Smeerlapperij

In mei 1974 schreef mijn opa deze brief naar de Volkskrant. Hij was toen 63 jaar oud, ik drie maanden. Ik ben een gretige Delpher-delver, dus deze brief had ik al eens opgeduikeld, maar toen ik er onlangs weer op stuitte, was ik opnieuw onaangenaam verrast. Kennelijk was het me gelukt de brief weer te verdringen, terwijl ik niet verbaasd was de eerste keer ik dat ik de brief las.

Mijn opa werd gekneveld door een ernstige dwangneurose, een niet-aflatende godsvruchtigheid, een levenslang knellend conformisme en diep verankerde militaire discipline. Hij deed daar zichzelf en anderen de duvel mee aan, en soms maakte hij zich kennelijk zo kwaad dat hij vond dat het in de krant moest.

Behalve een boel aankondigingen dat hij een vulpotlood had gewonnen door de ‘puzzle’ in te vullen, en uiteraard de nodige familieberichten, vond ik in Delpher twee brieven met zijn grieven en twee nieuwsberichten over zijn taak als reserve-majoor in Indonesië (ook al zoiets). De andere brief zal ik hieronder plaatsen.

De Reve-brief raakt me. In de eerste plaats natuurlijk omdat het geen fijn idee is dat je opa er allerlei nare ideeën op na hield, ideeën waarvoor ik me plaatsvervangend schaam. Maar in de tweede plaats omdat je aan alles ziet dat hij er heel erg lang over heeft nagedacht. Er mocht nergens een misverstand over bestaan: niet over zijn vroomheid, niet over zijn patriottisme, niet over zijn keurig burgerschap, niet over zijn bekommernis om de jeugd.

Zo heeft hij willen uitsluiten dat er ook maar iemand kon denken dat hij vrijwillig naar De Grote Gerard Reve Show keek:

Ik denk dat hij niet naar de kerk wilde met de mogelijkheid dat de mensen dachten: o kijk, daar heb je die kerel die naar vunzige tv-programma’s kijkt. Hij achtte daarvoor het woordje noodgedwongen niet afdoende, hij vond dat de omstandigheden erbij moesten: hij was op bezoek bij iemand die ernaar keek. En omdat hij het voor mogelijk hield dat er op dat punt nog iemand twijfelde, vond hij dat men ook moest weten dat hij zelfs al heel uitdrukkelijk had besloten niét naar dat programma te kijken.

De tweede alinea lijkt minder eenduidig:

Hij schrijft dat hij de “literator” niet verwijt dat hij ‘homofiel’ is, maar heeft het in dat verband wel over ‘abnormale ideeën’ waarmee ‘kleine kinderen vergiftigd worden’. Dat klinkt als een tegenstelling, maar ik denk echt dat mijn opa enerzijds dacht: je mag mensen niet kwalijk nemen dat ze ‘ziek’ zijn – hij was zelf ook opgenomen geweest – maar anderzijds vond hij dat je zo’n ziekte met alle schroom die je in je had diende te verbergen. Dat had vermoedelijk alles te maken met zijn vroomheid en het heilige geloof in het huwelijk zoals God het bedoeld had. Zijn zinnen over de ezel en het weesgegroetje mogen dan terloops zijn, ze verklaren veel van wat hij beoogde met deze brief. Dat plaatsje in de hemel kwam na zo’n brief in de krant vermoedelijk toch weer iets dichterbij.

De laatste alinea laat al iets zien van de Telegraaf-lezer die mijn opa later werd:

De oranjegezindheid, het burgerlijk fatsoen, de hyperbolen van erg diep gezonken, het duidelijkste bewijs, alle perken te buiten. De aanhalingstekens om “heren”. Mijn opa was een bange, depressieve man die vrijwel alleen maar houvast vond in dingen die ik verafschuw. Een man die zijn macht ontleende aan zijn afkomst, zijn sekse, zijn voorbestemde plaats in de maatschappij. Een man die zag hoe zijn kinderen verloederden en hoe de wereld naar de gallemiezen ging.

Het is zielig en het is gevaarlijk. Dit is hoe mensen radicaliseren: een combinatie van angst en niet beter weten. Mijn opa was geen leuke opa, geen leuke vader, geen leuk mens, maar hij was daar niet uniek in. En hoewel hij in een tijd leefde waarin verstikkende zuilen en fluks vervlogen aanzien veel meer mensen tot zulke uitersten dreven, is het extremisme van alle tijden. Ook nu zijn er weer veel te veel mensen die van bangigheid niet meer weten wie ze de schuld zullen geven.

Mijn opa zet mij aan tot denken. Ik heb hem gekend, bijna twintig jaar lang. En hoewel we niks met elkaar hadden – want hij mag dan in de brief kleine kinderen aanhalen, het was er de man niet naar om zich met kleine kinderen bezig te houden – zag ik hem niet als een man met slechte ideeën. Ik zag een man die elke dag zijn boterham hetzelfde belegde, een man die in paniek raakte als hij de krant niet uitkreeg, een man die zelfs toen hij niet op meer op kon staan de hele dag wilde knielen, een altijd bange man.

Ik heb zijn angst geërfd en ik bezweer het door te beseffen dat er geen beginnen aan is. Dat angst van binnen zit, dat al mijn kennis verhult hoe diep de angst zit en dat het voornaamste wat ons te doen staat, is zorgen dat we geen nieuwe bange mensen maken. Want dat is verdomme de echte smeerlapperij.

Voor de liefhebbers: de tweede brief van mijn opa:

  • Een paskwil is ‘iets waarmee men iets belachelijk maakt’.

• Lilith gaat 40 dagen bloggen en for old times sake doe ik mee. Veertig stukjes in het wild. Dit is dag 11.

Aangeboden: zaalquizzers

Als ik een Nederlander zou moeten vertellen over de zaalquizcultuur in Vlaanderen is, dan zou ik niet weten waar ik zou moeten beginnen. Het is misschien vergelijkbaar met Koningsdag, de kenmerken zijn zó specifiek dat je bijna geen parallellen kunt trekken. Met koningsdag en het oranjegevoel deed ik ooit een poging, maar dat leverde direct een ellenlange tekst op.

Een zaalquiz in Vlaanderen is een militaire operatie waarbij discipline voorop staat: je laat je meevoeren in de drill van de avond of je bent reddeloos verloren. Je krijgt papieren, je moet goed luisteren, je mag niet te luid overleggen, je moet erop letten dat je netjes schrijft en je mag het belangrijkste niet vergeten: de juiste antwoorden geven. Als je iets wilt drinken moet je bonnetjes of muntjes halen, je moet een bestelformulier invullen, je moet een papier omhoog houden waarop bijvoorbeeld staat: DORST! En dan staat er in een mum van tijd een vrijwilliger aan je tafel die de versnaperingen regelt. De zalen zijn vol, het tempo is hoog en het fanatisme is bij elke tafel verschillend, maar in de goedgevulde zaal zitten áltijd geduchte tegenstanders.

Ik heb pas twee keer aan een officiële zaalquiz meegedaan, dus ik ben ongeveer de slechtste persoon om erover uit te weiden, maar ik kijk wel met grote ogen naar het fenomeen, dus dat maakt mij juist weer heel geschikt.
Dat ik pas twee keer meedeed, is eigenijk verbazend: ik ben in andere contexten doorgaans een fanatieke quizzer en de setting is er een waar ik van hou. Je bent met tientallen, soms honderden mensen bij elkaar, maar je hoeft geen kletspraatjes te voeren, aan het einde van de avond ben je niet overprikkeld, en ook met de mensen aan je tafel heb je vooral veel te doen. Druk druk druk.

Lijkt het op een pubquiz? Misschien, een beetje. Maar de schaal, de hoeveelheid quizzen, het feit dat de quiz vaak voor een goed doel georganiseerd wordt, de organisatiegraad (al die vrijwilligers!), de oubolligheid en de aanpak met die bestellingen en al dat papierwerk – een aanpak die overal hetzelfde lijkt – maken het toch een totaal ander fenomeen.
Gisteren belandde ik weer onverwacht aan een zaalquiztafel. De vorige keer eindigden we ergens in de toptien van – wat zal het geweest zijn – zo’n zestig tafels. Toen mochten we een goodiebag uitkiezen. Dit keer werden we zevende van 42 tafels, maar dat leverde niks op.

Het fijne van zo’n groot deelnemersveld is dat je het je totaal niet aantrekt als je niet bij de winnaars zit, want het is geen schande om niet slimmer te zijn dan 250 andere mensen. Maar als je hoog eindigt, geeft dat wel een boost, want verdorie, je bent zowaar slimmer dan die andere 250 mensen!

Om een lang verhaal kort te maken: mocht je in de buurt van Leuven ooit twee mensen nodig hebben, Wannes en ik schuiven graag aan.

Update:

• Lilith gaat 40 dagen bloggen en for old times sake doe ik mee. Veertig stukjes in het wild. Dit is dag 10.

Tussen hier en daar

Ik woon niet langer in het buitenland, ik ben waar ik ben. Voor anderen woon ik misschien nog over de grens, maar voor mezelf is de grens tussen hier en daar er vooral een tussen nu en vroeger. Hier en daar zijn omgedraaid, ik ging daar wonen en ik woon nu hier.

Na het oude normaal kwam het nieuwe normaal. Het is erbovenop komen liggen, als een Photoshop-laag waarvan je de doorzichtigheid aanpast: je ziet de andere lagen er nog doorheen. Elk jaar dat ik hier woon, zie ik minder van de oude lagen. De doorzichtigheid neemt af, in de diepte liggen de gewoontes van vroeger, mijn Hollandse wereldbeeld, de dingen die ik daar – toen het nog hier was – zo vanzelfsprekend vond. Op een dag zal ik de lagen van mijn oude normaal niet meer kunnen zien, ik zal alleen weten van het hier en nu. Wanneer anderen me vertellen hoe het was of wanneer ik mijn eigen stukjes lees, zal ik aan een karikatuur denken, zoals ik doe bij andere zaken die ik vergeten ben.

Neem het knikkeren. Ik weet nog hoe het voelde als ik ál mijn knikkers verloor en met een lege knikkerzak naar huis liep. Hoe ik rekende welke nieuwe knikkers ik moest aanschaffen om zo snel mogelijk weer boven Jan te zijn: met één zakje nieuwe yoghurtjes kon ik misschien mijn hoeveelheid verdubbelen, maar met een zak bonken – waar ik nog een paar weken voor moest sparen – zou ik mijn hoeveelheid misschien wel kunnen verviervoudigen.

Ik herinner me alleen nog dié momenten. De momenten van miserie en euforie. Alsof knikkeren niet vooral bestond uit met cheap-ass knikkertjes mijn vingervel schaven aan de tegels. Alsof ik niet voortdurend stond te wachten tot anderen hun conflicten hadden opgelost. Alsof het niet bovenal een kwestie was van zoeken naar een goede knikkerpot, omdat er een hond in de vorige had gescheten. En als we er eindelijk een hadden, dan moest iedereen naar huis om te eten.

Want zo gaat het bij de dingen die je vergeet. De contouren van wat was nemen niet alleen af, ze vervormen ook. Het leven zoals het was, is hertekend en heeft een grote neus, een driedubbele onderkin en een lange dunne nek gekregen.
Soms verkeer ik in een vacuüm tussen het oude en het nieuwe normaal. Dan kan ik het oude niet meer raken en het nieuwe niet bevatten. Dan zweef ik tussen hier en daar zonder te weten waar dat is.

Een van de momenten dat ik opgeslokt word in het grote nergens, is als ik het rolluik naar beneden doe wanneer het gordijn nog niet dicht is (zie foto). Dat beeld was nieuw in 2005, nu zie ik het vrijwel dagelijks. Maar het mag dan een alledaags uitzicht zijn, er is geen beeld waarbij ik me ‘on-thuiser’ voel dan bij de weerspiegeling van het licht tegen die horizontale witte latjes. Ik heb zelfs moeite om te beschrijven hoe het eruitziet en wat het doet, zozeer is het niet van mij.

Vroeger dacht ik dat de dingen duidelijk waren: als er geen knikkerpot was dan haalde je een mes uit de keukenla en dan sneed je een tegel uit de stoep. Met het opgroeien kwam het besef dat de dingen niet duidelijk waren. Nooit. Maar dat de dingen zó onduidelijk zouden worden, kon ik niet bevroeden.

Soms ben ik bang dat ik voor eeuwig opgesloten zal zitten tussen het oude en het nieuwe normaal. Dat ik gevangen blijf in de reflectie van de verschillende lagen, zoals er soms een mug opgesloten zit tussen het raam en het rolluik. En dat ik net als die mug niet weet of ik ooit zal snappen hoe het zit en of ik er nog uit zal komen. Zenuwachtig fladderend tot ik uitgeput raak.

• Lilith gaat 40 dagen bloggen en for old times sake doe ik mee. Veertig stukjes in het wild. Dit is dag 9.

Naar bed naar bed

Hij, zei Wannes over ‘het kleine ding’.
‘Hij?’ zei ik.
‘Ja, hij,’ zei hij.
Nou, en toen hadden we dus een kwestie waarvan we allebei geen idee hadden dat je er verschillend over kon denken. In zijn ogen zijn alle personages in het versje Naar bed naar bed mannelijk, behalve Ringeling. Bij mij zijn ze allemaal vrouwelijk, behalve Lange Jan. Dus het kleine ding is zeker geen ‘hij’, vind ik.

Ik besloot het socialemedia-orakel te raadplegen.

Er volgden een stuk of tachtig reacties, waarvan ik er 61 kon gebruiken om een lijstje te maken met 16 verschillende combinaties. Van de mensen die hun combinatie doorgaven waren er 33 vrouw en 28 man. De Nederlanders waren met ruim drie keer zo veel: 47 Nederlanders tegenover 14 Belgen.

De resultaten waren zo divers dat het me duizelt, maar één ding is zeker: Wannes en ik behoren beiden tot een minderheid. De grootste groep vindt namelijk dat Duimelot & Co allemaal mannelijk zijn, op de voet gevolgd door de mensen die geen sekse hebben toegekend aan de bende die grootmoeders kastje wil gaan plunderen. Vervolgens zit er een groot gat en dan volgen de mensen die de man-vrouw-verhouding zoals Wannes in hun hoofd hebben: allemaal jongens, behalve Ringeling. Maar er zijn evenveel mensen die het volkomen anders zien: alleen Lange Jan en Likkepot zijn jongens, Duimelot, Ringeling en het kleine ding zijn meisjes.

Vervolgens zijn er drie heel kleine clusters met 1. de variant waarin alleen Duimelot en het kleine ding vrouwelijk zijn, 2. de combinatie waarin Duimelot en Lange Jan man zijn, maar de rest vrouw is en 3. mijn groepje: die waarin alleen Lange Jan een man is. High five Neeltje!

Goed, tot zover de analyse van de ‘winnaars’. Dan de verliezers: Lange Jan is de enige waar niemand over twijfelt, in alle combinaties is de middelste letter een M (of een X, maar die laat ik even buiten beschouwing), dus de grote ‘verliezer’ is VVVVV.

Opmerkelijkheden

Maar liefst 9 mensen hebben in hun dooie uppie een eigen combinatie verzonnen, waarvan ik MMMMV het opmerkelijkste vind. Hoezo is het kleine ding – de klikspaan – ineens een meisje? Of neem degene die ze allemaal vrouwelijk vindt, maar Lange Jan én Ringeling niet! Dus Likkepot is wel een vrouw, maar Ringeling niet? Why?

Wat ik ook opmerkelijk vond: omdat er minder Belgen antwoordden weet ik niet veel van hun variaties, maar wat wel opvalt is dat als je de hoofdcategorieën weglaat (allemaal mannelijk of allemaal geslachtloos) de Belgen in de weinige variatie die zich nu toont Duimelot áltijd een vrouw vinden. Dus dat malle idee dat Duimelot een man zou kunnen zijn terwijl Likkepot een vrouw is, komt alleen in Nederland voor.

Ook is het denk ik geen toeval dat de vrouwen die antwoord gaven vaker vrouwelijke personages in hun rijtje hadden en meer variatie aan de dag legden dan de mannen. Als jullie zin hebben om jullie analyse erop los te laten: graag.

 

Verbazing en wrevel

De vraag riep wat verbazing op, gefronste wenkbrauwen, en ik proefde zo hier en daar wat wrevel. Het zijn toch vingers? Moeten die een geslacht dan? Waarom zou je daar een sekse op plakken? Maar dat hoeft uiteraard niet, ik heb de X-jes keurig genoteerd. Ik was me er gewoon niet van bewust dat er zoveel antwoorden mogelijk waren en evenmin dat er mensen zijn voor wie Lange Jan geen geslacht heeft. Ik denk dat sommigen dachten dat ik op mijn feministische paard zat en dat ze ervan langs zouden krijgen als ze zouden bekennen dat alle vijf de personages in hun hoofd mannelijk zijn, en misschien vonden anderen het daadwerkelijk een vervelende vraag: wat doet het ertoe? Waarom zouden we zo binair denken? Welnu, ik had het mooi gevonden als niemand binair dacht. Als ik en Wannes de enige bleken te zijn die niet in X-jes dachten, maar zo werkt het helaas niet. De rolverdeling zegt vermoedelijk meer over ons en de tijd waarin we leven dan we beseffen. En daarnaast had ik er veel lol aan om erachter te komen dat er in jullie hoofden allemaal volkomen anders samengestelde gezinnen wonen dan in het mijne. Dat is ook een soort diversiteit.

De X-jes

De X-mensen kenden dan wel geen geslacht toe aan hun vingergroepje, ze hadden vaak wel heel specifieke beelden bij de personages. De verschillende figuren hebben een persoonlijkheid, lijken op sprookjesfiguren, op hybriden, op kabouters, of ja, gewoon op vingers, maar dan wel met karakters en elk hun eigen onhebbelijkheden. Sommigen noemden het geslachtloos, anderen tweeslachtelijk, weer anderen wilden de magie van er niet over nadenken niet verbreken en noemden het gewoon niets. Bij de 100%-mannendenkers zaten trouwens ook veel kabouterprojecteerders en zelfs iemand die dacht in jarenvijftigjongetjes met nat gekamde haren.

VVMVV

De oorzaken van onze combinaties zullen van velerlei aard zijn. Ine liet weten dat het door een kinderboek met illustraties kwam dat de leden van De Bende Van Grootmoeders Kastje voor haar allemaal mannelijk waren, het zeer onbekende tweede couplet kan er ook aan hebben bijgedragen, sommigen vermoedden een mannelijke cultuur waarin ondeugendheid en dievenmoed niks voor meisjes is en weer anderen wisten niet waarom het is zoals het is. Voor mezelf geldt denk ik dat ik me met alle personages goed kon identificeren, dus werden het meisjes, maar door Lange Jans naam boetseerde ik hem tot jongetje: VVMVV.

De cijfers

Tot slot: de cijfers op een rijtje.

Update:

Een enthousiaste Twitteraar goot ook de man-vrouw-verhouding per vinger in een grafiekje, dank Pjanter.

• Lilith gaat 40 dagen bloggen en for old times sake doe ik mee. Veertig stukjes in het wild, dit is dag 7.

Sucker for serveersuggesties

Alle foto’s © Maartje Luif

Serveersuggestie is het woord dat fabrikanten op de verpakking van een product zetten om te voorkomen dat ze ervan worden beschuldigd misleidende informatie op het etiket te vermelden (in sommige landen is het verplicht). Dus als een soepfabrikant op een blik erwtensoep zónder worst een foto plaatst van een dampend bord soep mét worst, dan staat er serveersuggestie bij, zodat jij niet denkt dat je die stukjes worst in het blik kunt vinden.

Tot zover niks om vrolijk van te worden, zulke wetgeving is logisch en nodig. Maar het woord serveersuggestie herbergt een reeks beloften die het zelden inlost. Zo is serveren voor mij iets wat je doet als je gasten hebt, en alleen bij een gerecht dat mooi is en smakelijk oogt. Voor Wannes en mij schep ik meestal gewoon op. Bovendien is serveersuggestie een woord dat klinkt alsof iemand op je arm tikt en zegt: ‘Hee, mag ik een suggestie doen? Als je eens gasten hebt, kun het ook zo serveren!’ En omdat het woord serveersuggestie daar allemaal niks mee te maken heeft, maar slechts dient om de wetgeving voor te zijn, wordt het algauw een potsierlijke aangelegenheid. I’m a sucker for serveersuggesties.

Want ja, als je gasten hebt, zou je dit kunnen doen:

Maar je zou het ook kunnen laten.

En ik weet niet hoe het met jullie zit, maar ik heb doorgaans al te weinig speeksel voor één beschuit.

Een stapeltje beschuiten wegwerken lijkt me iets voor Koningsdag in het Vondelpark. Dat je een tientje kunt winnen als je het door kunt slikken.

Friet kun je ook heel leuk serveren:

Er zit iets bevredigends in de zorg die is besteed aan de schaduw van de klodder.
En waarom zit er op die andere friet trouwens geen mayonaise?

Dit is wel een mooie compositie:

Maar waar is de mayo?! Moet ik mayonaise serveren zonder mayonaise? Het moet gezegd: de presentatie is uit de kunst. De eerste die een garnaal aan zijn abs kan laten werken, krijgt van mij een pluim.

Er zijn best veel serveertips in de categorie ‘Leg er iets groens bij’.

Vervolgens hou ik me dan veel te lang bezig met de vraag of deze worstjes mikado-gewijs de natuurwetten tarten. Ik ben er nog niet uit.

In de categorie ‘Nee joh, maakt niet uit, als het maar groen is.’

Maar serieus: wat is dat?

 

Sommige serveertips zijn wat onstuimig:

Dat van die koffiebonen snap ik nog wel. Het golfslagbad wordt lastiger.

Ziet er wel spannender uit dan dit trouwens:

Een enorme kom kokosmelk (veel meer dan 250 ml, for sure) met drie stukjes kokos ernaast. Eet smakelijk!

Soms is er nog wat werk aan.

Probeer maar eens van de zalmsalade in dit bakje vier sappige zalmmoten te knutselen.

Ook deze tip vergt wat arbeidsuren:

Ik ben erg fan van het glaasje dat eruitziet alsof je het op kunt drinken, maar dat je waarschijnlijk op zijn kop kunt houden. Moet je wel even de besjes eraf halen.

En nog een laatste in de categorie ‘Leg er wat groen bij.’

Bon appétit!

• Lilith gaat 40 dagen bloggen en for old times sake doe ik mee. Veertig stukjes in het wild, dit is dag 6.

Het perfecte beroep

Het is deze maand zes jaar geleden dat ik begon als online schrijfcoach nadat ik in veertien jaar ‘gewoon’ lesgeven zoveel mensen had gezien dat ik niets liever wilde dan even helemaal geen mensen meer zien. Ik verzon een nieuw beroep, tuigde een website op en stortte me op schriftelijke schrijfcursussen voor eenzaten met schrijfambities.

Het was een beetje zoeken, mijn nieuwe beroep. Want hoe moest ik dat doen, per e-mail een schrijfcursus geven? Hoe kon ik zorgen dat het niet te arbeidsintensief werd, met al dat leeswerk? Hoe moest ik voorkomen dat mijn woorden op papier mensen kwetsten, zoals soms gebeurde? Hoe kon ik vermijden dat degene aan de andere kant van de e-mail me verkeerd begreep? Of dat de schrijver in kwestie iets anders zou verwachten dan ik kon bieden? Hoe kon ik genoeg verdienen zonder dat het voor de hulpvrager een te dure hobby zou worden? Hoe kon ik administratieve rompslomp voorkomen? En welke verzoeken zou ik wel of niet aannemen? Kon ik alles begeleiden?

Na verloop van tijd vielen de dingen op zijn plaats. Zo beloofde ik een tijd lang gratis diagnoses, waarmee mensen soms zo geholpen waren dat ik ze nooit meer terugzag. Inmiddels geef ik alleen uitgebreide diagnoses aan mensen van wie ik het sterke vermoeden heb dat ze zullen blijven hangen. En in het begin durfde ik geen romanmanuscripten te begeleiden, maar op een dag besefte ik dat steeds meer fictieschrijvers mij echt graag als coach wilden. Dus begon ik ook daarmee, waardoor ik inmiddels het grootste deel van mijn schrijfcoachtijd vul met die tak van sport. Vier romans kwamen af, waarvan er al drie de weg naar een uitgever vonden.

Sommige mensen hebben een hekel aan het woord coach, ik eigenlijk ook. En toch noem ik mezelf schrijfcoach, omdat dat is wat ik doe. Ik coach veel meer dan dat ik lesgeef. Ik ben een Montessori-kind, gemarineerd in een badje van ‘Leer mij het zelf te doen’. Ik leer mensen omgaan met zichzelf als gevaarlijkste antagonist. Ik help ze om tijd vrij te maken, ik help ze om zelfvertrouwen te krijgen of discipline op te brengen. Ik help ze om te bedenken wat ze willen schrijven en voor wie, en ik help ze om universele schrijfregels zodanig onder de knie te krijgen dat ze die vervolgens naar believen overboord kunnen gooien. Sommige mensen zijn al zes jaar bij me, sommigen komen steeds weer terug. Anderen help ik drie weken kort maar krachtig, om vervolgens nooit meer iets van ze te horen.

Een van de fijnste kanten aan het beroep is dat ik het maar deeltijds doe, de rest van de tijd gebruik ik om zelf te schrijven, wat voor mij minstens zo belangrijk is. En toch heb ik het gevoel dat ik al die romans van mijn ‘pupillen’, al die columns, al die verhalen voor kranten, tijdschriften, en al die blogs en kortverhalen zelf heb geschreven, terwijl ik niet uren en uren heb hoeven pielen om het goed te krijgen. Ik dacht intensief mee over producten voor allerlei grote media en voor evenzoveel kleine niches, ik peinsde over detectives, over romantische verhalen, handboeken, en nog veel meer genres die vaak geweldig zijn om in de steigers te zetten, maar die in mijn eigen schrijfcarrière vermoedelijk niet snel prioriteit zullen krijgen. Het gevoel een soort co-auteur te zijn hoort erbij als schrijfdocent, maar omdat de contacten als persoonlijke coach zoveel intiemer zijn dan wanneer je in groep lesgeeft, is mijn betrokkenheid de laatste jaren veel groter.

Ik plaats geen linkjes en ik noem geen namen, want ik mag dan wel soms een grote bijdrage hebben geleverd en ik ben ook plaatsvervangend trots, maar het voelt als het afpakken van de shine van anderen en ik kan me voorstellen dat sommige auteurs niet gezien willen worden als iemand die een schrijfcoach nodig heeft.

Ook vandaag staat er weer een schrijfcoachingdag op de planning. De vorige keer schreef ik aan de auteur: ‘Vergeet niet dat het moeilijk is om een al te laconieke hoofdpersoon stress te laten beleven’ en ‘ik kan me voorstellen dat je ertegen op zou zien om het nog eens op zoiets technisch als tijd of perspectief te herschrijven, maar ik kan me ook voorstellen dat je er meer lol in krijgt door zelf dichter op je verhaal te zitten.’ Vandaag ga ik kijken wat mijn woorden hebben gedaan, of wat ze hebben nagelaten. Ik ga hardop denken met de belofte dat het vrijwel altijd helpt, dat het al zes jaar lang ergens toe leidt en dat het iets is dat ik – zolang ik ogen en handen heb – kan blijven doen. En dat laatste vind ik zo geruststellend dat ik vaststel dat ik het perfecte beroep voor mezelf heb gecreëerd.

(NB Ik had al eens geen bruikbare ogen en geen bruikbare handen. Dus die geruststellendheid is betrekkelijk, maar een kniesoor die daarop let.)

• Lilith gaat 40 dagen bloggen en for old times sake doe ik mee. Veertig stukjes in het wild, dit is dag 5.