We zullen krampachtig doen

De foto hierboven is de laatste foto van onze vorige vakantie voor die onbestaande werd. Over niet al te lange tijd gaan we het weer proberen.

Vermoedelijk zal het zo gaan: we rijden weg, we raken in paniek, we dreunen op waar we allemaal geld hebben verstopt, wat we met onze papieren hebben gedaan en dat het allemaal heus wel in orde komt, vervolgens zullen we bij de eerste rotonde (1 km verderop) in huilen uitbarsten, waarna onze vakantie eindelijk kan beginnen.

Tot april duurde het, de mentale nasleep van de adrenalinebom na de beroving van een jaar geleden. Tot april wisten we ons vaak geen raad met onszelf, elf maanden lang sliepen we weinig, kort, rommelig, licht. We voelden, stress, leegte en volte, en nog steeds zijn er tekenen van overdreven alertheid, van irrationele angsten en van gedeelde vrees voor het alledaagse. Maar het woord ‘gedeeld’ maakt veel goed, we staan er redelijk hetzelfde in, we hebben grotendeels last van dezelfde symptomen en we zijn ook allebei bereid om te relativeren als onze gemoedstoestand dat toelaat.

We gaan drie weken op vakantie. Inbrekers hoeven zich geen illusies te maken want we hebben een poezenoppas. Wijzelf maken ons ook geen illusies: het zal de eerste dagen niet meevallen. We gaan wederom op de bonnefooi rondtrekken, omdat dat nu eenmaal is wat we het liefste doen. We gaan wederom naar Zuid-Frankrijk met uitwijkmogelijkheden naar de rest van Zuid-Europa, en we zullen wederom moeten tanken op tolwegen. De situatie zal talloze keren van dien aard zijn dat we ongewild zullen terugdenken aan het hallucinante einde van onze vakantie vorig jaar. En elke keer zullen we onze stofwisseling moeten sussen: sshhh, stil maar, er is niks aan de hand, laat de adrenalinepomp maar weer los.

We zullen krampachtig doen, nutteloos krampachtig, lachwekkend krampachtig, vermoeiend krampachtig. We zullen bij elke benzinepomp tot op de wc onze hand op onze spullen houden, ik zal het hengsel van mijn schoudertas twintig keer om mijn enkel wikkelen als ik op een terras zit, we zullen ons geld over zoveel plekken verdelen dat we nog jarenlang onverwacht briefjes van twintig tegenkomen, bovendien zullen we iedereen in eerste instantie wantrouwen, en in tweede instantie ook. Dat zal hels vermoeiend zijn, maar onvermijdelijk.

De krampachtigheid zal ook de andere kant op werken: we zullen geforceerd proberen het geen invloed op onze vakantie te laten hebben, we zullen regelmatig denken: hee, die jongen lijkt op onze dief Marek, we zullen bang zijn maar stoer doen, en we zullen voortdurend opluchting voelen: kijk, ook dit is weer niet rampzalig afgelopen! Steeds opnieuw zullen we zwijgen over wat we denken, want die kutlul mag verdorie niet opnieuw het enige onderwerp van gesprek zijn.

En het mag misschien niet zo klinken, maar we hebben er verschrikkelijk veel zin in.

Als ik minister Homans was

Soms stel ik me voor dat ik minister Homans ben. Dat ik in de frontlinie vecht voor een partij die de retorische pijngrens voortdurend tart, terwijl ik intussen minister van Gelijke Kansen moet zijn. En hoewel ik een lenig lijf heb, is de spagaat die ik moet aannemen wanneer ik me inbeeld dat ik minister Homans ben er een waarvan mijn spreekwoordelijke liezen scheuren.
Want hoe combineer je dat? Het boegbeeld zijn van de Partij van Angst en Beven en tegelijkertijd strijden voor gelijkheid? Wat doe je als je partij van je verwacht dat je meedraait in de cyclus van Moederdag- en kerststalhetzes, terwijl jij juist medeverantwoordelijk bent voor het wegnemen van vooroordelen en de gevolgen daarvan?

Als ik minister Homans was, zou ik er niet van slapen. De pijn in mijn liezen en de hypocrisie zouden me wakker houden, mijn hoofd zou tollen van de tegenstrijdigheden. Mijn partij koppelt migratie om de haverklap aan onwettelijkheid en een gebrek aan aanpassing, welwillendheid en respect, terwijl ik als opperbevelhebber van het antidiscriminatielegioen campagnes tegen vooroordelen lanceer. Wat zullen de mensen wel van me denken? Zouden ze me nog geloven? Zouden de gediscrimineerden zich nog serieus genomen voelen?

Al draaiend in bed zou ik mijn zelfrespect verliezen, want als minister van Gelijke Kansen zou ik me verdiepen in de literatuur over ongelijkheid, vooroordelen, beeldvorming, machtsverhoudingen en sociale uitsluiting. Zodoende zou ik weten dat negatieve stereotypering aan de basis ligt van veel vormen van ongelijkheid en ik zou het niet kunnen verkroppen dat juist mijn geestverwanten en ik die schadelijke beeldvorming nog eens aandikken.

Ik zou mijn partijgenoten midden in de nacht whatsappen: ‘Theo, ik heb er nog eens over nagedacht, je moet niet dag in dag uit twitteren over moslimterrorisme, veroordeelde illegalen en opgesloten migranten. Als staatssecretaris voor Asiel en Migratie ben je ook verantwoordelijk voor evenwichtige beeldvorming. Denk eraan!’ Met kleine oogjes van slaaptekort zou ik vervolgens een berichtje sturen naar de socialemediaredacteur van de partij: ‘Hela, de hele Facebookpagina van de N-VA vullen met berichten over terroristen, mensensmokkelaars, islamleraars zonder diploma en een bedreigde Moederdag is eenzijdig en onzinnig. We hebben een voorbeeldfunctie!’ Een diepe geeuw onderdrukkend, zou ik ten slotte op een post-it noteren: ‘Morgen: berichtje Zuhal en Bart.’

Na een kop warme melk zou ik opnieuw een slaappoging wagen, maar bij het in bed stappen zouden mijn liezen wederom protesteren tegen de spreidstand. Want ik zou me herinneren dat ik dinsdag de campagne ‘Zit u hier voor iets tussen?’ tegen vooroordelen lanceerde. Een campagne waarmee ik duidelijk wil maken dat wie weleens vooroordelen uit, moet beseffen dat het allemaal niet zo onschuldig is. Maar diezelfde dag bleef ik akelig stil toen de ondervoorzitter van Jong N-VA de wereld schokte met een seksistisch, xenofoob verkrachtingsplaatje (DS 16 mei). Terwijl dat een prima moment was om te laten zien hoe je dat doet, vooroordelen in eigen kring bespreekbaar maken. Ik zou me benard voelen, ik zou liggen woelen en in mijn hoofd zou het echoën: Liesbeth! Practice what you preach!

Ik zou in arren moede dan maar rechtop gaan zitten, en bij het schemerlicht van het lampje op mijn nachtkastje zou ik mijn bijdrage aan de negatieve beeldvorming glashelder voor me zien. Hoe ik de afgelopen jaren hamerde op het verfoeilijke pamperbeleid waarmee allochtonen in de zetel blijven zitten, hoe ik onderstreepte dat racisme aankaarten vaak vooral een excuus is van mensen die het eigen falen willen verdoezelen. Hoe ik volkomen voorbijging aan machtsverhoudingen door bij werkelijk elk interview iets te zeggen in de trant van ‘ja, maar omgekeerde discriminatie is ook heel erg’ of ‘ja, maar mensen zonder migratieachtergrond worden ook gediscrimineerd’.

Bij het ochtendgloren zou ik me hebben vastgedraaid in de enige vraag die me nog zou resten als ik minister Homans was: zouden ze het doorhebben? De vrijblijvendheid en dubbelhartigheid van wat ik doe? Na een slapeloze nacht zou ik beseffen dat ik misschien wel de slechtste pleitbezorger van de gelijkheidsstrijd was. En met lucifers tussen mijn oogleden zou ik aan mijn ontslagbrief beginnen. ‘Beste mensen, dit is niet te doen. Niemand gelooft me nog. Het is allemaal te gratuit. Ik stop ermee.’

Deze column verscheen vrijdag 19 mei 2017 in De Standaard.

Even geen superioriteitsgevoel

Eind april beginnen over de superioriteit van ‘onze’ cultuur: in Nederland zouden ze het niet durven. Niet omdat er in Nederland geen politici wonen die kampen met een misplaatst superioriteitsgevoel, integendeel, maar omdat het eind april al bijna begin mei is en meidagen in Nederland bestaan uit grote woorden. Opdat we niet vergeten. Iedereen is gelijk. Dit mag nooit meer gebeuren. Vrijheid geef je door. Op 4 mei worden de Nederlandse oorlogsslachtoffers herdacht die sinds de Tweede Wereldoorlog zijn gevallen en vandaag, op Bevrijdingsdag, vieren we dat de Duitse bezetter in 1945 capituleerde.

Dat klinkt als een evenement met veel geblaat en weinig wol, van kransen leggen en, hup, weer door, maar dat is niet het geval. Na de polonaise op Koningsdag schminkt iedereen zich af, de oranje pruiken gaan de kast in en de onbevangen hysterie maakt plaats voor ruim een week contempleren over oorlog, vrijheid en de consequenties van die twee. De media staan dagenlang bol van de interviews, reportages en achtergronden over de Tweede Wereldoorlog, de Holocaust en de dunne grens tussen goed en kwaad. En dan niet op de National Geographic-manier – ‘Hebben we nog een filmpje van een bommenwerper?’ – maar diepgaander, met gesprekken over gewetenskwesties en dubbelhartigheid. Kinderen luisteren in de klas naar ver­halen over leeftijdsgenoten die moesten vluchten voor honger of geweld. Kranten­abonnees lezen over moedige verzetsdaden en het drieste verraad van boeren, burgers en buitenlui. Overal in het land zijn lezingen over de gevolgen van oorlog en genocide voor families, dorpen en gemeenschappen. De bezoekers van de talloze Bevrijdingsfestivals worden tussen de nummers door bijgepraat over vrijheid, samen delen, keuzes maken, nadenken en verdraagzaam zijn.

Sinds ik in België woon, mis ik die twee dagen van stilstaan en beseffen. Niet als privé-aangelegenheid, want ik ben tobberig aangelegd, aan stilstaan en beseffen geen gebrek, maar wel als collectief moment waarop er zonder meer aandacht is voor wat vrijheid inhoudt. Want er wordt niet alleen gefocust op de Holocaust, in de aanloop naar Bevrijdingsdag gaat de boodschap ook over de implicaties van vrijheid: dat vrijheid alleen bestaat bij de gratie van gelijkheid, dat discriminatie logischerwijs een bedreiging is van die vrijheid, en dat de cultuur van bepaalde bevolkingsgroepen als inferieur bestempelen een heil­loze weg is wanneer je die vrijheid voor toekomstige generaties wilt behouden.

Ik maak me geen illusies. Ik realiseer me terdege dat niet iedereen in Nederland even vatbaar is voor die dagenlange viering van humanistische waarden, dat steeds minder mensen weten wat er precies herdacht en gevierd wordt, en dat op sommige scholen het gesprek over de Holocaust elk jaar moeizamer verloopt. De laatste jaren zijn er ook steeds meer discussies over het in- dan wel uitsluiten van bepaalde groepen bij de herdenking.
Toch gun ik elk land een officiële feestdag in combinatie met een jaarlijkse ­mediahype, die het zoeklicht zet op de uitwassen van nationalisme, op het belang van tolerantie en op de gewetensvragen die horen bij onderdrukking.

Je op een amorfe christelijke feestdag volvreten in familieverband kan heel bevrijdend zijn, maar het is pas echt feestelijk om elk jaar te zien dat zelfs de minst maatschappelijk bewuste vrienden zich ineens wel inleven in oorlogsslachtoffers en dat grote groepen flierefluiters vol overgave documentaires kijken over de breekbaarheid van de vrije wereld.

Want zelfs als de mensenrechten­verering hypocriet is, omdat een deel van de bevolking stemt op partijen die er hun voeten aan vegen, omdat bepaalde groepen in de samenleving zich meer en meer verschansen achter hun middelvinger, en omdat de segregatie allang een feit is, dan nog is die dagenlange anti-uitsluitingscorridor in april en mei een ware verademing. Dat het gekrakeel daarna met volle kracht terugkeert, is teleurstellend, maar je weet dat je één keer per jaar meer dan een week op adem kunt komen om je te laven aan het feit dat zoveel mensen wél bereid zijn om periodiek stil te staan bij de gevolgen van misplaatste superioriteitsgevoelens. Tien dagen waarin geen levende ziel het in zijn hoofd haalt om, zich op de borst roffelend, een andere groep inferieur te verklaren ten behoeve van electoraal gewin. Wie wil dat nu niet?

Maartje Luif is journalist en schrijver. Haar column verschijnt tweewekelijks op vrijdag.
Deze column verscheen op 5 mei 2017 in De Standaard.

Het taboe op donker haar

Stelt u zich voor: een lichamelijk ongemak dat uren van je tijd kost, dat honderden euro’s per jaar in rook doet opgaan, dat met enige regelmaat pijn, jeuk, bloed of uitslag veroorzaakt en dat je soms aan huis gekluisterd houdt. Ocharme, denkt u: het dutske heeft een ernstige ziekte.

Maar neen, het is het verhaal van de meeste vrouwen met donker haar en een hoog aantal haarzakjes per vierkante centimeter, het is het verhaal van de vrouw die ophield met scheren en daarmee de krant haalde (Blogster scheert zich al een jaar niet meer, DS online 16 april) en het is mijn verhaal. Wat begon met een kleuter die door de klas riep dat ik een baardaap was, is bijna veertig jaar later uitgedraaid op een situatie waarin ik me koortsachtig afvraag wat ik mezelf aandoe.

Ik weet wel wat ik mezelf aandoe als ik géén inspanning lever. Dan roepen de mensen jongensnamen naar me. Ze staren, fronsen, walgen en ze stoten elkaar aan. ‘Haha, heb je die gezien!’ ‘Papa, waarom heeft die mevrouw een snor?’ Als ik in de zomer even naar de winkel wil, moet ik óf mijn zomerjurk verruilen voor een broek óf eerst mijn benen scheren, tenzij ik zin heb in commentaar van vreemden.

Als ik elke dag van het jaar een cultureel aanvaardbaar lichaam zou willen hebben, dan zou dat rond de 150 uur arbeid en 500 euro per jaar kosten, en ik zou alle zeilen bij moeten zetten om mijn gevoelige huid onbeschadigd mee te laten lopen in een strikt ontharingsregime. Dat kan ik niet opbrengen, dus volg ik een zwalkstrategie. Mijn armen en wenkbrauwen laat ik naturel, mijn schaamstreek wordt gedirigeerd door transpiratie, menstruatie en relatie, en mijn oksels en benen doe ik seizoensgebonden, want bij drie keer in de week scheren is dat zo’n 75 vierkante meter per jaar en ik heb wel wat beters te doen. Mijn bovenlip en kin ten slotte houd ik bij wanneer ik te veel stoppels voel en dat is elke drie dagen.

Dit klinkt allemaal heel bedachtzaam, alsof ik zelf kies wanneer ik wel en niet onthaar, maar in werkelijkheid is het de autonomie van de ­pleaser; het is systeembevestiging in optima forma. Ik ben zo’n vrouw die lang heeft gezegd: ik vind een kaal been zélf gewoon mooier! Maar is dat wel waar? Als ik mijn been naast dat van mijn man zet, dan hebben we ongeveer evenveel haar. Toch vind ik dat hij een prima been heeft, terwijl mijn been mijn goedkeuring pas kan wegdragen na een fikse scheerbeurt. Heeft dat nog iets met mooi te maken? Of is het de schaamte die volgt uit wat me is aangeleerd mooi te vinden?

‘Ik vind een monobrauw onverzorgd’, schreef een andere vrouw laatst naar me. Ze had me nog nooit gezien, dus ze wist vermoedelijk niet dat ik een stuk of zes haartjes boven aan mijn neusbrug heb die mijn twee wenkbrauwen met elkaar verbinden. Toch betrok ik het op mezelf: ben ik door die paar haartjes inderdaad onverzorgd? ‘Onverzorgd’ heeft naar mijn mening met vies en verwaarloosd te maken, niet met smaak of mooi. Is het been van mijn man vies en verwaarloosd? Nee. Waarom het mijne dan wel?

Ik ben enorm teleurgesteld in mezelf dat ik de ultieme consequentie van deze column niet zal trekken. Dat ik een lafaard ben die de aangeleerde schaamte als obstakel accepteert. Als ik straks nog even naar het zwembad wil, zal ik me afvragen: wil ik eerst een uur douchen en scheren, voor ik ga zwemmen? Vaak is het antwoord nee en dan ga ik dus maar niet. Als het antwoord ja is, dan zal ik me onderwerpen aan het regime en gewapend met messen mijn arbeidsuren draaien.

Het moge duidelijk zijn: met mij gaan de donkerharige vrouwen de oorlog niet winnen. Maar misschien wel met u, want u zou kunnen besluiten een einde te maken aan body­shaming in het algemeen en het pesten van vrouwen met lichaamsbeharing in het bijzonder. Als u ophoudt met commentaar te leveren op harig vrouwenvel, dan durf ik misschien voor ik doodga nog eens spontaan naar het zwembad of naar de winkel. Ik kan me er niks bij voorstellen, maar ik gok dat zoiets heel aangenaam is.

Deze column verscheen op vrijdag 21 april 2017 in De Standaard.

Ik wilde u vragen om geld te storten op 12-12

Ik wilde u vragen om geld te storten op 12-12, een samenwerkingsverband van hulporganisaties die in Afrika noodhulp leveren aan de miljoenen mensen die daar omkomen van de honger.

Maar toen dacht ik: hoe doe je zoiets? Want je hebt de mensen die toch al geld geven, die hoef je niet te overtuigen. Die kun je hooguit helpen herinneren: hallo! Wakker worden! Het gaat mis! Maar die anderen, die mensen die nog niet van zins zijn te geven, hoe bereik je die? Want ze hebben een veelheid aan redenen en ze hebben niet altijd ongelijk.

Hoe overtuig je bijvoorbeeld de mensen die zeggen dat het de politiek is, die iets moet doen? Of zij die niet geloven in ontwikkelingssamenwerking?
Wat moet je met het argument van strijkstokken, waar geld aan blijft hangen? En dat je uiteindelijk niemand nog kunt vertrouwen?
Waar te beginnen met de mensen die menen dat we eerst iets aan het klimaat moeten doen? En zij die zeggen moedeloos te zijn?
En wat met de mensen die wijzen op Mosul en Lesbos.
Die niet meer weten wié ze moeten helpen.
En die vinden dat we boter op ons hoofd hebben, met onze luxe levens en onze eerstewereldproblemen.
Ze zijn bang dat noodhulp een doekje voor het bloeden is en ze vrezen dat het de aandacht afleidt van waar het echt over gaat.
Zoals het klimaat.
Conflicten.
Geopolitieke verhoudingen.
De neoliberale wereldorde.
Globalisering.

Ik snap die mensen en hun argumenten, en toch wilde ik u vragen om geld te storten. Want, ja, natuurlijk is noodhulp een doekje voor het bloeden. En, ja, er zijn strijkstokken waar geld aan blijft plakken. En nee, de oorzaak van het probleem wordt niet opgelost door hongerlijders 500 calorieën per dag toe te dienen. Maar in de tijd dat wij nadenken over hoe we de problemen dan wél oplossen, kan noodhulp een grote groep mensen op de been houden.

Natuurlijk moeten we hand in eigen boezem steken en beseffen dat voor vrijwel alle comfort waarin we ons wentelen elders op de wereld iemand de prijs betaalt, maar dat wij de luxe hebben om eindeloos na te denken over de oplossing voor dit probleem, ontslaat ons niet van de plicht om in de tussentijd levens te redden.

Daarom wilde ik u vragen iets te storten op 12-12. Want u kunt wel blijven mitsen en maren, maar dat maakt u niet minder verantwoordelijk voor alles wat u niét doet.
Dus, doe het maar wél.

http://www.1212.be/

Deze column las ik op dinsdag 28 maart 2017 voor als Middagjournaal in het radioprogramma Nieuwe Feiten op Radio 1.

De ingesleten patronen van Maartje, tante Dien en Autohandel Rudy

Er kwam zojuist een sms binnen van een vreemd nummer. ‘Met Autohandel Rudy’ stond er. ‘Wij aankoop van auto’s vier-maal-viers en camionetten’. Ik las het bericht niet uit, maar ging terug naar het begin. ‘Mét Autohandel Rudy’. In een sms. Ik moest glimlachen, maar voelde me ook wat ongemakkelijk.

Want die ‘Met Autohandel Rudy’ vertegenwoordigt alles waar ik ook moeite mee heb bij moderne communicatie. Als ik iemand bel en diegene neemt op met ‘Hee Maartje!’ dan zeg ik uit pure onhandigheid nog eens ‘Met Maartje’. Terwijl dat helemaal niet hoeft, de meeste mensen weten immers tegenwoordig dat ík het ben die belt.

Waarmee elk gesprek begint met een moment dat ik het liefste nog even opnieuw zou doen. Waarschijnlijk kun je het beste zeggen: ‘Hallo.’ Of: ‘Hoi Wim’ – mits die persoon Wim heet natuurlijk. Maar op de een of andere manier liggen die openingszinnen mij niet zo goed.

Het zal wel iets te maken hebben met de patronen die je als kind aangeleerd krijgt. Bij mij was dat: als de telefoon gaat neem je op, dan zeg je je naam, en dan wacht je tot die ander zijn naam zegt. Vervolgens groet je de beller.

Daarom vind ik met mijn ouders bellen zo heerlijk overzichtelijk. Zij hebben geen mobiele telefoon, geen nummerverklikker en alleen zo’n mechanisch antwoordapparaat dat als je direct terugbelt aan het terugspoelen is, waardoor je een bezettoon krijgt. Als zij opnemen, kan ik gewoon mijn standaardriedel afsteken en dan begint een gesprek precies goed.

Toen ik begin jaren tachtig voor het eerst aanbelde bij een gebouw met een intercom begon het gedonder.
‘Hallo?’ zei de blikkerige stem in de muur.
‘Hallo, met Maartje’, zei ik. Waarna ik dacht: mag ik het nog even opnieuw doen?
Want die ‘met’ is raar. Je mag dan zelfs via een intercom verbonden zijn mét iemand, je staat toch vooral voor de deur. Iets als ‘Tataaa! Hier is Maartje!’ zou gepaster zijn. Na die eerste keer ‘met Maartje’ door de intercom volgden nog vele keren ‘met Maartje’ en ik kan je niet beloven dat ik het beter zou doen als je mij nu voor een flatgebouw zou zetten.

Want standaardzinnen zijn hardnekkig. Ooit had ik een overbuurvrouw, ze heette tante Dien. Tante Dien had al veertig jaar een buurtwinkeltje en zodoende had ze een repertoire standaardzinnen van heb ik jou daar. Maar tante Dien had haar standaardzinnen zo diep laten inslijten in het ritme van haar handelingen, dat de momenten waarop de zinnen eruit kwamen niet meer gelijk liepen met de momenten waarop de zinnen gepast waren. Tante Dien mompelde op willekeurige ogenblikken: dank u wel! Mag het iets meer zijn? Met mij is het ook goed. Wat mag het wezen? Kan ik u helpen? Gaat het zo mee? En als je bij Dien vertrok was de verwarring compleet. Dan nam ze afscheid met: anders nog iets? Ja, is goed!

Als ik naar mijn palmares kijk, is de kans groot dat ik eindig zoals Tante Dien, en zoals Autohandel Rudy. Bij elk nieuw communicatiemiddel zal ik harder door de mand vallen en op een dag zal ik een hologram de hand schudden en zeggen: ‘Met Maartje.’

Deze column las ik op donderdag 30 maart 2017 voor als Middagjournaal in het radioprogramma Nieuwe Feiten op Radio 1.

De symfonie van brom, ruis, piep en tsjilp

We hebben een brom in huis. Al maanden. Wanneer de brom is begonnen weet ik niet en waar de brom vandaan komt ook niet, maar de brom is tegenwoordig bijna altijd hoorbaar. Er zit een cadans in de brom: een ratel en een schraap wisselen elkaar rustig af. Op het ritme van de brom beweeg ik door mijn dagen. Ratel-ratel-schraap-schraap.

Voordat de brom er was, was er al een ruis. Die ruis is periodiek. Soms is de ruis er wel, soms ook niet. De ruis blaast een hogere toon dan de brom. Samen vormen ze de basis van een symfonie. ’s Nachts is de ruis meestal stil, terwijl de brom dan gestaag verder bromt.

Er is ook nog een piep, maar die piept alleen als er auto’s vanaf de rechterkant voorbij komen, dus de piep is te overzien.

In mijn hoofd gebeurt al erg veel, daar heb ik geen gehoordecor bij nodig. Integendeel. Het liefste zou ik een auditieve clean-desk-policy doorvoeren, waarop het nulpunt ‘stil’ is. Echt stil. Volkomen stil. Maar ik herinner me ondanks dertien verhuizingen geen enkele thuisbasis waar stil ook echt stil was.

Toen ik net op mezelf woonde had ik geruime tijd een tsjilp. De tsjilp was er niet altijd, maar wel elke dag even. Na weken speuren naar een kwijnend vogeltje tussen de spouwmuren, en twijfelen of het getsjilp niet tussen mijn oren zat, bleek het de thermoskan die dagelijks sputterend stoom afblies.

Iets later woonde ik in een appartement dat op een dag werd ingenomen door een heel hoge piep, zo’n geluid waarvan je je afvraagt of het er wel is, maar dat er echt altijd blijkt te zijn. Maandenlang belde ik aan bij buren in de hoop een front te vormen tegen de piep, ik vroeg mijn bezoek of het de piep ook hoorde en ik probeerde werk en studie gedaan te krijgen ondanks die snerpende toon die dag en nacht door merg en been trok.

Omdat slechts een enkeling de piep ook hoorde, duurde de strijd lang en was de zoektocht eenzaam. Ik controleerde koelkasten en afzuiginstallaties in de omliggende appartementen, ik struinde door de buurt in de hoop door de bakstenen heen een auditief spoor te vinden, en ’s avonds in bed lag ik te twijfelen aan mijn brein. Want wát als de piep in mij zat?

Na elf maanden zoeken bleek de piep te komen van een vergeten pomp onder de betonnen vloer van de garage op het gelijkvloers. Met een drilboor werd de piep blootgelegd en hij werd stopgezet. Maar hoewel de rust weldadig was, hield ik nog maanden last van een fantoompiep.

En nu is er dus de symfonie van brom en ruis, met een subtiele piep als er verkeer van rechts komt. Ik heb nog steeds een diep verlangen om hamer en aambeeld af te stoffen in de hoop dat er een weldadige stilte neerdaalt over mijn leven, maar ik weet dat de kans gering is dat dat gebeurt.

Beter is het om mijn stukjes te schrijven in het ritme van de brom. Dus mocht u in mijn teksten de cadans van ratel-ratel-schraap-schraap herkennen: dat kan kloppen, ik heb me overgegeven. Die auditieve clean-desk-policy is een illusie. Er zal altijd wat rommel op de stilte liggen.

Deze column las ik op woensdag 29 maart 2017 voor als Middagjournaal in het radioprogramma Nieuwe Feiten op Radio 1.