Smaakgroef

smaakgroef_1996

Pas toen ik klaar was met knutselen realiseerde ik me dat mijn site er nu eigenlijk net zo uitziet als omstreeks 2005. Het deed me denken aan een conclusie die ik onlangs trok over mensen en mode. De meeste mensen blijven op een bepaald moment in hun leven in een modegroef hangen. Zo denk ik dat mijn beste vriend Dwarzand ergens in 1988 in het spiegelpaleis van zijn eigen smaak is terechtgekomen: de kleren die hij nu draagt lijken verdacht veel op de kleren die hij toen droeg. Mijn vader, een trage, is ook ergens begin jaren tachtig in zijn modegroef gevallen, en ikzelf ben rond 1996 kleren gaan kopen die zich in weinig onderscheiden van wat ik nu aantrek. Ik denk dat Wannes nog maar een jaar of negen geleden op zijn smaak-kopstation terechtkwam, net iets later dan mijn weblog.

Hoe dan ook: de site is een beetje vernieuwd. Ik heb de schrijfcoach aan maartjeluif.com toegevoegd, omdat het twee gescheiden werelden waren: ik als schrijver en ik als schrijfcoach. Dat leek me ineens heel onlogisch.

Mochten jullie foutjes tegenkomen, please, trek me even aan mijn mouw in de reacties. En voor het overige: in welk jaar viel u in uw modesmaakgroef? En welke gevolgen heeft dat voor hoe u zich nu kleedt?

Groentjes

natuur_zaterdag_10_september

Er belde een jongen aan. Hij was van Natuurpunt en ze deden een onderzoek naar de eikelmuis die hier in de buurt was gesignaleerd. Of ik misschien onlangs een eikelmuis had gezien. Hij hield een a4’tje voor me met een foto van het beest. Het was een grote muis met een dikke staart. Een mooie muis. Een muis die ik graag had gezien. Er zitten muizen in onze tuin, maar die laten zich niet bestuderen. Nou, zei ik, ik zag wel een grote muis laatst, die ging hop, hop, hop door het hoge gras. Ik realiseerde me dat het wat sullig klonk, maar de jongen sloeg aan. Hoe zag hij eruit?
Ja, uh, dat weet ik niet hoor, zei ik, Hij ging gewoon van poing poing poing door het gras. Maar hij was groot en had wel een flinke staart. Ik was me ervan bewust dat dit een kinderachtige poging was mijn verhaal relevant te maken en schaamde me, maar de jongen pakte een pen. Van poing poing poing en een dikke staart waren kennelijk genoeg om mij serieus te nemen. Hoe laat zag u de muis? Was het in de voormiddag? De namiddag? ’s Avonds? Was de muis alleen? Weet u echt niet meer hoe groot de muis was? Welke kleur had de muis? Ik moest hem teleurstellen. Het gras was hoog en ik herinnerde me alleen dat ik had geroepen: kijk, een muis! Dat is wat ik doe, zo ga ik om met dieren. Ik signaleer ze, laat wat geluk in me opborrelen en ga dan verder met waar ik mee bezig was. De jongen stopte zijn pen weer weg en knikte vriendelijk: onze onderzoeker komt misschien later nog bij u langs, als hij nog vragen voor u heeft. Maar de deurbel bleef stil, de onderzoeker had geen vragen meer.

Er belde een man aan van de gemeente. U had een nestkastje besteld? Ik moest even nadenken. Had ik een nestkastje besteld? Ja, ik geloof het wel. Ik had iets gezien van gratis nestkastjes voor gierzwaluwen en aangezien ik geen gelegenheid onbenut zal laten dieren aan mijn omgeving toe te voegen waar ik niet voor hoef te zorgen, had ik mijn adres ingevuld en het formulier verzonden. Ziet u wel eens gierzwaluwen hier? vroeg de man. Uh, nou, nee, vooral boerenzwaluwen, zei ik. Heeft u al ooit een gierzwaluw gezien hier? Ik tuurde naar de hemel voor mijn geestesoog. Nee, zei ik, ik geloof het niet, alleen die grote. De gemeentewerker stak een verhaal af over de gierzwaluw, bebouwing, dakgoten en richeltjes, en dat ze hier in de buurt inderdaad zelden werden gesignaleerd omdat het zo landelijk was, en dat het dan misschien niet zo zinnig was om hier een nestkastje op te hangen. Nee, zei ik, dat is inderdaad niet zo nuttig. Maar als ik er ooit een zag, mocht ik contact opnemen. Toen ik de deur dichtdeed had ik het gevoel dat hij dat laatste had gezegd om de pijn voor mij te verzachten, maar ik schaamde me alleen maar meer, want we wisten allebei dat ik hier nooit een gierzwaluw zou zien.

We zaten op het bankje in de tuin en tuurden in de schemering naar de kleur die uit de bomen verdween. Waarom zien we nooit egeltjes? vroeg ik. We zien hier alles, en er schijnen talloze verdwaalde, dorstige egels in Vlaanderen rond te banjeren, maar wij zien nooit een egel. Misschien is het gaas van het hek te nauw. Laten we aan de onderkant een gat maken, dan kunnen ze erdoor. Oké, zei Wannes. En we tuurden verder. Een half uurtje later, ik moest even iemand bellen, sjorde Wannes aan mijn arm. Je moet ophangen, zei hij. Gauw. Nu. Ik ga ophangen, doei, zei ik tegen degene die ik aan de telefoon had, en ik ging op een drafje achter Wannes aan, door het natte gras. Hij scheen met de zaklamp en ja hoor, er zat een egel. Een grote egel, een mooie egel. Zijn ene poot stak achter hem uit. Kijk, zijn poot, zei Wannes. Het zag er zielig uit, dat pootje. Zou hij gewond zijn? vroeg ik. Geen idee, zei Wannes. We keken een tijdje en overlegden: wat moet je doen met zo’n egel? Laten we googelen, zei ik. We gingen weer naar binnen, googelden, lazen iets over gewonde egels naar de dierenopvang brengen en over te weinig drinkplaatsen. Snel vulden we een schoteltje water en stiefelden terug door het natte gras. De egel was weg. We beschenen het hele grasveld, maar nergens was een egel. Hij was niet gewond, zei ik, hij stond gewoon een perfecte freeze. Ja, zei Wannes. Teleurgesteld gingen we naar binnen.

Leren stoppen

Schermafbeelding 2016-09-05 om 08.47.21

Doorgaan zou gemakkelijker geweest zijn. Zoals ik bij Lost deed. Er klopte al seizoenen niks meer van – the hatch, de ijsbeer, de Dharma Initiative, alles was zijn logische einde al lang voorbijgegleden – maar ik keek door tot en met seizoen 6. Dat was niet alleen omdat ik te lui was om de knoop door te hakken, het was ook omdat ik het niet voor mogelijk hield dat de makers hun product zo zouden verkwanselen. Ik kende de deceptie toen alleen nog maar van 24, maar ik had dat altijd verklaard door die 24 afleveringen per seizoen. Dat waren er gewoon te veel. Lost werd mijn tweede deceptie.

In de jaren die volgden, bewaakte ik mijn tijd. Voelde ik de deceptie komen, dan kwam de stop-optie in beeld. Nu wil het noodlot dat ik getrouwd ben met een omnivoor met een grenzeloze liefde voor film en beeldverhalen in álle vormen, ook de slechte. Stoppen is derhalve niet alleen grenzen stellen aan de absorptie van flauwekul door mijn brein, maar het is ook een streep door gedeeld tijdverdrijf. Wannes had nog best verder gewild toen het zuidelijke accent van Sookie voor mij niet langer opwoog tegen de esoterische onzin die we op ons bordje kregen in True Blood, hij kon nog meer superpowers verdragen toen ik besloot dat mijn suspension of disbelief op sterven na dood was en ik het volgende seizoen van Hero’s liet voor wat het was. Hij vond de karakters in de Tudors ook wat vlak, maar hij had nog niet overwogen te stoppen op het moment dat ik er genoeg van had, en na vijf seizoenen Homeland begreep hij mijn weerzin tegen die eeuwige herhaling heel goed, maar hij had nog best even verder gekund.

Mede daarom ben ik zo blij als ik een serie begin waarvan ik het gevoel heb dat we gedurende langere tijd dezelfde kijkbehoefte hebben. En mede daarom ben ik zo teleurgesteld als blijkt dat het verkwanselen van een product door de makers helemaal niet zo zeldzaam is als ik dacht. Begin dit jaar besloot ik dat ik seizoen 4 van House of Cards niet hoefde te zien. Die twaalf uur van mijn leven waren me liever dan de voorspelbare beelden die ik na die langelange twaalf uur aan de verzameling in mijn hoofd toe zou kunnen voegen. Hetzelfde gold voor Fargo en Les Revenants: mooie verhalen die één seizoen prima werkten, maar die hun tijdrovendheid niet langer goedmaakten.

Eergisteren besloot ik dat het genoeg was met Game of Thrones seizoen 6. Na drie afleveringen zei ik tegen Wannes: ik ben van géén van deze verhaallijnen nog benieuwd hoe het afloopt, ik weet inmiddels absoluut niet meer wie er dood is, hoe lang al en waarom ook alweer precies, en ik erger me zó aan de dialogen dat ik de vormgeving – het enige aan de serie dat voortdurend van topkwaliteit is – niet eens meer zie. Bovendien heeft Tyrion nog niet een goede grap gemaakt.

En zo kwam het dat Wannes zaterdagavond twee afleveringen zonder mij keek, waarmee mijn keuze onverbiddelijk werd. Doorgaan zou gemakkelijker geweest zijn, maar stoppen is iets dat ik moet leren. Er zullen alleen maar meer series komen die de vraag opwerpen: is dit acht, tien, twaalf of – godbetert – meer uur van mijn leven waard?

Volgend jaar ga ik voor het eerst in mijn leven echt gedisciplineerd zijn. Na een leuk eerste seizoen van Stranger Things zal ik het tweede niet eens beginnen. Ik heb ervan genoten, zeer zeker, al was het maar omdat de storyboards van jarentachtigfilms in dikke neuronen zijn uitgehouwen in mijn beeldtaalarchief waardoor ik van bijna elk shot kon zeggen in welke film het voorkomt. Maar dat is één keer leuk. Nog een seizoen iconische bmx-kaders herkennen of dikkejongetjesrollen duiden zou een herhaling van zetten zijn, en dan is zo’n Alieneske-verhaallijn gewoon niet genoeg om mij op de knieën te dwingen.

Het is een beetje als een reis naar Griekenland niet boeken en dan zeggen dat je 600 euro hebt verdiend, maar toch: ik heb in twee dagen achttien uur aan mijn leven toegevoegd en ik ben er erg mee in mijn nopjes.

Uren zonder sjoege

Zwart_gat

Het zwarte gat had ik natuurlijk aan zien komen. Het stond in mijn agenda met krullerige accolades: vanaf 31 augustus – zwart gat. Tot zaterdagmiddag had ik twee kwarktaarten, een appeltaart, een gewone cake, en walnotencake, een appelcake, een rijstsalade met feta, een aardappelsalade met augurk, een pastasalade met kruidenkaas, een couscoussalade met spekjes, drie soepen, makreelmousse, tzatziki, hummus, en tig dipsausjes gemaakt. Om twee uur zette ik het mes voor de laatste keer in iets voedzaams, om drie uur begon het feest en drie dagen later tuimelde ik in het zwarte gat. Ik had uitgekeken naar het zwarte gat. Voor het eerst deze zomer echt wezenloos zijn, geen idee wat ik buiten mijn werk om zou moeten doen. Uren zonder sjoege, dagen zonder doel.

Vandaag is het 1 september, dus alle Belgische kinderen gaan weer naar school. Dat betekent dat de drukte in het Provinciaal Domein achter mijn huis afneemt en de drukte op de weg voor mijn huis toe. Het betekent ook dat de meeuwen, ganzen en aalscholvers weer komen, en dat de kikkers aan hun laatste kwaak toe zijn. De tijd is weer aan mij. Het zwarte gat mag nog wel even duren, maar ik ken mezelf. Ergens in deze ledigheid tuig ik een plan op, waar ik mezelf mee overval en dan tilt mijn taakspanning mij weer over alle zwarte gaten heen. Ik zal er van een afstand verlangend naar kijken, naar die gaten, op zoek naar iets wezenloos, naar uren zonder sjoege en dagen zonder doel, maar ik zal er niet bij kunnen.

Het is het ongeduld, het perfectionisme, de bewijsdrang – aan wie? – en de eeuwige verveeldheid die het onmogelijk maken om eens rustig af te dalen en gedurende langere tijd de gezapigheid van het niets toe te laten. Het is misschien de reden dat ik mijn vork zo vol met hooi stouw: de belofte daarna een paar dagen zo verlamd te zijn dat er geen onrust ontstaat in die uren zonder sjoege. Omdat ik weet dat ik de wezenloosheid alleen dan toelaat: als ik echt niet meer kan.

Hoe het verhaal van mijn vakantie onbestaande werd

Hoe-het-verhaal

Toen ik aan de zomer begon was ik moe, nu de zomer langzaam uitdooft ben ik nog steeds moe. Of nee, moeier. Moeier dan ervoor, moeier dan zou moeten.

Sinds april werkte ik aan een taaladviesproject voor jongeren dat in oktober af moet zijn voor de Taalunie, ik schreef allerlei stukken op verzoek van De Standaard, ik ben een manuscript aan het afronden met een schrijfcoachleerling en ik begon aan drie nieuwe schrijfprocessen met nieuwe leerlingen. Daarnaast werd mijn moeder 70 en maakte ik voor haar een nogal tijdrovend cadeau, ik verplaatste alle meubels in mijn woonkamer, ruimde de kelder zo grondig op dat de kat er niet meer in durft, en als klap op de vuurpijl geef ik eind deze week een iets te groot feestje, omdat ik dit jaar tien jaar in België woon en – vandaag! – drie jaar getrouwd ben. Tel daarbij op de duizenden handelingen die we verrichtten om de gevolgen van de beroving te normaliseren en je kunt je misschien voorstellen hoe moe ik ben. En dan te bedenken dat het het eerste jaar in jaren was dat ik nog eens een zomervakantie had ingepland.

In normale tijden zou ik nu happend naar adem aan de de oppervlakte hangen, maar dankzij de beroving zijn dit geen normale tijden. Het voelt aanmatigend om er een diagnose op te plakken, maar ik geloof dat ik deze zomer PTS-klachten te pakken had. Ik schaam me kapot om het zo te noemen, want hee, wat hebben we nu eigenlijk meegemaakt? Maar stofwisselingstechnisch kan ik op geen andere manier verklaren hoe ik er in de maanden juni en juli aan toe was. In die acht uur dat we erover deden om vaste grond onder de voeten te krijgen, heeft de angsthormoonpomp zo open gestaan dat ik nu, elf weken later, nog steeds de restjes uit mijn bloedbaan aan het bezemen ben.

In juni sliep ik slecht, kon ik nog geen krantenartikel uitlezen en was ik in niets anders geïnteresseerd dan mijn taakspanning: laat mij maar iets doen, iets langdurigs, iets dat nooit stopt, zodat ik de knikkerbaan van gedachten niet af hoefde.

Mijn verhaal opschrijven hielp goed, hoewel het ook confronterend was om elke keer te zien hoe hyper ik de dagen ervoor schreef. Bij deel 20 was ik in een heel andere toestand dan bij deel 1, waardoor de eerste hoofdstukken zorgden voor hartkloppingen als ik ze teruglas.

Onze tweede poging tot vakantie strandde op een dag met 28 millimeter regen, maar dankzij mijn onvolprezen ouders was er poging 3. Zij hadden midden juli voor een week een prachtig huis gehuurd in Frankrijk waar we met zijn zevenen naartoe gingen. Nu vind ik met andere mensen op vakantie gaan nauwelijks ontspannen, hoe lief die anderen mij ook zijn, maar niettemin was die week wel precies wat Wannes en ik nodig hadden: lezen, mooi weer, lekker eten en weinig tot niets hoeven.

Het internet zorgde de afgelopen maanden voor ambivalentie: enerzijds hebben tientallen mensen ons een hart onder de riem gestoken, anderzijds waren dit de maanden waarin ik trollen en bullies beter leerde kennen dan me lief was. De trollen omdat ik in de Standaard schreef over feminisme, de N-VA en racisme en dan kruipen die als vanzelf uit hun holen, bullies omdat mijn relaas over de beroving op mijn weblog op Twitter door de filmmakers Martin Koolhoven en Willem Bosch publiekelijk werd afgedaan als gênant, pathetisch en decadent en hun grote volgersschare daar gretig op inhaakte.

In mijn hoofd kon ik het allemaal vrij gemakkelijk relativeren, zoals ik ook de beroving zelf rationeel al vrij snel tot redelijke proporties had teruggebracht, maar omdat mijn hart en hormoonhuishouding voor zichzelf waren begonnen, vormde het digitale boegeroep toch een obstakel in het herstel.

Ooit dacht ik dat ik stressbestendig was, omdat ik kok was geweest en zonder schelden tussen de 50 en 100 couverts uitgaf, maar nu ik 42 ben, weet ik dat stressstoornisjes mijn achilleshiel zijn. De oorzaak (en het gevolg) van die gevoeligheid voor stress is dat ik niet mild ben voor mezelf en dat is precies het haakje waaraan die bullies bleven hangen, want mezelf pathetisch noemen daar ben ik toevallig heel goed in.

Inmiddels heeft mijn gezond verstand het gewonnen van de pesters en vind ik het vooral verbazend dat mensen met enig aanzien zich geroepen voelen iemand van een willekeurig weblog te kakken te zetten. Dat heeft misschien iets te maken met de actie die – lieve lieve – Aafke Romeijn voor ons opzette. Die haalde een bedrag met drie nullen op met een crowdfundingsactie omdat ze zelf ooit veel vertrouwen had teruggekregen toen mensen voor haar geld ophaalden na een beroving. Dat soort acties kun je natuurlijk vrij gemakkelijk afdoen met ‘er zijn ergere dingen in de wereld, dus waar zeiken die mensen over?’

Die actie boezemde mij en Wannes dan ook angst in. We hadden het moeilijk met hoe we op de beroving reageerden, waren allebei te rationeel om het normaal te vinden dat we niet sliepen, waren allebei teleurgesteld dat we zoiets niet gewoon even incasseerden, waren allebei te gevoelig om het aan te kunnen als niemand iets zou willen storten, dan zou het een populariteitspoll zijn, een peiling naar onze gunfactor, maar we waren ook allebei bang dat we ons heel ongemakkelijk zouden voelen als het een groot succes werd. Dus hielden we ons afzijdig, wat trouwens ook heel onbeleefd leek. Achteraf gezien heeft Aafke gelijk gehad, het succes van haar actie werkte zalvend. Het verzachtte het gezeik van de stoerdoeners, hoewel het de vraag is of de pesters niet juist getriggerd werden door die actie.

We hebben al eens uitgebreid bedankt, maar toch wil ik het hier nogmaals doen. Niet alleen het geld, maar ook de enthousiaste reacties van de lezers van mijn relaas hebben veel gewicht in de schaal gelegd toen we ons evenwicht zochten. Ik schreef het al eerder: als schrijfcoach raad ik niemand aan om onder invloed van een adrenalinecocktail een verhaal te schrijven, het doet je stijl geen goed, maar jullie hadden daar hoegenaamd geen problemen mee, en dat was heel plezierig.

De beroving is inmiddels nog steeds niet afgewikkeld. Na drie aangiftes in drie verschillende landen en allerlei geregel met banken, providers en consulaten, hebben we deze week de nieuwe bril van Wannes opgehaald. Nu rest ons alleen nog het verzekeringsgedoe. We dachten dat we geen reisverzekering hadden – omdat we zo weinig op reis gaan waren we dat stomweg vergeten – maar we bleken dankzij onze familiale verzekering verzekerd te zijn voor diefstal op reis. Edoch, er zijn geen sporen van geweld of inbraak en dan krijg je niks. De verzekeringsmevrouw erkende dat de polis op dat punt oneerlijk is: de meeste reisdiefstallen gaan niet gepaard met geweld, dus de meeste mensen hebben niks aan die verzekering. Maar ja, zij kon er ook niet meer van maken. Het lijkt erop dat ik via mijn vaders reisverzekering ook verzekerd was, maar het zal nog even duren voor we weten of die verzekering zich niet ook Houdini-gewijs aan zijn verantwoordelijkheid onttrekt.

Dankzij de actie van Aafke kan het feestje van zaterdag doorgaan en hebben we de afgelopen maanden in elk geval de bureaucratische mallemolen kunnen betalen zonder onszelf op water en brood te hoeven zetten en dat maakt deze zomer een stuk dragelijker dan wanneer we er geestelijk bovenop hadden moeten komen in de schaduw van een gigantisch financieel probleem.

Tot slot: ik zal proberen weer wat meer te schrijven. Mijn stofwisseling kan de bullies en trollen weer aan, en ik vond het heel feestelijk die duizenden mensen op mijn blog de afgelopen maanden. Ik ben nog steeds niet 100 procent de oude, met de concentratie van een Jack Russell en acute hartritmestoornis als er maar een kopje omvalt, maar ik heb geen tijd en geld om langer rust te nemen. Het mag duidelijk zijn dat deel 21 van Hoe onze vakantie onbestaande werd niet meer zal komen. Ik weet niet of er nog vragen zijn en of ik nog losse eindjes heb laten liggen, maar mocht dat zo zijn: het reactieveld is geduldig.

En om de Zangeres Zonder Naam te citeren: Bedankt lieve mensen!

Lees hier deel 1, 2345678910111213141516171819 en 20 van Hoe onze vakantie onbestaande werd.

Lieve papa, we moeten terughoudend zijn

Standaard_Lieve_Papa_racisme_Maartje_Luif

Het opiniestuk ‘Wijs ook je nonkel eens op sluimerend racisme’ van MAARTJE LUIF (DS 4 augustus) riep veel reacties op. Voor velen waren de in het stuk genoemde voorbeelden over Zwarte Piet en het woord ‘neger’ geen kwestie van sluimerend racisme. De Nederlandse vader van Luif stuurde haar een mail over waarom ‘neger’ voor hem een neutraal woord is. Zijn uiteenzetting was feitelijk, helder en doorwrocht, maar in haar antwoord legde Luif uit dat dat voorbijgaat aan iets cruciaals: het is niet aan de witte meerderheid om te bepalen wat racisme is en wat niet.

Lieve papa,

Bedankt voor je mailtje. De feiten die je noemt kan ik uiteraard niet weerspreken of snel even nazoeken, maar omdat mijn argumenten op zo’n ander vlak liggen dan de jouwe is dat mijns inziens niet nodig. Ik zou zelfs willen zeggen dat jouw technische benadering een deel van het probleem is: gevoelens van uitsluiting hoef je natuurlijk niet te kunnen herleiden tot een betekenis in een woordenboek of een paragraaf in een geschiedenisboek, die kunnen ook ontstaan door de situaties waarin het woord tot nu steeds gebruikt wordt of werd. Het woord ‘neger’ heeft voor veel donkere mensen wel degelijk een zware lading, vermoedelijk ook omdat het woord vaak opduikt in situaties waarin je als donkere toch eerst en vooral ‘de neger’ bent.

Level playing field

Voor mij is het hetzelfde als met Zwarte Piet: het gaat erom dat je gevoeligheden van minderheden net zo serieus neemt als die van de meerderheid, en het is een kleinigheid om ermee te stoppen. Bij beide discussies is het geen ‘level playing field’, oftewel: zwarten hebben niet net zoveel ruimte om dit debat in hun voordeel te slechten. Dat lijkt me een extra reden om terughoudend te zijn in ons oordeel.

Daarnaast heb je bij veel vormen van discriminatie dat de meerderheid voor de minderheid bepaalt of het überhaupt gevoelig mag liggen: mannen die vrouwen vertellen wat wel en niet seksisme is, christenen die moslims vertellen wat wel en niet islamofobie is, of witten die zwarten vertellen waar ze wel en niet een vieze smaak van in hun mond mogen krijgen.

Racisme is een groot woord voor de uitsluiting die mensen door zo’n woord kunnen voelen, bovendien is het in het geval van dit woord (of Zwarte Piet) in 99 procent van de gevallen geen opzettelijke uitsluiting. Maar volgens mij zit daar het gevaar: mensen zijn minder bereid om zichzelf een spiegel voor te houden als het niet opzettelijk is. Het racisme op de arbeidsmarkt zit hem vermoedelijk grotendeels in onopzettelijk racisme. De onopzettelijke uitsluiter staat in zo’n situatie niet veel anders te doen dan op zijn tenen lopen – en dat is ook helemaal niet zo erg, zou ik zeggen.

Ga de discussie aan

Dit soort debatten wordt in Vlaanderen te weinig gevoerd. Er is alleen maar grote opluchting dat het Zwarte Pieten-debat steeds overwaait en er is een ijzingwekkend zwijgen bij de meerderheid over uitsluitende of racistische opmerkingen op tv en in kleine kring.

Jij bent het met me oneens over het woord ‘neger’ – en er zijn er veel meer – en uiteraard heb ik ook al brieven gekregen over Zwarte Piet, want zoals we allemaal weten is ook daarover lang niet elk weldenkend mens het met me eens. Een van de redenen dat ik ervoor heb gekozen in mijn column die controversiële onderwerpen te noemen, is dit debat, de mailwisseling die wij nu hebben.

We kunnen de maatschappelijke structuur waarbij sommige mensen zich geen deelnemers voelen alleen ter discussie stellen wanneer we ook zaken onder de loep nemen die voor de meerderheid niet vanzelfsprekend lijken. Ik verkeer niet in de illusie iedereen te kunnen overtuigen, maar ik vind het wel belangrijk dat we het erover hebben. Ik waardeer het dus heel erg dat je de discussie aangaat, hoewel ik me ook kan voorstellen dat je hierna weer stopt.

Liefs,

Maartje

Deze brief uit een langere correspondentie met mijn vader verscheen op dinsdag 9 augustus 2016 in De Standaard.

Wijs ook je nonkel eens op sluimerend racisme

Standaard_Racisme_In_Vlaanderen_Maartje_Luif

Richt je niet alleen op de uitwassen van racisme bij clubjes die niet je vrienden zijn, schrijft Maartje Luif, want het ‘afvoerputje’ begint bij onszelf.

Vanochtend kreeg ik een Facebookverzoek van Michael, de jongen met wie ik dertig jaar geleden voor de eerste keer tongde. Ik had hem een paar jaar geleden al eens opgezocht op Facebook, hem ‘bevriend’ en hem meteen weer ‘ontvriend’ vanwege zijn rabiate migrantenhaat en zijn rechts-nationalistische geblaat. Maar kennelijk dacht hij dat mijn eenzijdige opzegging per ongeluk was en dus stond hij opnieuw bij de vriendschapsverzoeken.

Mijn eerste reactie was: nee zeg, niet weer dat racistische gedoe, maar toen dacht ik: wat als iedereen dat denkt? Wat als ik en mijn Facebookvriendjes in ons coconnetje blijven zitten? Wie spreekt dan die gasten aan die racistische praat verkopen op de Facebookpagina van de Vlaamse Verdedigings Liga na de dood van een vijftienjarige jongen uit Genk? Wie spreekt mijn Michael aan op zijn giftige denktrant? Wie probeert ze tot rede te brengen?

Aanpassen aan ‘onze’ waarden

‘Het afvoerputje’ worden sociale media en krantencommentaren vaak genoemd. Dat klinkt natuurlijk goed, een soort riool waar alleen het laagste van het laagste in terechtkomt en waar wij als propere pompbakvulling uiteraard niet bij horen. Wij zijn geen racist. Het afvoerputje: dat zijn de anderen.

Maar we mogen niet vergeten dat de grote brokken die we in het afvoerputje vinden – van die vieze brokken die je doen kokhalzen als je ze eruitvist – voortkomen uit de soep die we eerder zelf hebben bereid. Een soep waarin nationalisme, het afwijzen van andersdenkenden en het focussen op aanpassing aan ‘onze’ waarden en ‘onze’ samenleving tot een kookpunt is gebracht.

Natuurlijk kunnen we ons niet verantwoordelijk voelen voor alle schreeuwers en trollen op internet, maar we kunnen sluimerend racisme in en om het huis wel vaker ter discussie stellen en toegeven dat racisme niet alleen onder die ene tegel van de Vlaamse Verdedigings Liga te vinden is, maar ook op onze socialemediakanalen, op verjaardagsfeestjes en op ons werk. Het is gemakkelijk fulmineren tegen mensen die je niet kent omdat ze bij een schimmig nationalistisch clubje horen en dus godzijdank niet jouw vrienden zijn, maar we komen allemaal wel eens iemand tegen die het woord ‘neger’ of ‘zwartje’ nog steeds gebruikt, we kennen allemaal mensen die ondanks de afkeuring van het VN-Comité voor uitbanning van rassendiscriminatie het fenomeen Zwarte Piet geen enkel probleem vinden, of iemand die hamert op ‘onze’ waarden, ‘onze’ samenleving en daarmee eender welke ‘ander’ al bij voorbaat verdacht maakt.

De lieve vrede

Het afvoerputje begint bij onszelf, onze naasten en bekenden. Mensen met wie je, als je het belangrijk genoeg vindt, een gesprek kunt aangaan: je baas, je nonkel, mensen met wie je ooit tongde. Dat is niet gemakkelijk, want er zijn namelijk nogal wat obstakels bij het veranderen van mening. Zo doen onze hersenen er alles aan om onze eigen mening bevestigd te krijgen, ze sturen als het ware onze redeneertrant tot de feiten in onze richting wijzen. Daarnaast houdt ook de dwingende selectie van internetsoftware zoals het Facebook-algoritme ons veilig binnen de muren van onze eigen zeepbel. We krijgen meer te zien van zaken waar we enthousiast op reageren, en minder van de personen, media en organisaties waar we minder interactie mee hebben en zien onszelf zo steeds weer in het midden van de waarheid. En tot slot: we leggen een laten-we-het-wel-gezellig-houden-filter over onze contacten en beoefenen zo zelfcensuur ten behoeve van de lieve vrede.

Maar niettemin lijkt het de moeite waard om die kleine kans te benutten dat we een familielid, een vriend of een politicus bewust kunnen maken van het gevaar van uitsluiting. Wat is het alternatief? ‘Er is nog veel werk om tot een gedeeld burgerschap en een inclusieve samenleving te komen’, zei Vlaams minister-president Geert Bourgeois (N-VA). Maar hoe inclusief is het rechtse midden? Hoe gedeeld is het burgerschap in onze bubbel, ons coconnetje, met onze hyperfocus op nieuwkomers, moslims, immigranten en vluchtelingen, en onze mond vol van onze ‘eigen’ samenleving en onze ‘eigen tradities en waarden’? Komaan, nonkel Geert, neem nog een pint en laten we het eens hebben over wat dat is, gelijkheid. Komaan, Michael, tongen zit er niet meer in, maar een goed gesprek zie ik wel zitten. Komaan mensen, praat met elkaar!

Dit opiniestuk stond op donderdag 4 augustus 2016 in De Standaard.