcontract, alles. In maand 18 veranderde er iets wezenlijks in het taartdiagram van het huurcontract: de rechterhelft was ingekleurd en liep nu langzaam over in de linkerhelft. De tijd die in dit huis voor ons lag, was korter dan de tijd die achter ons lag. Het diagram dat mij koest moest houden kleurde rood. Alarm! We moeten weg! We hebben nog 18, 17, 16, 15, 14, 13, 12, 11, 10 maanden!

Wannes denkt niet in diagrammen. Voor hem is mijn paniek als een auto-alarm dat twee straten verderop afgaat: hinderlijk, maar je kunt er niet veel aan doen. Waarom zou je nu een huis zoeken als je pas over tien maanden weg kan? Waarom zou je een glas al op de helft half leeg verklaren?

Vijf fases van rouw

Er valt wat te zeggen voor zijn houding. Er staat een clausule in ons contract waardoor we drie maanden huur moeten betalen als we eerder weggaan dan het einde van het contract. Het heeft dus alleen zin om voor die tijd een huis te zoeken als je daar 1800 euro voor overhebt. Als je gratis weg wilt, zul je pas een huis mogen vinden in de twee maanden voor het einde van het contract. En dat is over acht maanden.

En daar wringt de schoen: ik hou immoweb in de gaten en er is al acht maanden vrijwel niets dat in de buurt komt van de kruisjes in mijn logikwis. De kans dat we in maart en april 2015 ineens de plek vinden waar we langere tijd willen blijven, is gering.

Goochelen

Kruisjes offeren heeft tijd nodig. Bij elk kruisje dat ik schrap, doorloop ik de vijf fases van rouw. Als ik daar in april onder hoge druk mee zou beginnen, zou ik binnen de kortste keren kortsluiting maken. Dus ik neem de tijd. Het auto-alarm gaat zo nu en dan af. Dan fronst Wannes wat, en dan struin ik Immoweb maar weer af.

Ik ben afgewogen kruisjes aan het offeren. Niet te snel, want een plek om te blijven vereist zorgvuldigheid. Maar toch: gestaag en dapper.

Maar er komt een moment dat ik geen kruisjes meer kwijt wil. Op dat moment zal het auto-alarm zozeer loeien dat zelfs Wannes denkt: laat dat kutalarm in hemelsnaam ophouden! En dan zullen we – hocus pocus pas – goochelen met zakken geld en kruisjes.

Ik ben wel zó godvergeten nieuwsgierig wat daar uitkomt.

Wordt vervolgd.

Hier vind je alle afleveringen van Mijn zoektocht naar een plek om te blijven.

Mijn zoektocht naar een plek om te blijven (5) Perceptie is een bitch

We waren de eersten.
‘Ik had wel iets meer kunnen vragen’, zei de eigenaar. ‘Mijn telefoon staat roodgloeiend.’
We glimlachten schaapachtig. 600 euro per maand. Dat was ook de reden dat wij hadden gereageerd. Ons oude huis was 200 euro per maand duurder. 2400 euro per jaar die wij goed konden gebruiken.
‘Jullie zijn de eersten. Dus zeg het maar.’
Het huis was donker en smalletjes, maar er waren veel pluspunten. Dubbele ramen, nieuwe kachel en geiser. Een ligbad, een koertje, drie woonlagen en in het midden van Leuven. We keken nog eens goed. Het was wel een heel smal huis, nog geen vijf meter breed. Dat zou tetrissen worden. Maar het straatje voelde plezierig, en het huis ondanks de duisternis ook. Bovendien hadden we haast. We zeiden ja voor een periode van drie jaar.
We maakten een afspraak om een paar dagen later het huurcontract te komen tekenen. Bij ons vertrek vertelde de eigenaar dat hij het huis eigenlijk voor zijn zoons had gekocht, zodat die onder de pannen waren zolang ze in Leuven studeerden. Inmiddels waren ze afgestudeerd en nu wilde hij het verkopen, maar omdat hij het minder dan vijf jaar geleden had gekocht, moest hij wachten, anders zou het hem op een enorm belastingnadeel komen te staan. We knikten en vertrokken.

Lood om oud ijzer

‘Shit’, zei ik. ‘Hij wil het verkopen.’
‘Ja’, zei Wannes, ‘maar hij heeft ons wel een contract van drie jaar beloofd.’
‘Maar daarna moeten we dus weg.’
‘Of we kopen het zelf.’
‘Eigenlijk is het een luizenstreek’, zei ik. ‘Ons eerst ja laten zeggen en dan vertellen dat we na drie jaar weg moeten.’
‘We hebben nog niet getekend.’
Ik zweeg.
Hij zweeg.

We hadden haast. We moesten op korte termijn verhuizen naar een goedkoper huis. Dit was exact wat we zochten, veel goedkoper, in Leuven, en geen haperende voorzieningen. De kans dat we binnen een paar weken nog eens zoiets zouden vinden was nihil. En de meeste contracten zijn voor drie jaar, dus het was kiezen tussen een zekere toekomst in dit huis (over drie jaar is het gedaan) of een onzekere toekomst in een ander huis (misschien is het over drie jaar gedaan). In onze situatie was dat lood om oud ijzer. Dus we tekenden.

We schilderden de meeste muren wit, legden het allergoedkoopste laminaat dat in de wijde omtrek te vinden was (1,45 per m2) en maakten het huis zo goed en zo kwaad als het ging van ons.

Een groot nadeel van weten dat je binnen drie jaar weer weg moet, is dat je al vrij snel in staat van zelfbescherming schiet. In plaats van je aan je nieuwe huis te hechten, keer je je ertegen. Alsof je hele gemoedstoestand erop gericht is ook daadwerkelijk weg te willen.

Zegeningen en shit

De eerste anderhalf jaar ging nog wel. Ik zag hoeveel geluk we hadden als alle cafégangers op hun fietsje de weiden in trokken en wij rollend naar huis konden. Ik telde mijn zegeningen in het ligbad, in het bed met uitzicht op de maan, aan de keukentafel en in een ligstoel op het minikoertje.
Maar na anderhalf jaar, niet toevallig toen we net over de helft waren, sloeg de gemoedsdefensie toe. Wat een kutkantoor, en een wat een klotekoertje, en jezus, wat zitten hier toch weinig stopcontacten. En die glazen voordeur, direct in de woonkamer, hoe kut is dat eigenlijk wel niet als je in je pure op de zetel wil liggen? Die wc, twee trappen van je bed verwijderd, de hitte in de slaapkamer, het gebrek aan uitzicht, aan zonlicht, aan ruimte? Dat is toch allemaal hartstikke shit?

En zo werd het enige huis in Leuven dat ondanks de ligging, de drie woonlagen, het koertje en het ligbad slechts 600 huur per maand kostte, en dat daarom meer dan honderd reacties kreeg, in plaats van een lot uit de loterij na anderhalf jaar een doorn in het oog. Perceptie is een bitch.

Soms vragen mensen: ‘Kun je er niet wat langer blijven?’ of ‘Willen jullie het niet kopen?’ en dan vind ik dat echt heel idiote vragen: natuurlijk niet! Terwijl het logisch is: jullie wonen er fijn, wil je niet blijven?

Nee dus. Zeg mij dat ik iets kwijt zal raken en ik heb al afscheid genomen. Een controlfreak is onverbiddelijk.

Wordt vervolgd.

Hier vind je alle afleveringen van Mijn zoektocht naar een plek om te blijven.

Alle delen van Mijn zoektocht naar een plek om te blijven

Deel 1 – De suspense
Deel 2 – De logikwis
Deel 3 – Huur of koop?
Deel 4 – Wat is een huis?
Deel 5 – Perceptie is een bitch

Deel 6 – Het auto-alarm

Mijn kippenvel strekte zich uit tot ver over de cultuurkloof

Ze draaide bolletjes van het zachtste kaasje van de kaasplank. Eerst legde ze een stukje in haar schoot, ze trok er zorgvuldig een plukje vanaf dat ze tussen haar bekwijlde handjes legde, en vervolgens wreef ze haar pollekes langzaam tegen elkaar.
‘Wil je kaas?’ vroeg ze.
‘Ja hoor, geef maar’, zei ik. Want ik hou van haar.
Ze rolde het bolletje naar haar vingertoppen en duwde het slijmerige propje tussen mijn lippen.
Ik zoog het naar binnen en moest me inhouden om niet te kokhalzen.
‘Nog?’ vroeg ze.
‘Geef de volgende maar aan Wannes.’
Ze trok weer een plukje van de kaas en plakte het in het midden van haar linkerhand. Zachtjes legde ze haar rechterhand erop en begon te rollen.
Haar broer kwam tegen me aan hangen. Een klein zomerlijfje vol nauwverholen jongetjesenergie.
‘Maartje?’ vroeg hij.
‘Ja’, zei ik.
‘Wil jij de meter worden van ons kindje?’
Mijn hoofd stond klaar om mee te gaan in weer een spel. Iets als vadertje en moedertje spelen, komen eten, whatever, maar dan met een meter.
Hun moeder zat in onze grote paarse stoel, hand op haar buik. Een kindje. Een vonk in mijn gedachten.
‘Is dit een grapje?’ vroeg ik.
Nee, schudde hij.
‘Nee’, zei de moeder.
Het kippenvel op mijn armen en mijn rug strekte zich uit tot ver over de cultuurkloof. De cultuurkloof waarom ik maar moeilijk kan bevatten dat de tweede naam van mijn man Louiza is, naar zijn meter. De cultuurkloof die mij belet de verwevenheid van katholieke tradities in alle mooie dingen des levens werkelijk te begrijpen.
Mijn kippenvel overbrugde die kloof en deed mij beseffen dat ik meedoe, erbij hoor, dat ik het zelfs al voel, zonder ratio, maar gewoon met bobbeltjes op mijn huid. Dat ik niet alleen kan beredeneren dat het belangrijk is, meter zijn, maar dat mijn lijf zelfs al een chemisch mengseltje in de leidingen gooit bij die vraag.
Het overviel mij, het mengsel, de vraag, de gedachte dat ik ervoor in aanmerking kwam, dat ik dus kennelijk een van hen van was, dat mijn schoonzus erop vertrouwde dat ik eeuwig haar schoonzus zou blijven.
‘Ik snap dat je erover na moet denken’, zei ze.
‘Ik hoef er niet over na te denken’, zei ik.
Een paar kladdige vingertopjes duwden een bolletje bekwijlde kaas tussen mijn lippen.
‘Dank je wel’, mompelde ik, terwijl ik het met smaak doorslikte en dacht aan hoe mijn naam op het geboortekaartje zou prijken. ‘Dank je wel’, mompelde ik nog een keer.

In staat van opluchting

Als ik het niet wil hebben, waarom zou een ander het dan willen hebben?

Ziedaar de gedachtekronkel waardoor ik een waardeloze verkoper ben. Ik herinner me hoe we twee jaar geleden ons huurhuis op een zoekertjessite zetten en busladingen met kijkers moesten ontvangen. Dagenlang beet ik mijn tong af, terwijl Wannes vaardig mooi weer speelde. Begrijp me niet verkeerd, het was een mooi huis, maar wij wilden daar weg en wij zijn niet gek. Voor mij was het onmogelijk om te doen of het huis een lot uit de loterij was, dus knabbelde ik zachtjes op mijn tong.

Onlangs kochten wij een nieuwe oude auto, met als gevolg dat we van onze oude oude auto af moesten. Rationeel gezien was het ding zeker nog wat waard: goede motor, goede banden en wielen, goede accu, en last but not least: het ding rijdt. Maar emotioneel gezien was het een typisch geval van: als ik die kutwagen niet meer wil hebben, waarom een ander dan wel?

We waren eerlijk geweest: alles wat hapert of er definitief mee opgehouden is, stond in de advertentie. En toch sloeg de schrik me om het hart toen er iemand reageerde. Wat als er een heel bleu, naïef meisje zou komen kijken? Een grietje dat die paar honderd euro met moeite bij elkaar heeft geschraapt en zich geen raad weet met de kuren van ons barrel? Moest ik haar waarschuwen? Of moest ik mijn tong afbijten?

Godzijdank stond er iemand die zich voorstelde als ‘de Glenn’, die zich op de bestuurdersstoel slingerde en die in zijn vrij het gaspedaal een paar keer stevig indrukte, wat robuuste remproeven deed en bij het schrapende geluid bromde: ‘de boet, da’s de boet, da’s geen probleem se’. Hij reed er niet mee, hij keek er nauwelijks naar, wuifde wat kleine waarschuwinkjes van Wannes weg met ‘jaja, dat stond in de advertentie se, geen probleem’. De Glenn overhandigde ons een paar groene briefjes en ik haalde overdreven opgelucht adem. Mijn tong was nog heel, iemand had iets gekocht wat ik niet meer wilde hebben en ik had geen schuldgevoel. Wonderlijk.

Mijn zoektocht naar een plek om te blijven (4) Wat is een huis?

Ik schreef het al eerder: ik ben ontworteld en onthecht. Vroeger wist ik zeker dat ik mijn hele leven in Amsterdam wilde blijven, nu weet ik niks meer zeker. Ik voel me thuis in Leuven, dus ik zou hier graag willen blijven, maar niet ten koste van alles. En daar wringt de schoen: om in Leuven te kunnen blijven, moeten we waarschijnlijk bijzonder veel kruisjes uit de logikwis offeren. Dus spelen mijn gedachten met plattelanden, buitenlanden en Wallonië, in plaats van een stad, in plaats van Leuven.

Het woord ‘huis’
Als Amsterdammer heb ik een wat gedeformeerde kijk op wonen. Een goed voorbeeld daarvan is de Amsterdamse betekenis van het woord ‘huis’. Toen ik in Vlaanderen ging wonen en ik vertelde dat ik ‘mijn huis’ in Amsterdam had verkocht, zagen mijn Vlaamse toehoorders een serieus huis voor zich, inclusief dak, voordeur en buitenruimte, terwijl ik het had over de Rustenburgerstraat nummer zoveel twee hoog achter, een éénkamerappartementje met een open keuken, een badkamertje en een balkon. ‘Maar je zei toch ‘huis’?’ vroegen ze dan vertwijfeld. En dan legde ik uit dat we in Amsterdam alles een huis noemen. Het woord ‘appartement’ valt in gesprekken tussen Amsterdammers vooral bij vakantieverhalen, niet in gesprekken over de ruimte waar je woont.

The sky is the limit
In Amsterdam was alles een huis, maar in acht jaar Leuven is mijn Amsterdamse huizendeformatie vermengd geraakt met een groot gevoel van the sky is the limit. In België woonde ik tot nu toe alleen maar in huizen met minstens drie woonlagen en mijn vorige huis telde er zelfs vier. Mijn eerste Leuvense huis had een tuin die bijna twee keer zo groot was als mijn ‘appartement’ in Amsterdam. Dus: hoewel ik een halve verdieping in Amsterdam nog steeds een ‘huis’ noem, heb ik voor mijzelf inmiddels heel andere ambities.

Logikwiskruisjes
Ik hoef niet groot te wonen, maar ik heb wel wat eisen. Even wat logikwiskruisjes.

- Ik ben een emigrant, ik heb een logeerkamer nodig, voor het broodnodige contact met mijn vaderland.
- Ik ben zelfstandige, ik heb een werkkamer nodig. Dat mag dezelfde ruimte als de logeerkamer zijn, maar liever niet, want ik heb een tweepersoonslogeerbed en een moeilijk te bedwingen hang naar dutjes.
- Mijn man is zelfstandige, dus die heeft ook werkruimte nodig. Dat mag dezelfde zijn als die van mij, maar dan moet die wel vrij groot zijn. In kleine kamers blijk ik trouwens sowieso niet te kunnen werken, feng shui-tiep dat ik daar ben.
- Ik wil een tuin. Ik heb nu een koertje ter grootte van een badkamer, en ik mis het zicht op groen en vogels met heel mijn hart.

Geen objecten

In totaal wil ik dus het liefste drie (slaap)kamers, waarvan één heel grote, waar Wannes en ik samen kunnen werken. Of vier iets kleinere, waardoor Wannes en ik elk een eigen kamer kunnen krijgen. Bovendien wil ik een tuin of tuintje. Als je dit met een schappelijke prijslimiet en het woord ‘Leuven’ intikt op immossites dan word je hartelijk uitgelachen. ‘Er zijn geen objecten gevonden die voldoen aan uw criteria.’ En daarom speel ik dus in gedachten met buitenlanden, plattelanden en Wallonië.

Wordt vervolgd.

Deel 1 – De suspense
Deel 2 – De logikwis
Deel 3 – Huur of koop

Mijn zoektocht naar een plek om te blijven (3) Huur of koop

De vraag die jullie het meeste stelden toen ik schreef dat ik op zoek was naar een huurhuis ‘om te blijven’: waarom koop je niet?

De korte versie van het antwoord is: als we een huis kopen, moeten er waarschijnlijk gigantisch veel kruisjes uit de logikwis verdwijnen. Simpelweg omdat ons budget gering is.

Natuurlijk is bij een koophuis de ‘essentie’ van mijn zoektocht gedekt (een plek om te blijven), toch heb ik voor die zekerheid niet zo belachelijk veel kruisjes over.

No strings attached

Het lange antwoord begint bij de formulering van de essentie. ik wil een plek waar ik kan blijven, ik wil niet per se een plek waar ik moet blijven. Het klinkt als een minieme nuance, maar het voelt voor mij als een levensgroot verschil.

Ik heb de afgelopen jaren op een haar na al mijn schulden afgelost, gezorgd dat alle rekeningen uit het rood zijn, dat alle bedrijfsleningen afgelost waren en dat we voorschotten op belasting betalen in plaats van steeds te schrikken van de achterafbetalingen. We hebben zelfs geen creditcard meer. Het gevoel dat ik nu heb – no strings attached, ik sta bij niemand in het krijt – is me eigenlijk best veel waard. Ik bezit dan wel niks, maar ik ben ook nergens aan gebonden. Een hypotheek zou dat gevoel in één keer wegvagen. Als ik er een behoorlijk huis op een behoorlijke plek voor terugkrijg, is het dat misschien waard, maar mijn budget steekt bij de minste gedachte aan een behoorlijk huis een dikke middelvinger naar me op.

Molensteenvrij

Hoewel ik niet uitsluit dat ik nog eens rijk word de komende jaren, wil ik niet het juk voelen om rijk te moeten worden. Sterker: als zelfstandige is de kans altijd aanwezig dat je ineens een stuk armer wordt. Bovendien lijkt mijn werk steeds minder waard te worden (awoert overbevolking op de schrijfmarkt!) en zijn huizen in deze tijd niet per definitie een ‘zekere’ investering. Als ik huur, leef ik zeker molensteenvrij. Als ik koop moet dat nog maar blijken.

Wat nog wel kan, is dat ik voortschrijdend inzicht krijg in mijn budget of in de woningmarkt, waardoor al mijn eerdere afwegingen in een ander licht komen te staan. Dan wil ik best opnieuw overwegen om de hoon van de hypotheekverstrekker te trotseren.

Ook kan het zijn dat Wannes en ik in een vlaag van verstandsverbijstering besluiten dat we een bungeejumpbedrijfje op Hawai willen hebben. En dat de Hawaiaanse bungeejumpbedrijfjesmarkt een koopmarkt blijkt te zijn. Je weet het niet.

Wordt vervolgd.

Deel 1 – De suspense
Deel 2 – De logikwis
Deel 3 – Huur of koop
Deel 4 – Wat is een huis?

Niemand weet of ik er ooit spijt van zal krijgen

Vlak voor mijn zestiende verjaardag liep ik weg van huis. Twee jaar later dreigde ik dakloos te worden. Mijn ouders boden me aan om terug te komen en ik deed dat. Onder één voorwaarde: ‘Als jullie maar niet zie je wel zeggen.

Inmiddels ben ik ouder, sadder en wiser. Iedereen mag tegenwoordig zie je wel tegen me zeggen. Ik vind het niet zo’n verfijnde vorm van retoriek, dus je zult iets dalen op mijn ranglijst van eloquente intelligentia, maar ik maak me er niet meer druk om. De enige die niet zie je wel tegen me mag zeggen, ben ikzelf. En de enige die het vaak doet, ben ikzelf. Ziedaar, een patstelling van jewelste.

In een proefbuis

Zie je wel tegen jezelf zeggen is niet constructief en irrationeel, maar ik betrap me er regelmatig op. Vergelijk het met een hypochonder die in elke échte kwaal een bevestiging ziet van zijn hypochondrie. Zo zie ik als volleerd twijfelaar in elk noodlot een bevestiging van mijn getwijfel.

Dit is een heel lange aanloop om iets te vertellen over mijn kinderwens. Vorig jaar rond deze tijd schreef ik over kindjes in de vriezer, kindjes in het wasgoed, kindjes in een proefbuis en kindjes in mijn buik, ik beloofde jullie op de hoogte te houden, en ik deed dat ook. Tot op een zeker moment de twijfel toesloeg. Toen schreef ik niks meer.

In juni 2013 zaten Wannes en ik op een berg in Zuid-Frankrijk, met elk een cognac, starend naar de schemering in het dal voor ons, toen Wannes ineens zei: ‘Weet je … ik weet eigenlijk niet of ik wel door wil gaan.’ De duisternis viel, alle bomen ontdeden zich langzaam van hun kleur en ik wist meteen waarover hij het had. De ICSI-behandelingen. De kinderwens.

Met kunst en vliegwerk 

Ik zag het niet aankomen. Bij grote beslissingen sta ik alleen twijfel toe tot het moment dat de beslissing genomen is, daarna moet het gedaan zijn, anders zou mijn leven als twijfelaar volkomen ondraaglijk worden. Toen we besloten om met kunst en vliegwerk een baby in elkaar te draaien, heb ik voorafgaande aan dat besluit uiteraard lang getwijfeld. Maar toen we er eenmaal aan begonnen, kon ik me niet veroorloven om bij elke huilbaby of elk onhandelbaar kind onze beslissing in vraag te stellen. Ik kon niet een jaar lang drie maal daags een hormoonspuit in mijn buik weerstaan als ik me blijvend zou afvragen of dat wel was wat ik wilde.

Dus toen Wannes die zin uitsprak, zoog mijn hersenpan zich vacuüm. Ik tuurde in de schemering naar het water in de verte, de brug tussen de heuvels, en de vleermuizen boven de bomen onder ons; ik kon er geen chocola van maken. Duizend kilometer verderop zaten twee embryo’s in de vriezer, het schamele resultaat van maandenlang mislukken, en nu ging Wannes twijfelen?

Mijn twijfel gekneveld

Het vacuüm hield aan terwijl ik mijn vragen stelde: waarom zeg je dat? Wat bedoel je ermee? Wat maakt dat je twijfelt? Wannes gaf stamelend antwoord, ook hij moest zijn gedachten nog vormgeven, woorden zoeken voor zijn gevoel en zijn angsten. Ik bleef in dat vacuüm, ik dacht niet, ik oordeelde niet, voelde helemaal niets. Waar een rastwijfelaar doorgaans maar dít nodig heeft om weer eens een flink robbertje te gaan twijfelen, had ik mijn twijfel zodanig gekneveld, dat ik er met geen mogelijkheid meer bij kon. Mijn twijfel stond in een weckpot op de allerbovenste plank, met een etiketje erop: Afblijven!

Het duurde een uur toen het vacuüm zachtjes scheurde. Er kwam lucht bij mijn gedachten en ik kon niets beters verzinnen dan maar een potje te janken. Niet omdat ik het zo erg vond wat Wannes zei, maar omdat ik die weckpot alleen maar zo lang onberoerd had kunnen laten omdat ik het etiket met ‘Afblijven!’ zo serieus had genomen. En nu zette Wannes die weckpot plompverloren open op tafel. Dat was schrikken.

Het zat me als gegoten

Het is niet moeilijk om vooraf vreselijk te twijfelen over ICSI-behandelingen. Als je alle statistieken over de onfortuinlijke wending die je leven kan nemen door zo’n behandeling naast elkaar legt, moet je wel een uitzonderlijke optimist zijn om niet een paar vragen bij je kinderwens te zetten. Maar twijfelen terwijl er twee veelbelovende kinderen in de vorm van ijskristallen op je liggen te wachten, is een ander paar mouwen.

Nadat Wannes mijn vragen zo goed en zo kwaad als het ging had beantwoord en ik mijn schrik wat had uitgetraand, beloofde ik erover na te denken. Ik had verwacht dat ik slecht zou slapen, me ‘stilletjes’ zou voelen bij het opstaan, dat ik verdrietig zou worden, kwaad zelfs. Maar nee hoor, niets van dat al. De twijfel zat me als gegoten. Als het niet zo complex was, zou ik het ‘opluchting’ hebben genoemd. Ik mocht weer ronddobberen op een van mijn grootste talenten: twijfel.

Afwijkingen en moederziektes

Ik moest denken aan de voorwaarde die ik op mijn achttiende aan mijn ouders stelde: geen zie je wels, en ik was nog steeds van mening dat dat een beetje kinderachtig was geweest. Maar toch dook het gevoel weer op: wat als ik Wannes overhaal en het leven een noodlottige wending neemt door die beslissing? Afwijkingen, moederziektes, whatever. Zal ik mijn eigen zie je wels dan kunnen onderdrukken? Het antwoord op die vraag zul je natuurlijk nooit weten, maar het voelde logisch om de kosten en baten nog eens naast elkaar te zetten.

Door allerlei ellende had ik 2011 en 2012 al meer ziekenhuizen van binnen gezien dan in de rest van mijn leven. Met die reageerbuisbehandelingen knoopten we 2013 er naadloos aan vast. Als ik Wannes zou overhalen, zouden we wederom maanden, misschien jaren, opofferen om drie maal daags op exact dezelfde tijd een injectiespuit in mijn geperforeerde buik te zetten, en om vier keer per week voor dag en dauw in het ziekenhuis te zijn. Ik vind dat best een verantwoordelijkheid.

De verantwoordelijkheid

Stel: ik neem die verantwoordelijkheid, en we krijgen na een heleboel pijn, verdriet en gedoe een kindje met een ernstige afwijking. Was het dat dan waard? Het voelde vreemd om die vraag opnieuw te stellen terwijl ik al een aantal ICSI-behandelingen achter de rug had, want als ik bij ‘nee’ zou uitkomen, zou de eerdere keuze voor dat zware traject behoorlijk dom lijken.

Maar ik keek mijn zie je wels in de ogen, slikte drie keer en stelde mezelf de vraag opnieuw: wat als je een kindje zou krijgen met een afwijking? Ben je dan nog steeds blij dat je 2013 en 2014 heb opgeofferd aan die exercitie? Nog geen 24 uur nadat Wannes in de de schemer de doos van Pandora had opengezet, zei ik tegen hem: ‘Ik geloof dat ik ook niet meer weet of ik het nog wil.’

Vergezichten 

Hoe het daarna precies verliep weet ik niet meer, maar ik herinner me het gevoel dat je hebt als je besluit dat je gaat verhuizen. Jarenlang kun je er best mee leven dat de geiser steeds vanzelf uit gaat, maar als je eenmaal hebt besloten om weg te gaan, erger je je dood aan die klotegeiser. Het is maar goed dat ik hier wegga, dat gevoel.

Al toerend over haarspeldweggetjes langs rotsen en ravijnen schilderden Wannes en ik vergezichten van een leven waarin al onze tijd voor ons tweeën was. Een leven waarin ruimte zou zijn voor alle creatieve projecten die we zouden bedenken. We bedachten scenario’s waarin onze financiële verplichtingen niet verder zouden reiken dan onze eigen noden, en waarin geen ernstig zieke baby’s en per ongeluk vervelend uitgevallen kinderen voorkwamen. Als klap op de vuurpijl zouden we in 2013 en 2014, ijs en weder dienende, geen ziekenhuis van binnen hoeven te zien.

Drie variaties zie je wel

De schetsen werden al mooier, de vakantie vorderde, en mijn buik herstelde langzaam van de blauwe plekken die de tientallen prikken hadden achtergelaten. Het beeld van een leven zonder kinderen werd met de dag logischer voor ons allebei. Intussen vochten in mijn achterhoofd drie variaties van zie je wel om voorrang.

Ten eerste de zie je wel die zou volgen als ik van mening zou veranderen: Jezus Maart, zie je wel, wat dom, eerst ga je maandenlang door een medische molen op kosten van de gemeenschap en vervolgens beslis je dat je het toch maar liever niet wil. Het zou me bevestigen in al mijn twijfels die de toekomst nog voor me in petto heeft, want als je zelfs over een van de zwaarste vruchtbaarheidsbehandelingen kennelijk de verkeerde keuze maakt, dan kun je jezelf natuurlijk nooit meer vertrouwen.

De tweede zie je wel was de zie je wel die door mijn hoofd zou zoemen als we aan het ziekbed van een ernstig ziek kind zouden zitten, en als ik dan naar een droevige  Wannes zou kijken. Zie je wel, Maart, zou ik denken, je had hem toen in Frankrijk nooit mogen overhalen.

En tot slot de zie je wel als je op je zeventigste ziet dat iedereen een vangnet van kinderen, aangetrouwde kinderen en kleinkinderen heeft gecreëerd, terwijl Wannes en ik ons vangnet van leeftijdsgenoten een voor een naar de begraafplaats brengen.

Elke zie je wel is ietwat infantiel, irrationeel en vrij gemakkelijk omver te werpen, maar niemand heeft beloofd dat ik perfect zou zijn.

Mooi geweest

De tweede zie je wel won. Eenmaal thuis belde ik het ziekenhuis: ‘Ik wil mijn volgende afspraak afzeggen.’ Nog steeds slaat mijn argumentatie nergens op, en de kans dat ik meer dan eens aan die twee embryo’s zal denken, is levensgroot aanwezig. Maar Wannes en ik lijken allebei al een jaar lang bijzonder goed te gedijen bij het idee dat het mooi is geweest. Ik geef mezelf nog dagelijks de kans om te twijfelen, om van mening te veranderen, maar het gebeurt niet. Het is mooi geweest.

De zoektocht naar een plek om te blijven (2) De logikwis

Naar aanleiding van het vorige stukje kreeg ik veel vragen. Waarom wil je huren? Waar wil je wonen? Waarom moet je weg? En ga zo maar door.

Het moeilijke van de meeste vragen is dat ze veronderstellen dat er een zwart-wit antwoord is, maar zo simpel is het niet. Mijn zoektocht is een logikwis, een enorm raster met langs de assen de opties, en in de tabel tientallen kruisjes die verspringen zodra een ander kruisje verschijnt of verdwijnt.

Liefst voor vijf frang en een bos erbij

Zo zou ik graag een ligbad willen, maar als ik een huis vind met een fantastische tuin, dan wil ik het kruisje bij dat bad best tipp-exen. Andersom werkt dat niet: als er een fantastisch ligbad is, blijft het kruisje bij de fijne tuin toch staan. Hetzelfde geldt voor de woonoppervlakte: als we ín Leuven iets kunnen vinden, wil ik best wat kleiner wonen, maar worden we naar een tuttig Limburgs dorp verdreven, dan moet daar op zijn minst wat ruimte tegenover staan.

Wannes schreef maandag over onze wensen op Facebook. ‘Liefst voor vijf frang en een bos erbij om in te verdwalen. En dat dan in het centrum van Leuven. En als het kan met een vergeten erfenis tussen de spouwen.’ Cathelijne schreef daaronder dat ze een Soester tuin wilde, maar een voordeur aan de gracht. Zij begreep het: het liefst willen we alles.

Ik snap dat een logikwis geen zin heeft als je er alleen maar irreële opties in zet, maar ik vind dat je hoog moet inzetten als je niet zomaar een huis zoekt, maar ‘een plek om te blijven’. Daarom staan er nu nog overal kruisjes: bij de voordeur aan de gracht én de Soester tuin en bij de verborgen schat én het grote verdwaalbos. We weten dat er massa’s kruisjes moeten verdwijnen, we weten alleen nog niet welke.

Wat wil ik nu eigenlijk het liefste?

Het vervelende van een leven als freelancende veelverhuizer is dat je steeds opnieuw begint, met alles. Het voordeel van een leven als freelancende veelverhuizer is dat je de kans hebt steeds opnieuw te beginnen, met alles. Elke keer dat ik zonder werk kom te zitten, kan ik me afvragen: wat wil ik nu eigenlijk het liefste? En elke keer dat ik zonder huis kom te zitten, stel ik me diezelfde vraag. Zulke wezensvragen beantwoorden voelt als een zware verantwoordelijkheid, maar ook als een kans die veel andere mensen niet zo vaak krijgen. Ik kan immers steeds opnieuw de leemten in de strategie van de vorige verhuizing herstellen, en alle wijzigingen die de afgelopen twee jaar in mijn leven plaatsvonden, verwerken in een nieuw plan.

Daarom zal deze huizenzoektocht een hoog utopisch gehalte hebben. Jullie zullen oogrollen en zuchten bij het zien van mijn wensen, jullie zullen je afvragen waarom ik zo onwaarschijnlijk veel eisen stel, maar ik denk dat je ‘een plek om te blijven’ alleen vindt als je niet al te lichtzinnig je kruisjes offert.

Wordt vervolgd.

Deel 1 – De suspense
Deel 2 – De logikwis
Deel 3 – Huur of koop
Deel 4 – Wat is een huis?

Mijn zoektocht naar een plek om te blijven (1) De suspense

Ik woon in Leuven (België), in het centrum, in een huis met drie woonlaagjes, een piepklein koertje en mijn man. Vandaag over een jaar moeten we hier weg zijn, en met uw welnemen zal ik een jaar lang verslag doen van mijn zoektocht. Natuurlijk hoop ik dat u plotseling op de proppen komt met een plek om te blijven, maar mocht dat niet het geval zijn: de zoektocht kost me zoveel verbazing, verzuchting en kopzorgen dat het hoe dan ook wel een leuke serie zal opleveren.

Bovendien zal het me helpen om mijn gedachten vorm te geven, want er is iets wezenlijks aan ‘een plek om te blijven’ waar ik moeilijk grip op krijg. Een nieuw huis kan door de vorm, de omgeving, de bereikbaarheid of de prijs je leven in één keer op zijn kop zetten. Die afwegingen op het vlak van financiën, contacten, vervoer en andere prioriteiten schrijf ik graag eens op, in de hoop erachter te komen wat dan precies mijn prioriteiten zijn.

Ik wil aarden

De afgelopen 25 jaar ben ik 12 keer verhuisd. Dat is te veel. Misschien objectief gezien niet, maar subjectief gezien wel. Ik ben het beu. Daarom heet deze serie ook niet ‘mijn zoektocht naar een nieuw huis’, maar ‘mijn zoektocht naar een plek om te blijven’. Ik wil zo graag landen, aarden, en minstens tien jaar niet hoeven nadenken over een nieuw huis. Ik kan me er niets bij voorstellen, maar het klinkt hemels.

Er zitten veel haken en ogen aan deze zoektocht, maar aangezien ik van zins ben hier een serie van te maken, ga ik ervanuit dat ik u alle haken en ogen na verloop van tijd uitgebreid uit de doeken zal doen. Ik zal beginnen met de titel van dit stukje.

De suspense

Al enige tijd stel ik mezelf vlak voor ik in slaap val de vraag: waar zal ik over een jaar in bed liggen? Vervolgens trekken er hoeves langs mijn geestesoog, paleizen en abdijen, watermolens en boshutten, en een enkel herenhuis in een grote stad.

Als ik geluk heb, val ik vervolgens met een glimlach om mijn mond in slaap, maar in veruit de meeste gevallen (ofwel: als ik pech heb) zet ik met accolades zoveel mitsen en maren bij al die hoeves en paleizen dat ik getergd in slaap val met op mijn geestesoog een veel te klein bed in een veel te duur huis ‘formaat meterkast’ in de suburbs van Leuven.

Toegegeven: beide scenario’s (het paleis en de meterkast) getuigen van iets te veel drama. Maar die proporties heeft een ‘plek om te blijven’ voor mij: ik vind het zo essentieel dat ik er maar met moeite rustig onder kan blijven.

Afwachten of je mag blijven

Een van de riskante aspecten aan ‘een plek om te blijven’ is dat in een land dat nauwelijks weet hoe je het woord ‘huurrechten’ schrijft die wens een kwestie is van neus dicht, ogen dicht, springen – en dan maar afwachten of je inderdaad mag blijven. Het woord ‘huurbescherming’ moet ik hier spellen. Què? Huurbescherming?

Schaarste

Een ander obstakel is dat de schaarste enorm is. Ter vergelijking: in Nederland bestaat 40 procent van de woningvoorraad uit huurwoningen. In België is dat iets meer dan 20 procent. Er is waarschijnlijk minder vraag naar huurwoningen, en het is net als in Nederland natuurlijk erg afhankelijk van wáár je zoekt, maar dit is mijn vierde huizenzoektocht in België en het wordt elk jaar onmogelijker.

Tel die schaarste en die huuronzekerheid bij elkaar op en je hebt hopelijk een jaar lang zinvolle bedenkingen van een getergde huizenzoeker met een diep verlangen om te wortelen. Amen.

Wordtvervolgd.

Deel 1 – De suspense
Deel 2 – De logikwis
Deel 3 – Huur of koop
Deel 4 – Wat is een huis?

Of ik Koningsdag en de oranjegekte even wil uitleggen

Een Vlaming stelde mij een vraag:

tweet_koningsdag

Ik kleed MelkMuylles tweet even uit.

 Deel 1: of ik het wil uitleggen ‘als nieuwe burger hier’

Moeilijk, moeilijk, ik vind het altijd lastig om de brug te slaan tussen wat ‘Hollands’ is en wat de Belgen daarvan begrijpen. Ik begrijp Hollandse gewoonten ook niet altijd, ik ben immers in een grootstedelijk reservaat opgegroeid. Ik kan niet spreken vanuit het perspectief van mensen in kleine steden, dorpen of the middle of nowhere. Bovendien is het de vraag of ik überhaupt mag spreken namens de oranjegekken. Nimmer stond ik met een oranje pruik een schaatser op te wachten op Schiphol, en ik stond ook nog nooit langs de weg om met een oranje petje prinsen of prinsessen toe te zwaaien.

Hoe vaker mensen iets doen, hoe leuker ze het gaan vinden

Toch denk ik dat ik het beter begrijp dan de gemiddelde Belg, maar dat is het beter begrijpen dat zich afspeelt op het niveau van tradities. Om een vergelijking te maken: ik snap niet dat verkiezingen in België op zondag zijn, dat het stembureau maar een paar uur open is en dat men daar vervolgens een familievreetfestijn aan koppelt. Voor Belgen, die vrijwel allemaal niet anders gewend zijn, valt dat ook niet aan mij uit te leggen. Het is gewoon zo, en ze genieten ervan.
Dat is het eerste antwoord op de vraag: mensen zijn gewoontedieren. Dol op tradities, hoe vaker ze iets doen, hoe leuker ze het gaan vinden. Sterker: veel mensen doen elk jaar op Koninginnedag (lees: Koningsdag) hetzelfde, op hetzelfde tijdstip, met dezelfde vrienden, in dezelfde stad.

 Deel 2: hoe dat zit met die Koningsdag?

Een jaar of vier geleden was ik er voor het laatst bij, toen was het nog gewoon Koninginnedag, dus zo blijf ik het ook maar even noemen; gewoontedier dat ik daar ben.
Ik denk dat het allersterkste punt van Koninginnedag de vrijmarkt is. Ook hier spreek ik weer als hoofdstadbewoner in hart en nieren. Voor de meeste Amsterdammers is de vrijmarkt de kern van Koninginnedag. Natuurlijk stonden er de afgelopen twintig jaar overal podia van café’s, radiozenders en biermerken in de stad, maar als dat het enige kenmerk was, dan was het vermoedelijk niet zo’n breed gedragen volksfeest.

 Staan of lopen, verdienen of kopen

Als je nog nooit bij de Amsterdamse vrijmarkt bent geweest, is het moeilijk om te begrijpen wat het precies inhoudt. Een ‘rommelmarkt’ raakt in de verste verte niet de kern van het feest. Misschien kan ik het nog uitleggen door te beschrijven waar ik blij van werd al die jaren dat ik Koninginnedag vierde:

* De voorpret
In de weken voorafgaand aan (toen nog) 30 april moest je beslissen: ga ik staan of ga ik lopen. De maanden ervoor kreeg je regelmatig de vraag: ‘Ga jij dit jaar weer staan op Koninginnedag?’
Staan betekende dat je het langsschuifelende volk probeerde geld afhandig te maken met een kleedje met rommel, een muziekinstrument, een spelletje of een grabbelton. Lopen betekende dat je je tussen het langsschuifelende volk mengde, en je gewillig geld afhandig liet maken door de mensen die stonden. Veel kinderen gaan staan, maar vanaf een jaar of 13 wordt lopen steeds vaker een optie.

* Ondernemingsplannen verzinnen
Als je gaat staan moet je bedenken wat je gaat doen. Toen ik heel klein was, ging ik meestal mijn puzzels en kwartetspellen verkopen. Van het verdiende geld kocht ik dezelfde dag nog andermans afgedankte smurfen en knikkers. Toen ik iets ouder was, speelde ik mijn dwarsfluitboek dertig keer door, en toen ik nog weer iets ouder was bedacht ik met vriendinnetjes spelletjes waarmee we hoopten veel geld te verdienen, maar waarmee we vooral heel veel lol hadden.
Het grootste succes hadden we toen we in 1984 met een spiraal à la Willem Ruys op de Middenweg stonden. Nu is die spiraal een klassieker, toen was het nog superstoer om ‘bekend van tv!’ te kunnen rondtoeteren.
Ook succesvol was onze Milky Way-Kop van Jut. We bouwden een stellage van kronkelende regenpijpen en gooiden aan de bovenkant een Milky Way in de opening. De speler moest met een stok met een hamer de Milky Way opprikken als die er aan de onderkant uitkwam. Was het raak, dan won de speler de Milky Way in kwestie, anders was hij gewoon een kwartje kwijt.
Het meeste geld verdienden we met de welbekende emmer met water met een borrelglaasje onderin, waarin je moest proberen een muntje te mikken. Als je raakte, kreeg je je inzet dubbel terug. Ik meen dat het 1986 was dat we in vijf uur tijd 150 gulden ophaalden. Het enige wat we daarvoor hadden gedaan, was een emmer water naar de Linnaeusstraat slepen. Een goed voorbeeld van ‘een minimum aan inspanning en een maximum aan resultaat’. Het dartboard met het briefje van 25, waarbij je voor een gulden drie keer mocht proberen om het hoofd van Sweelinck (dat erop afgebeeld stond) te raken, was in 1987 nog vrij nieuw, en verdiende heel goed.

* De vrolijkste reünie die er is
Als je iets ouder wordt en vaker gaat lopen, wordt de vrijmarkt meestal een kwestie van vrienden hoppen. Je bedenkt een route langs al je vrienden die ergens staan en werkt die route dan gedurende de dag af, waarbij je overal even blijft hangen, iets koopt, en vaak wat gezelschap achterlaat of juist rekruteert, waardoor je met een steeds wisselende samenstelling de volgende etappe aflegt. Er zijn Koninginnedagen geweest waarbij ik op één dag meer dan veertig kilometer liep.

* Love and happiness
In Amsterdam moet je weten waar je moet zijn, een kenner haalt het niet in zijn hoofd om zich in de buurt van het Damrak of het Rembrandtplein te begeven. Die beperkt zich tot ‘de buurten’. Het Vondelpark, Zuid, de Jordaan, Watergraafsmeer, dat waren de jaren dat ik Koninginnedag vierde de buurten waar de sfeer gemoedelijk bleef, waar niet te veel gedronken werd en waar radiozenders en biermerken hun tentakels nog niet hadden uitgestrekt. Een sfeer die nog het beste te vergelijken valt met Lowlands: mensen spreken elkaar heel gemakkelijk aan, helpen elkaar, vrolijken elkaar op. Ze dossen zich uit, soms zo origineel dat je ook daar weer vrolijk van wordt, en ze hebben er, weer of geen weer, zin in.

* Schatten zoeken
Tot slot: hoewel de vrijmarkt maar ten dele een rommelmarkt is, je mag immers met alles op straat geld verdienen, is het koopjesjachtaspect wel een fijn element. Als je weet wat je zoekt en weet waar je dat moet zoeken, kun je op Koninginnedag je hele verlanglijstje in een keer binnen hengelen.
Ook hier helpt het als je de stad een beetje kent: in de rijke buurten zijn de spullen uiteraard in de beste staat, je vindt er meer boeken en platen, meer antiek, merkkleding en hoogtezonnen, minder plastic speelgoed en verwassen hemdjes, maar de verkopers vragen ook iets meer. In de arme buurten vind je meer rommel, maar ook meer smurfen en curiositeiten, en de prijzen zijn bescheidener.
Ik sloeg mijn slag altijd ‘s avonds, als de mensenstroom plaatsmaakte voor bergen rommel van verkopers die geen zin hadden om hun assortiment weer mee naar huis te nemen. In 1994 vond ik een leren jasje dat ik tot 2006 heb gedragen, zomaar in een afvalberg op de Marnixstraat. En zo heb ik een waslijst van Koninginnedagaankopen en -vondsten die mijn leven hebben verrijkt.

Deel 3: of Koningsdag hetzelfde is als oranjegekte

Even een stukje ‘oma vertelt’: toen ik klein was, droeg vrijwel niemand oranje op Koninginnedag. Ik vermoed dat dat iets te maken had met de marketingcultuur van begin jaren tachtig. Eens in het jaar trof je een gratis stripboek of een slap 45-toerenplaatje bij het kattenvoer, en dat was het wel zo’n beetje. Unox tooide het land nog niet met mutsen, en Nationale Nederlanden had nog geen bulkcontract bij de t-shirtdrukker. Wij stonden dus gewoon in onze donkerblauwe windjacks ons dwarsfluitdeuntje tot in het oneindige te herhalen.

Vergelijk het met een verkleedfeestje, daar doet ook niet iedereen aan mee

Koningsdag uitleggen ging me nog wel redelijk af, maar oranjegekte inzichtelijk maken: ik vrees dat me dat niet gaat lukken. Toch zal ik een poging wagen.
Ik denk dat het zo is als met verkleedfeestjes. Als je een uitnodiging stuurt voor een verkleedfeestje, weet je dat er drie groepen zijn: allereerst de groep die zich vol overgave op zijn kostuum stort en kosten noch moeite spaart om in vol ornaat acte de présence te geven, de tweede groep bestaat uit lieden die al bij het woord ‘verkleedfeestje’ in de rode vlekken schieten en gelijk roepen dat ze zich onder geen beding verkleden. Die gaan dus gewoon in hun normale kloffie. En tot slot heb je groep drie die niet overenthousiast is, maar die zo nu en dan wat met de wind meewaait.

Ik hoor bij de meewaaiers

Bij die groep hoor ik: ik heb wel eens een heel WK voetbal een oranje beha gedragen. Mijn vrienden hadden er een bijgeloof aan geplakt, ‘je moet wel je beha aandoen anders verliezen we’, en ik speelde het spel vrolijk mee. Met nadruk op vrolijk: voetbalwedstrijden worden leuker als de groepsgimmicks voor het oprapen liggen. Of ik ooit een oranje accessoire heb gedragen op Koninginnedag, kan ik me niet herinneren, maar net als op Lowlands stak ik wel een extra bloem in mijn haar.

En dat is misschien wel het hele eieren eten. Alles wat je met een groep doet, wordt leuker als je terugkerende grapjes en tradities hebt. En feestjes worden echt feestelijker als je een paar slingers ophangt. Het oranje t-shirt is de slinger rond de verjaardagsstoel.

Je hebt mensen nodig die een nylon kriebelpruik willen opzetten

Kortom: ikzelf ambieer geen vormeloos t-shirt van een grootgrutter, of een oranje nylon kriebelpruik van een bank, ik hoor immers bij categorie 3 van het verkleedfeestje: de meewaaiers. Maar onder mijn beste vrienden zijn mensen die in maart al oranje schmink inslaan. Dat zijn de mensen die bij categorie 1 van het verkleedfeestje horen, die dolgraag een paar oranje strepen op je wang willen zetten, die bouwen aan een groepsgimmickrepertoire, en die als je naar bed bent je stoel versieren. Ik koester die mensen.

Vrijdag 21 februari

Een paar weken geleden mocht ik een week lang het Middagjournaal voor het Radio 1-programma Nieuwe Feiten maken. Hier kun je het item terugluisteren.

De afgelopen week dacht ik: ik moet iets over Kiev twitteren. Want als je veel twittert, voelt het zo stom als je niks zegt over de dingen waar het echt over gaat.

De belangrijkste reden dat ik het niet doe, is dat niemand er iets aan heeft als ik mijn verontwaardiging over Kiev twitter, enkel omdat ik me een beter mens wil voelen. Dus twitter ik niks over Kiev.

Maar er is nog een reden: ik twitter eigenlijk alleen om indruk te maken op mijn man. Dat er nog tweeduizend andere mensen meekijken, is bijzaak.

Niet dat het echt nodig is, indruk maken op mijn man, want hij  zei vorig jaar JA tegen mij, daarom mag ik hem ‘mijn man’ noemen. Maar in al mijn vezels voel ik dat mijn kwetterend bestaan niet geslaagd is als hij er geen getuige van is geweest. Dus zeg ik eens in de week ‘s ochtends: kom, we gaan mijn tweets bekijken. Dan komt hij keurig naast mij zitten en dan weet hij al wat ik van Kiev vind, hij ziet immers mijn gezichtsuitdrukking als ik naar de beelden op tv kijk, maar hij weet niet dat ik van de week een prachtig artikel van Bernlef op twitter zette over vergeten woorden zoals de maasbal.

Hij weet niet dat Bernlef schreef hoe hij zich in momenten van intense verveling in een kloof tussen wereld en woorden bevond. ‘Waarom heette dat ding daar tafel? Waarom stonden zij daar altijd in dezelfde slagorde, de stoelen, zwijgzaam en alleen in schijn gedienstig.’

Mijn man weet dat ik buikpijn krijg van Kiev, maar hij weet niet dat ik een liefdesbrief uit 1712 via twitter verspreidde, die begon met de schitterende aanhef ‘Hart allerliefste Mikgelief’. Tientallen mensen hadden het gezien en goed bevonden, maar mijn allerliefste Mikgelief nog niet.

Mensen vragen wel eens: Waarom twitter je eigenlijk? En dan zeg ik dat je als eenzame zelfstandige ook collega’s nodig hebt. Dat twitter het koffieapparaat of de dorpspomp is voor freelancers en andere eenzaten. En dat het me werk oplevert.

Maar dat wil ik bij dezen graag rechtzetten.
Lieve twitteraars, jullie zijn allemaal bijzaak.
Ik twitter alleen om indruk te maken op mijn man.

Donderdag 20 februari

Een paar weken geleden mocht ik een week lang het Middagjournaal voor het Radio 1-programma Nieuwe Feiten maken. Hier kun je het item terugluisteren.

Juridische fictie.

Op die term stuitte ik van de week toen ik me afvroeg hoe het ook alweer zat met de regel dat iedereen geacht wordt de wet te kennen.

Juridische fictie is de term voor alle situaties die in de wet staan, maar die in het dagelijks leven onmogelijk zijn. Zoals alle wetten kennen die op jou van toepassing zijn. Dat is onmogelijk.

Juridische fictie. Joepie. Er is dus kennelijk een woord voor de dooddoeners die ik dagelijks aanvoer in de discussies met het mannetje op mijn schouder dat mijn normen en waarden bewaakt. Het mannetje dat als ik een kebab bestel, zegt: ‘Je zou geen beesten eten die een verschrikkelijk leven hebben gehad.’ Dat mannetje kan ik nu mond snoeren met een wereldwijd bekende term: juridische fictie. ‘Jahaaa, lief mannetje op mijn schouder, die wet mag dan wel bestaan, maar het is onmogelijk om geen zielige dieren te eten als je na iets te veel pintjes heel erge honger hebt.’

Toch knaagt er iets, sinds ik die term ken. Want eigenlijk staat er dus in de spelregels van onze maatschappij: deze spelregels zijn deels onmogelijk uitvoerbaar, maar als de spelers maar zo lang mogelijk doen alsof ze wel mogelijk zijn, bijvoorbeeld door ze op te schrijven als een wet, is het spel redelijk speelbaar.

Juridische fictie. Eigenlijk hou ik van speldiscipline: iedereen kent de regels en vervolgens gaan we het spel zonder te treuzelen spelen. Dat zijn de goede spelletjes. Maar er huist ook een opportunist in mij, en die vindt juridsche fictie de uitvinding van de eeuw.

De discussies met het mannetje op mijn schouder worden hiermee eindeloos ingewikkeld.
‘Je zou altijd je afval scheiden’ zegt het mannetje dan.
‘Ja’, zeg ik, ‘maar dat was juridische fictie.’
‘Je bent toch een voorstander van speldiscipline’, zegt het mannetje.
‘Ja, maar juridische fictie is een regel. Het mag.’
‘Maar het is een slechte regel, toch?’ En dan kijkt het mannetje mij dwingend aan.

Ja, het is een slechte regel. En ik speel in principe geen spelletjes met slechte regels.
Zelfs niet als het het leven zelf betreft.

Citaat woensdag 20 februari

 

IMG_0402

De Standaard citeerde de laatste zin van het stukje van woensdag nogal prominent.

IMG_0401

Woensdag 20 februari

Een paar weken geleden mocht ik een week lang het Middagjournaal voor het Radio 1-programma Nieuwe Feiten maken. Onder het knopje waar mijn radiocolumn zou moeten staan, staat Dominee Gremdaat. Dat is grappig. En jammer. Misschien kan ik later nog een rechtstreeks linkje plaatsen.

Lieve Vlamingen.

Ik bedoelde het niet zo.

Maandag vertelde ik in het middagjournaal hoe kwetsbaar je je voelt als je ‘de ander’ bent. Als je door je afkomst meer dreiging ervaart dan je buren, zoals de Nederlandse vertaler die niet arm mag zijn, terwijl zijn Vlaamse buurman dat wel mag.

Ik probeerde uit te leggen dat dit soort nieuws verontrustend is als je je ooit veilig waande en ik zei dat ik dacht dat ik nooit gediscrimineerd zou worden, tot ik in Vlaanderen ging wonen.

Dat laatste had ik anders moeten formuleren. Blijkt. Want veel mensen dachten dat ik de Vlamingen voor racisten uitmaakte. Terwijl ik ook had kunnen zeggen dat ik dacht dat ik nooit gediscrimineerd zou worden tot ik de grens overstapte, welke grens dan ook, want je vindt dit fenomeen overal, niet alleen in Vlaanderen.

Luisteraars verweten me ‘zelfingenomen pseudo-paranoia’ en ‘zelfbeklag’, en ik moet toegeven, het is ook riskant om te zeggen dat je je ‘de ander’ voelt. Je plaatst jezelf namelijk nog eens extra buiten de groep, en als klap op de vuurpijl sluit de groep de linies als die groep bekritiseerd wordt.
Dat is logisch. Als iemand iets akeligs over DE Nederlanders zegt, voel ik ook de neiging om het voor ONS op te nemen.

Ik bekritiseer graag. Mensen, dingen, meningen. Dat zit in mijn aard en in de aard van mijn vak: journalistiek. Ik koester mijn kritisch vermogen, en ik accepteer dat een kritische houding niet altijd applaus oproept.

Maar het is moeilijk. Mijn kritiek is hoe dan ook altijd de kritiek van een buitenstaander. Dus zullen de linies zich sluiten. Als ik me dan in mijn commentaar ook nog eens presenteer als ‘de ander’, zoals ik maandag deed, dan is het einde zoek.

Acht jaar geleden kwam ik hier wonen. Sindsdien ben ik dankbaar dat ik dat mag. Maar sindsdien vraag ik me ook af af hoe ik nog echt kritisch kan zijn, zonder dat mijn gastheer het gevoel heeft dat ik over zijn tafel plas.

Dinsdag 18 februari

Een paar weken geleden mocht ik een week lang het Middagjournaal voor het Radio 1-programma Nieuwe Feiten maken. Onder het knopje waar mijn radiocolumn zou moeten staan, staat Dominee Gremdaat. Dat is grappig. En jammer. Misschien kan ik later nog een rechtstreeks linkje plaatsen.

Ik weet niet of u nog wel eens met jongeren onder de twintig e-mailt, maar ik wel en ik kan u vertellen: een postduif is sneller. Al weken wacht ik op smoezen, antwoorden en reacties van mintwintigjarigen.

Voor het jongerenpersbureau StampMedia en voor de Nederlandse Taalunie begeleid ik tientallen jonge reporters in Nederland, Vlaanderen en Suriname. Ik doe dat vanuit huis. Per e-mail.
Tenminste, dat dacht ik.
Want er komt dus niks meer.

Wacht.
Laat ik bij het begin beginnen.
Zestien jaar geleden begon ik met lesgeven aan de School voor Journalistiek in Utrecht. Ik was zelf al een fervent e-mailer, maar het was 1998, en het merendeel van de studenten had nog geen internet op kot, dus e-mailen was niet de meest efficiënte manier om contact te houden.

Mijn e-mailloze periode als docent duurde niet lang. Studenten ontdekten dat falen per e-mail veel gemakkelijker is dan in het echt. Dus stroomde mijn postvak begin jaren tweeduizend vol met digitale excuses voor labbekakkerigheid en niet gehaalde deadlines.

Hoewel mijn e-mailvreugde daardoor iets was getemperd, was een nieuwe manier van journalistieke producties begeleiden geboren. Ik kon op afstand helpen met bronnen raadplegen, vragen bedenken en artikelen schrijven. Wat een verandering!

Al een jaar of tien werkt dat prima. Zo prima dat het grootste deel van mijn werk inmiddels via e-mail verloopt. Maar het einde is in zicht. Ik wacht al weken op antwoord. De jongeren doen niet meer mee.

In de krant las ik dat jongeren massaal wegtrekken van netwerken waar hun ouders ook op zitten. En inderdaad: in de Facebookgroepen van de reporters met wie ik werk, kun je een kanon afschieten.

Maar dat ook e-mail zijn beste tijd heeft gehad, zag ik niet aankomen. Toch is het zo.
Dus, mocht u nog willen mailen met een mintwintigjarige: jammer, u bent helaas te laat.

‘Dat ze terugkeerd van waar ze gekomen is’ (sic!)

Een paar weken geleden mocht ik een week lang het Middagjournaal voor het Radio 1-programma Nieuwe Feiten maken. 

Het Middagjournaal van maandag 17 februari beroerde de gemoederen enigszins. De reacties waren uiteenlopend, soms gemeen, soms hartelijk. Hier een mini-bloemlezinkje.

Dit was de eerste, de Facebook-site van Radio 1:

Die was al vrij spoedig verdwenen. Navraag bij Radio 1 leerde: ‘rechtse, zure meningen mogen, schelden mag niet’. Dit beschouwde de moderator als gescheld.

Daarna kwam dit:

Zijn referentie aan de Caraïben komt waarschijnlijk door de foto van mij die Radio 1 bij het Middagjournaal plaatste. Met een beetje goede wil, kun je er een Caraïbische vrouw in zien. Ik voelde me drie eeuwen terug gekatapulteerd, toen plantagehouders mensen beoordeelden op hun werkvermogen.

Op de Radio 1-site was er een psycho-analyse van mij begonnen. Óf de mensen waren danig op hun pik getrapt, dat kan ook.

Gelukkig waren er ook mensen die het voor me opnamen:

Ook op mijn eigen Twitter, Facebook en mail kwamen talloze reacties binnen, al met al ben ik die dag nauwelijks aan werken toegekomen. Ik piekerde, omdat ik het te gemakkelijk vond om iedereen die zich tegen mij keerde bij voorbaat te diskwalificeren. Uiteindelijk kwam ik er in mijn radiocolumn van woensdag 19 februari op terug. Die zal ik hier morgen plaatsen.

Maandag 17 februari

Een paar weken geleden mocht ik een week lang het Middagjournaal voor het Radio 1-programma Nieuwe Feiten maken. Hier kun je het item terugluisteren.

Vorige week hoorde ik in dit programma dat een Nederlandse vertaler België wordt uitgezet, omdat hij te weinig zou verdienen. Dat bericht houdt me bezig.

Ik wás namelijk altijd degene die nooit gediscrimineerd zou worden.
Met al mijn statistische kenmerken speel ik op het veld van de meerderheid. Ik ben een blanke, heteroseksuele hoogopgeleide Amsterdamse, met alle ledematen op de juiste plek. De kans dat ik gediscrimineerd zou worden, was altijd bijzonder gering.

Tot ik in Vlaanderen ging wonen. Met die stap was ik ineens ‘de ander’. Jeweetwel, die ander bij wie men straffeloos de neus kan ophalen als het gaat om taal, spraak, eetgewoontes en tradities. Dat was even wennen.

In het begin suste ik mezelf nog: Sssst. Stil maar, Maartje. Jij bent slechts een Nederlander. Je hebt geen last van venijnige discriminatie, zoals je leeftijdgenoten met een hoofddoekje. Jij hebt slechts last van milde spot.

Maar die geruststelling werd in één keer van tafel geveegd toen iemand eens een discussie afsloot met: Ach, zeut! Ga toch terug naar uw eigen land!

Door deze klassieke zin hoorde ik ineens bij de mensen tegen wie ‘eigen volk eerst’ ooit bedoeld was. Plotseling was ik iemand die je kunt terugsturen naar haar eigen land.

Ik vroeg me af of ik inmiddels een high five kon geven aan iemand met een hoofddoekje en een stevig accent, die met geen mogelijkheid een huis, een job en wat wederzijds vertrouwen kan krijgen. Ik had het gevoel van niet. We werden dan wel allebei weggewenst, maar ik heb wel een huis, en een job. En ik ben ooit begonnen met het veilige gevoel nooit gediscrimineerd te zullen worden.

Tot ik dus vorige week hoorde van die Nederlander die België uitgezet zal worden. Toen wist ik: nu moet ik oppassen.
Het is bijna tijd voor die high five.

De Blije Bukster wordt vandaag 9 jaar

Acht jaar geleden plaatste ik dit verhaal voor het eerst. Sindsdien plaats ik elke 14 februari het verhaal van De Blije Bukster: een ode aan de dag dat ik mijn stoute schoenen aantrok, waarna ik mijn stoute veters en de perfecte man strikte. Wannes heette in 2005 op internet Yuri Maanzand

Vandaag een jaar geleden was ik in staat van ex (let op, dit is een herhaling, het is al negen jaar geleden). En als ik ergens geen zin in had, was het wel om in staat van ex zijn. Ik wilde wilde romances, hete hartstocht en bakken vol aandacht. Maar goed, als je nog niet zo lang in staat van ex bent, dien je wat geduld te hebben.

En daarvoor moet je dus niet bij mij zijn. Geduld. Ik weet niet eens hoe je het schrijft. Ik kan bijzonder slecht afwachten. Mijn handen zijn voor het heft gemáákt.
Dus terwijl ik in alle staten van ex was, brak er ineens een Valentijnsdag aan. Doorgaans vergeet ik Valentijnsdag keihard, maar nu was er werk aan de winkel. Ik heb geen Valentijnsdag nodig om verleidelijke briefjes te schrijven, ik kan immers erg slecht afwachten, zodoende neem ik regelmatig zelf het heft in handen. Maar een dag dat je zonder humbug al je poet kunt inzetten op wilde romances en bakken vol aandacht laat ik in staat van ex liever niet voorbij gaan.

Daar zat ik, 14 februari 2005, met werk aan de winkel. Het was al laat in de avond, de tijd drong. En aangezien ik nog nooit eerder een Valentijnsproject ten uitvoer had gebracht, begon ik ‘m toch wel te knijpen; ik had geen routine. Mijn eerste probleem was: wie o wie? Ik was in staat van ex en nog niet verliefd geworden, zelfs niet stiekem. Er was niemand die ik stilletjes minde en ik had along the way geen lekkere dingen gespot die ik op een Valentijnsgeheim wilde trakteren.

Alleen leuke mensen kwamen in aanmerking. Een beetje leuke mensen, half leuke mensen en misschien leuke mensen vielen af, ik moest immers nog geïnspireerd worden. Binnen twee uur een Valentijnstruc in elkaar draaien, kan alleen als leuk ook echt leuk is.

En toen belandde ik bij Yuri (klik). Ik ben een fervent aanhanger van het toeval, dus ik zal niet bij u aankomen met ‘voorbestemd’ en ‘hoger hand’, maar ik weet toeval wel op waarde te schatten. Bij dezen. Dit was mooi toeval.

Ik kwam niet vaak bij Yuri, eens in de paar weken, maar áls ik er kwam was ik altijd gecharmeerd. Door zijn twisted mind, door de lay-out van zijn website – met de toen nog handgeschreven linkjes – en door zijn waanzinnig romantische inborst.

Hij moest het zijn, besloot ik. Naarstig begon ik zijn laatste stukjes te lezen. Ik zocht een aanknopingspunt, een Valentijns-cue, iets waarop ik mijn kunstje kon baseren. Mijn ogen bleven hangen bij het zinnetje ‘Blij bukken maakt mensen blij. Mij in elk geval.’ (klik). En toen nam ik een merkwaardig besluit.

Ik besloot als Blije Bukster actie te ondernemen. Op zich nog niet zo raar, het is immers des Valentijns om je niet uit te geven voor wie je werkelijk bent. Maar ten eerste is zijn stukje een ode aan het driehoekje van een andere vrouw; het is maar wat je een Valentijns-cue noemt. En ten tweede: als u het stukje van Yuri heeft gelezen, zult u begrijpen dat er toch minimaal een decolleté aan te pas moet komen, alvorens er gesleed kan worden. En daarover kan ik in het geheel niet meepraten. Ik stond niet vooraan toen de driehoekjes werden uitgedeeld, zullen we maar zeggen.

Maar ik ben een lefgozer en dacht kennelijk niet aan de verwachtingen die ik bij mijn Valentijn zou kunnen wekken. Verwachtingen die ik geenszins zou kunnen inlossen – in mijn decolleté kun je hoogstens langlaufen. En en passant negeerde ik die vrouw over wie het stukje gà­ng ook nog even.

Kortom: in weerwil van alles zette ik mij aan het briefje van de Blije Bukster. Ik maakte een e-mailadres aan, deblijebuksteretdjziemeeldotkom, knipte mijn hoofd van een bukfoto en stuurde de onthoofde bukfoto naar meneer Maanzand. ‘Omdat blij bukken mensen blij maakt’, schreef ik eronder.

Het duurde een week en tientallen e-mails voor Yuri erachter kwam wie de Blije Bukster was (klik). Dat had niet zozeer met beroerd detectiveschap te maken, als wel met het feit dat hij het stiekem wel leuk vond om in het ongewisse te verkeren. Toen ik hem na een paar dagen op de man af vroeg of hij eigenlijk wel wilde weten met wie hij te maken had, erkende hij dat hij daar niet echt haast mee had.
Tsja, kijk, en dát was natuurlijk niet de bedoeling. Een beetje Valentijn hoort als een gek te gaan gissen, graven en vragen, want dan heb je pas eer van je werk. Deze Valentijn ging doodleuk op zijn lauweren zitten rusten, de buit was immers binnen.

En wat wás die buit binnen zeg. Het e-mailverkeer zinderde dat het een lieve lust was. Een dag of vijf na mijn ontmaskering schreef hij:
kom morgen
asjeblief
ik wacht je op
en we doen enkel fijne dingen

Ik kocht een retourtje Leuven en ik kwam (zie klik en klik).
En nu, een jaar later, weet ik niet hoe ik dit stukje moet eindigen.
Omdat het niet eindigt.
Omdat het gewoon
echt
niet
eindigt.

Kijk ook bij mijn favourite work of art: KLIK

Houston!

Hyperzelfbewustzijn is een bitch.

Ik heb het hier al vaker geschreven en ik zal het nog vaker schrijven, juist hier, omdat er weinig dingen meer bijdragen aan hyperzelfbewustzijn dan al dat geuitwissel in enen en nullen in het sijberse.

Neem nou die plogs. Ik vond het leuk om die van anderen te zien, maar ze zelf maken was een ander paar mouwen. Niet alleen vroeg ik me voortdurend af of ik niet eerst moest stofzuigen voor ik een foto nam, ook schaamde ik me kapot dat ik een week lang nauwelijks buitenkwam. Ik wilde bij elke plog heel hard roepen: maar van september tot december was mijn leven een gekkenhuis hoor! Ik was maandenlang steeds onderweg, met meer activiteiten buitenshuis dan me lief was, met een kersttournee om U tegen te zeggen en met een hoeveelheid andere mensen van heb ik jou daar. Echt! Maar ik zei het niet, want dat zou alleen maar de aandacht vestigen op mijn kluizenaarschap. Misschien kwam ik er nog mee weg, misschien hadden jullie het niet door.
Helaas. IJsbrandt twitterde dat ik misschien iets meer luchten op mijn foto’s moest zetten. Ik kon dat opvatten als: misschien moet je iets meer luchten op je foto’s zetten, maar ik vatte het op als: jezus, wat kom jij weinig buiten! En hij had gelijk. Godzijdank zou ik maar een weekje ploggen.

Ik vroeg Wannes onlangs: kun je een beroemde artiest bedenken die écht leuk is? Van wie je echt het gevoel hebt: dat is een man of vrouw naar mijn hart?
Telkens als hij met iemand op de proppen kwam, kon ik die diskwalificeren, want alle artiesten bleken hyperzelfbewust. Dat is uiteraard inherent aan het vak, maar niettemin vonden Wannes en ik dat allebei eigenlijk wel een minpuntje.

Hyperzelfbewustzijn baart poseurs. Ik wil geen poseur worden zijn. Ik ben wel hyperzelfbewust. Houston!