De gluurcultuur is een hit

Een jaar of twintig geleden begon ik een klantenkaartencarrousel. Met een stel vrienden ruilde ik klantenkaarten in de hoop dat ons winkelprofiel een rommeltje zou worden en de supermarkt zou denken dat de veertigjarige man in ons gezelschap tampons en make-up aanschafte, terwijl de student budget had voor een dagelijks biefstuk. We hoopten een stok in de spaken van het systeem te steken en hoewel het goedbedoeld was, is het een schitterend voorbeeld van de halfbakken houding die velen van ons aan­nemen als het om persoonsgegevens gaat. We wilden niet meewerken aan listige marketingtrucs, maar we wilden wel korting.

Het was een klein protest tegen een steeds groter wordend probleem: de handel in persoonsgegevens die voorspellen wat ervoor nodig is om ons onze ziel te laten verkopen. ‘Een spinnenweb waarvan we nauwelijks doorhebben dat we erin zitten’, zo beschreef technosocioloog Zeynep Tufekci de verleidingstechnologie die ons omringt vorig jaar in een TED Talk. Ze vergelijkt onze online omgeving met het snoeprek bij de kassa van de supermarkt: het valt niet op dat het er staat, we nemen het niet eens serieus als verleidingstechniek, maar uit de omzetcijfers blijkt dat het werkt. Volgens Tufekci is onze online omgeving volledig opgetrokken uit ‘verleidingsarchitectuur’, en de machthebbers – of dat nu op sociaal, economisch of politiek vlak is – hebben dankzij die architectuur de middelen om je te bekijken, te beoordelen en, bovenal, te sturen.

Afgelopen week bleek opnieuw dat de muren oren hebben toen The Guardian, Channel 4 en The New York Times details onthulden over Cambridge Analytica, het bedrijf dat de toegang tot Facebook-gegevens misbruikte voor manipulatie van 50 miljoen kiezers. In de nasleep van dit schandaal ontdekten gebruikers dat Facebook veel meer van ze bijhoudt dan ze dachten, waarna voor sommigen de maat vol was. Zij deactiveerden hun account.

Maar stoppen met Facebook is net als mijn vroegere klantenkaartencarrousel: een halfbakken houding. Neem de hashtag #deletefacebook, die populair is op Twitter. De mensen die oreren dat ze niet akkoord gaan met de spionage, dragen met hun berichten bij aan hun persoonsarchief dat in stukjes over het internet drijft. In dat dossier komt te staan: 1. Las een artikel over Facebook. 2. Googelde: ‘hoe Facebook verwijderen?’ 3. Deactiveerde Facebook-account. 4. Gebruikte daarna de hashtag #deletefacebook op Twitter. 5. Whatsappte naar partner: ‘Facebookaccount gewist! Zo opgelucht!’
Dus in plaats van iets te wissen, voegen ze iets toe aan hun digitale doopceel: vijf acties die een overtuigende bijdrage leveren aan het psychosociale profiel dat er al ligt. Er komt in elk geval een vinkje bij ‘is gevoelig voor maatschappelijke onrust’.

Want het probleem is overal. Als u deze column op de website van De Standaard leest, lopen er trackers op kousenvoeten door uw elektronica. Zij geven door wat u hier doet en die informatie kan elders op het internet weer gekoppeld worden aan gegevens die eerder over u verzameld werden. Want uw dossier ligt klaar, ook als u nooit een Facebook­account had of als u weinig op Facebook doet. Facebook is slechts een pijnlijk symptoom van een breder probleem en ermee stoppen is als een pijnstiller slikken, terwijl je been geamputeerd moet worden: een hele opluchting, maar het onderliggende probleem wordt niet opgelost.

Want tenzij we zelf een mast optrekken of een glasvezelkabel leggen, zijn we digitaal overgeleverd aan bijvoorbeeld Telenet, dat persoonsgegevens mag verhandelen aan ‘vennootschappen die met Telenet een contract voor levering van diensten hebben afgesloten’. Onder die persoonsgegevens vallen ook factuur- en betalingsgegevens, leef- en consumptiegewoonten en locatiegegevens.

In januari 2018 gebruikte 89 procent van de Belgen internet en sinds een jaar geleden de eerste berichten over de lepe truken van Cambridge Analytics verschenen, kwamen er in België 600.000 nieuwe socialemediagebruikers bij die allemaal met open ogen in het kleverige web van de surveillancecultuur vliegen.

Vorige week stemde ik als Nederlands staatsburger in een referendum tegen de nieuwe wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, want de wet moet beter. De tegenstemmers vormden een nipte meerderheid, en dat was hoopgevend, maar het politieke landschap zit tegen en dat is gevaarlijk. Want de macht ligt in Nederland en België vooral bij rechts georiënteerde machthebbers voor wie de gluurcultuur een geheide politieke hit is en die weinig belang hebben bij begrenzing. Het is zowel financieel als electoraal winstgevend om een web te spinnen rond mensen met een halfbakken houding.

Deze column verscheen op woensdag 28 maart 2018 in De Standaard.

Willekeur is een neerwaartse spiraal

Goed nieuws: maar liefst 37 procent van de Belgen heeft voldoende financiële kennis en vertoont over het algemeen verstandig financieel gedrag. Daarmee zit België boven het Europese gemiddelde, dat is een applaus waard. Het slechte nieuws is dat ruim ­zeven miljoen Belgen óf weinig van geldzaken begrijpen, óf onvoldoende financieel bewustzijn aan de dag leggen, óf te weinig anticiperen op de toekomst. Bij 5 procent van de bevolking is het een combinatie van die factoren, dat zijn de ‘financieel analfabeten’ (DS 12 maart).

Bij tijd en wijle hoor ik ook bij die groep analfabeten. Want hoewel ik als hoogopgeleide redelijk serieus met mijn geld omga, ben ik vaak radeloos als ik probeer chocola te maken van mijn rekeningen, als ik de duistere regels van het zelfstandigenbestaan wil doorgronden of als ik nadenk over hoe ik mens-, dier- en milieuvriendelijk kan consumeren en toch een zekere spaarzaamheid kan betrachten. Ondanks mijn harde werk is mijn inkomen slechts een krets hoger dan de armoedegrens, maar ik kom wel rond, op het nippertje. Het zou goed zijn als ik mijn situatie zou kunnen verbeteren, of als ik me beter zou voorbereiden op slechtere tijden, maar het is twijfelachtig of me dat zal lukken.

Ik maak mezelf altijd wijs dat ik mijn armoede zelf heb gekozen. Ik kies er zelf voor een slecht betaald beroep uit te oefenen, ik bepaal zelf de prioriteiten in mijn uitgavenpatroon, ik heb zelf besloten als zelfstandige door het leven te gaan en ik neem zelf op gezette tijden vrijaf om te voorkomen dat ik mentaal of lichamelijk kopje-onder ga. Daarmee leg ik alle verantwoordelijkheid bij mij, want dat spelden we elkaar en onszelf op de mouw: wat er ook gebeurt, je hebt het allemaal aan jezelf te danken.

Gelukkig vond ik troost in een onlangs gepubliceerde paper over de willekeur van succes. De onderzoekers stellen dat de mensen die de grootste financiële successen boeken, niet de mensen zijn met de meeste talenten, maar de mensen met het meeste geluk – wat dan wel geen nieuwe bewering is, maar volgens de academici in kwestie wel voor het eerst bewezen kon worden.

Daarbij komt dat de duivel altijd op de grootste hoop schijt, want de maatschappij investeert meer in succesvolle mensen, waardoor financiële rijkdom behalen niet alleen een loterij is, maar ook nog eens een razend oneerlijke loterij. De winnaar krijgt boven op de winst een gratis lot mee voor de volgende trekking.

De onderzoekers zeggen te hopen dat ze met hun publicatie het ‘naïeve meritocratische denken’ kunnen beteugelen: het idee dat rijke mensen rijk zijn, omdat ze nu eenmaal erg goed zijn in wat ze doen. Ook die kritiek op de meritocratie is niet nieuw. In België tekenen armoede en rijkdom zich steevast af langs dezelfde krijtlijnen: vrouwen zijn armer dan mannen, zwarte mensen zijn armer dan witte, mensen met een beperking hebben minder financiële draagkracht dan mensen zonder, en ga zo maar door. De verklaring voor die verschillen ligt niet in de talenten van de fortuinlijke groepen, maar in het feit dat we meer kansen bieden aan de mensen die lang en breed op voorsprong staan.

Zo bekeken is willekeur een neerwaartse spiraal en geluk het juiste pigment, een goede gezondheid, de juiste genen, een welgestelde afkomst, een veilige kindertijd en een geaccepteerd geloof, om maar wat te noemen. Allemaal zaken die grotendeels beïnvloed kunnen worden door de mensen die de verdeling van kennis, geld en macht in handen hebben.

Want geluk mag dan willekeurig lijken, het is onderhevig aan machts­verhoudingen die je niet oplost door financiële opvoeding in de eerste graad van het middelbaar verplicht te maken, zoals minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) heeft besloten. En ook niet door ons, zeven miljoen Belgen, aan te sporen om beter ons best te doen om ambtelijke brieven en ondoorgrondelijke dienstverleners te begrijpen, maar wel door het om te draaien: als het probleem niet individueel maar structureel is, hoe kunnen we de structuur veranderen?

Want ik had een ruime voldoende voor economie toen ik van school kwam, en ik verdien al mijn hele zelfstandigenbestaan elk jaar meer. Maar mijn zelfredzaamheid is niet opgewassen tegen de geniepige verzwaringen van het rouletteballetje dat mijn financiële wel en wee bepaalt.

Deze column verscheen op woensdag 14 maart 2018 in De Standaard.

Een krant kan het nooit goed doen

Op Twitter stelde Maarten Jan mij een vraag. Ik ken Maarten Jan niet, maar in zijn bio staat ‘zegt weinig, vraagt veel’ en dat vind ik een mooi uitgangspunt. Dus hier een serieus antwoord op zijn vraag.

‘Als ik een artikel in de krant zie over een onderwerp waar ik veel vanaf weet (bijvoorbeeld gaming), is het altijd rampzalig slecht. Geldt dit ook voor andere onderwerpen en hoe komt dit?’

Laat ik beginnen met te zeggen dat de vraag te groot is om te beantwoorden, want wat is slecht? Welk aspect vind je slecht? De invalshoek? De vergaarde informatie? De selectie? De schrijfstijl? Hoe bepaal je of je niet te veel verwacht? Welke media heb je geconsumeerd voor je die mening had? In hoeverre had je andere media moeten raadplegen? En als het artikel voor jou niet de juiste aanpak of inhoud had, zou het voor een ander wel de juiste aanpak of inhoud kunnen hebben? Oftewel: behoor je tot de doelgroep? Vragen, vragen, vragen die je eigenlijk allemaal eerst nauwgezet zou moeten langslopen voor je een gedegen antwoord kunt geven.

Dus alles wat ik antwoord, zal geheid een nieuwe vraag oproepen en elke analyse geeft slechts een fractie weer van de encyclopedie die je over journalistieke kwaliteit zou kunnen schrijven. Niettemin wil ik toch proberen een bondig, doch bevredigend antwoord te geven.

Een van de eerste dingen die ik als docent Journalistiek vraag als ik met studenten praat over interviewen, is of ze zelf wel eens geïnterviewd zijn. Want als je zelf de bron van een artikel bent geweest, weet je hoe uitgekleed jouw o zo genuanceerde gedachten werden weergegeven, hoe jouw duiding werd ingebed in het arrangement van het verhaal van een ander, en hoe jouw woorden – gevangen in de kolommen van een krant – ineens ontdaan werden van jouw context. Als je dat al eens hebt meegemaakt, zul je als journalist beter beseffen hoezeer een kleine verschuiving van woorden een grote verschuiving van gedachten teweeg kan brengen.

In het verlengde daarvan zat in het eerste jaar Journalistiek steevast een fluisterspel ingebed: in een groep van 20 mensen werd een boodschap ‘doorgefluisterd’ waarna het verhaal van nummer 1 werd vergeleken met dat van nummer 20. Uiteraard hadden die twee verhalen nog maar betrekkelijk weinig met elkaar te maken, waarmee de feilbaarheid van de verspreiding van informatie op kleine schaal zichtbaar werd.

Maar ook al ben je je bewust van het feit dat informatie gedoemd is om uitgekleed of verdraaid bij de ontvanger te komen, dat wil nog niet zeggen dat je daar ook iets aan kunt doen. De omstandigheden waaronder journalistiek bedreven wordt en de verscheidenheid aan verwachtingen van al die verschillende lezers zijn een garantie voor teleurstellingen.

Ik zal een paar van die omstandigheden langslopen.

Snelheid

Als een krant eens in het jaar zou verschijnen zouden de stukken vermoedelijker beter zijn. De journalist zou meer tijd hebben om zich in te lezen, om er eens goed over na te denken, om nog wat te overleggen en om tot op de kleinste details te herschrijven. Needless to say: bij een omloop van 24 uur liggen de zaken iets anders. Veel redacteuren van kranten moeten meerdere stukken per dag produceren en in de ernstigste gevallen wordt er slechts een paar minuten nagedacht over inhoud, aanpak en woordkeuze. Het mag niet verbazen dat check-dubbelcheck dan sneuvelt.
Snelheid is het wezen van de krantenjournalistiek en daar kun je – terechte – vraagtekens bij zetten. Maar zelfs als je daar vraagtekens bij zet: de hedendaagse journalistiek zit nu eenmaal zo in elkaar. De lezer krijgt elke dag een krant met een voorspelbaar aantal pagina’s die allemaal van onder tot boven vol staan. De lezer zou zelfs klagen als de krant een dag niet zou verschijnen, of als er lege pagina’s in de krant zouden staan, omdat de redactie niet overtuigd was van de inhoud.

Geld

Waarmee we naadloos aankomen bij een andere grote beperking bij het journalistieke handwerk: geld. Betaalde oplages lopen terug, redacties krimpen, budgetten krimpen en journalisten moeten enorm veel tijd en energie besteden aan een vak dat veel verantwoordelijkheid met zich meebrengt, maar dat vaak niet goed en soms zelfs ronduit beroerd wordt beloond. Je kunt zeggen wat je wilt, maar efficiëntie geeft weinig tijd voor reflectie en de redacties zijn wel gekrompen, maar de kranten niet of nauwelijks. Als je met minder mensen dezelfde hoeveelheid pagina’s moet vullen, heb je onvermijdelijk minder tijd per artikel.

Allrounders

Een ander aspect aan de journalistieke praktijk is dat dagbladjournalisten vaak generalisten zijn, terwijl een deel van de lezers specialist is. De krant kan niet anders dan met een aanzienlijk deel allrounders werken, want er zijn duizenden onderwerpen waarover geschreven moet worden en redacties bestaan niet uit duizenden werknemers. Het is dus niet verwonderlijk dat een journalist vaak minder goed thuis is in een onderwerp dan de specialisten onder zijn lezers.
Een gevleugelde uitspraak in de journalistiek is: je hoeft zelf niet te weten hoe het zit, maar je moet weten wie het wél weet. Dat klinkt eenvoudig, maar dat is het niet, want elk onderwerp kent tientallen invalshoeken, uitgangspunten en mogelijke bronnen. Elke vraag geeft een wending aan het verhaal, elke invalshoek sluit een andere uit en elke bron kan je iets vertellen dat ook weer gecheckt moet worden. En zo kom je bij een reeks andere bronnen die weer iets anders zeggen, wat jij vervolgens weer moet checken en vertalen naar de lezer in een stuk dat in niks recht doet aan alle uitzoekerij.
Daarbij komt dat een journalist gebaat zou zijn bij verschillende competenties, denk aan: veel algemene kennis, op sommige vlakken veel specifieke kennis, sociale vaardigheden, een groot netwerk, een soepele schrijfstijl, immense flexibiliteit en zelfstandigheid, een groot verantwoordelijkheidsgevoel, kennis van de dynamiek op een redactie, kennis van het productieproces en inzicht in de ontvangst van het geschrevene door de lezer. Het zou mooi zijn als alle journalisten over al deze competenties zouden beschikken, maar uiteraard is het omgekeerde aan de hand: de meeste journalisten zijn wat zwakker in een of meer van deze competenties, want journalisten zijn ook maar mensen.

Mensen

Prima bruggetje naar het volgende kopje, al zeg ik het zelf: journalisten zijn ook maar mensen. Met alle vooroordelen, slordige trekjes en onbewuste blinde vlekken van dien. Bovendien heb je ijverige journalisten en journalisten die er met de pet naar gooien, journalisten met een slechte dag en zij die hun finest hour beleven. Journalistiek is een vrij beroep, dus er zijn hoogopgeleide journalisten, laagopgeleide journalisten, journalisten met kennis van journalistieke uitgangspunten en journalisten zonder die kennis.
Natuurlijk hebben de meeste kranten een redactiestatuut en een deontologische code, en vrijwel iedereen heeft een eigen waardensysteem waar de journalistieke werkwijze aan wordt afgemeten, maar dat leidt niet tot unanieme overeenstemming over wat een goed artikel is.
Elk dagblad is een bundeling van al die eigen denkramen. Journalisten zullen niet alle teksten van collega’s als waardevol beoordelen en hoofdredacteuren hebben geen tijd om elke letter in de krant eens rustig af te wegen voor de drukpers in gang schiet.
Iedereen die wel eens samen met iemand anders een tekst heeft geschreven, weet dat je over ongeveer elk woord kunt twisten. Zelfs als je tevreden bent over het resultaat is de kans groot dat jij de zinnen van je mede-schrijver anders zou hebben geformuleerd en andersom, kortom: één manier om een tekst te schrijven bestaat niet. Zelfs de schrijver van een stuk zou het artikel de volgende dag vaak alweer anders schrijven.

Mensen (2)

Waarmee we komen tot de tweede categorie mensen: de lezers. De lezer is niet gauw tevreden, en dat siert hem, want journalistieke informatievoorziening is belangrijk genoeg om voortdurend kritisch bekeken te worden. Tegelijkertijd is de honger van de lezer onstilbaar. Redactiemailboxen zitten vol met de vraag waarom dit wél en dat niét in de krant stond, er komen complimenten binnen voor teksten waar andere lezers juist over klagen, en de abonnee vraagt de redactie de ene keer wanneer de aanpak nu eindelijk verandert en de andere keer of alles niet gewoon bij het oude kan blijven. Kortom: een krant kan het nooit goed doen.
Als je dan bedenkt dat de lezer te lijden heeft onder dezelfde menselijke eigenschappen als de journalist: zelfoverschatting, slordigheid, niet goed lezen, niet goed interpreteren enz. etc., dan kun je vaststellen dat the eye of the beholder doorslaggevend is.

In de oorspronkelijke vraag wordt gamingjournalistiek als specifiek voorbeeld aangehaald en hoewel ik denk dat elke specialist veel te klagen heeft over verhalen die door generalisten onder tijdsdruk in de krant worden gezet, vallen voor deze specifieke tak van journalistiek wel verklaringen te verzinnen waardoor het mogelijk meer opvalt dat journalisten nu eenmaal niet feilloos zijn. Het is immers een relatief nieuw vakgebied, waarbij vaak jonge journalisten worden ingezet die hun sporen nog niet hebben verdiend, en die mogelijk niet dezelfde doorwrochte werkwijze hanteren als hun meer ervaren collega’s. Bovendien is het een vakgebied waarin veel nieuws in het Engels wordt verspreid, en het is bekend dat feiten en meningen snel verloren raken in de vertaling. Veel mensen overschatten hun leesbegrip in het Engels. Tot slot: bij gamingjournalistiek is door het internationale karakter ervan verleidelijk om een journalistieke productie bij elkaar te googelen. Zoals we allemaal weten is Google alleen zinvol als de omstandigheden het toelaten om je bronnen te onderwerpen aan weloverwogen beoordeling. En dan zijn we weer terug bij die vermaledijde omstandigheden.

Mijn advies: neem de tijd om de juiste krant te kiezen. Alle kranten maken fouten, maar sommige kranten gaan transparanter en ethischer met die fouten om, en bij sommige kranten zie je beter hoe moedwillig die fouten gemaakt worden.

• In het kader van 40 dagen bloggen is dit dag 28. Gisteren was dag 27, toen heb ik niks geplaatst, maar die vrije dag doe ik mezelf cadeau. Er is al genoeg strengheid in mijn leven.

Digitale tolweg

Wie het internet vandaag nog ‘de digitale snelweg noemt’, verraadt zijn leeftijd. Deze metafoor uit de tijd dat we cybertechnologie alleen konden bevatten als we het vergeleken met een plak asfalt, is een zachte dood gestorven. Inmiddels heeft de dimensie van enen en nullen, hoe ongrijpbaar ook, geen metafoor meer nodig om waarachtig te zijn.

Toch zouden we er goed aan doen de toegangsweg tot mensen en informatiebronnen wat vaker te vergelijken met een openbare weg. Want er is steeds vaker geen andere route dan de digitale om informatie te vergaren of in contact te blijven met mensen. Zelfs overheden dwingen ons geregeld om via een digitaal middel op de hoogte te blijven van hun wel en wee. Het internet is niet alleen vergelijkbaar met een asfaltweg, het heeft in veel gevallen de weg vervangen.

Tot zover is er niet veel aan de hand. In plaats van mensen te ontmoeten en informatie te halen in een gebouw verderop, wenden we ons tot een website waarop we duiding en contacten vinden, en de meesten van ons vinden dat heel handig. Het is veel sneller, er is meer aanbod en de connecties en informatie zijn beter toegankelijk voor mensen die fysiek, mentaal, financieel of maatschappelijk beperkt zijn in hun bewegingsvrijheid.

Maar als we de metafoor doortrekken, kunnen we ons afvragen of de toegang wel wordt gewaarborgd. Is de weg vrij toegankelijk? Kun je overal naartoe? Moet je veel geld neerleggen?

Het antwoord is: nee, de toegankelijkheid is verre van gewaarborgd. De kabels en draadloze netwerken zijn in handen van providers die veel geld vragen voor weinig kwaliteit en die in bijvoorbeeld Portugal voor vijf euro een bundel met Google aanbieden, maar je tien euro extra afhandig maken als je ook op Youtube wilt. Gewoon surfen waar je wilt, is er daar niet meer bij. De software die we vervolgens gebruiken om in contact te treden en informatie te delen, is in handen van bedrijven die van binnen gluren en onrust stoken een verdienmodel hebben gemaakt en die bepalen welke vrienden en kennissen we nog mogen bezoeken, denk aan Facebook en Twitter. En tot slot: als we willen weten hoe we die commercialisering van toegangswegen moeten beschouwen, kunnen we voor informatie slechts terecht bij bijvoorbeeld Google en de grote uitgevers. Helaas hebben zij niet alleen deels dezelfde verdienmodellen, namelijk binnen gluren en onrust stoken, maar omdat ze de achterkant van advertenties volschrijven en winst­gedreven clicks moeten genereren, normaliseren ze de situatie van de verpatste infrastructuur ook. Natúúrlijk is de informatievoorziening een commerciële aangelegenheid, natúúrlijk zijn onze sociale kanalen in de eerste plaats bedoeld als manier om geld te verdienen. Hoe zou het anders moeten?

Terwijl, hoe natuurlijk zouden we het vinden als we ’s ochtends de voordeur openen en er blijkt een groot hek te staan? De weg van a naar b is onbereikbaar en er staat een stelletje bewakers dat je vertelt dat de weg is verpatst en dat je er alleen door mag als je een zak geld neerlegt en precies doet wat zij zeggen. Dus je geeft het geld en je laat je al je persoonlijke gegevens afnemen. Je weet dat de informatie wordt verkocht aan mensen die je bang of hebberig willen maken en dat het geld wordt geïnvesteerd in een manier om nog meer winst uit jou te persen, maar je hebt geen keuze.

Als je die situatie voor je deur zou aantreffen, zou je smeken om een overheid die waarborgt dat je de weg vrij kunt gebruiken en dat je met bekenden en onbekenden in contact kunt treden zonder een winst­jagerstol te betalen. Je zou er een rechterarm voor geven als de hoeders van jouw belangen zouden investeren in een eigen weg, eigen stenen, eigen stoepen, eigen kruispunten en eigen afslagen, zodat de controlerende en de uitvoerende macht nog iets te zeggen hebben over de bewegingsvrijheid van burgers. En je zou wensen dat je de beschikking zou krijgen over alle informatie die nodig is om zo’n overheid verkozen te krijgen. Maar tot die verkiezingen zou je met tegenzin je ziel verkopen aan marketeers vermomd als bewakers, want je moet nu eenmaal de deur uit.

Deze column verscheen op woensdag 28 februari in De Standaard.

De geur van buiten

We moeten het eens hebben over de geur van buiten. Een zoetzure stoflucht die om mensen en dieren hangt die net van buiten komen. De geur van buiten is het best te ruiken als je zelf niét net van buiten komt, en de geur van buiten is om die reden ook een geur die je vooral bij anderen ruikt en minder bij jezelf.

Hoewel deze meneer de verklaring zoekt in geosmine, een chemische verbinding die wordt aangemaakt door bacteriën en die onder meer leidt tot de geur die je na regen kunt ruiken (genaamd ‘petrichor’) denk ik dat de geur van buiten niet dezelfde geur is als de geur na regen. Hoewel ik niet uitsluit dat de geur van buiten een voor- of nastadium is van die regengeur.

Ik hou niet van de geur van buiten. Sterker: ik vind de geur van buiten vies. Het is me te weeïg en te robuust. Ik herinner me dat ik dat als kind een van de vervelendste aspecten vond van iemand gedag zoenen: die geur van buiten.

Onlangs rook Wannes naar buiten en ik trok een wat vies gezicht. Hij keek me verbaasd aan en ik zei dat hij te veel naar buiten rook. Maar wat bleek: Wannes weet niet over welke geur ik het heb. Hij kent de geur van regen en hij weet hoe een bos of een snelweg ruikt, maar hij kan zich niks voorstellen bij die allesomvattende buitengeur.

Dus nu vraag ik me af: weten jullie wél wat ik bedoel met de geur van buiten?

• Ik doe mee aan 40 dagen bloggen. Dit is dag 25.

Bleketomatenintolerantie

Dat zachte zanderige vlees. Te koud, te nat, te wak, te smaakloos. Het velletje te taai, te veel contrast met het vruchtvlees. Je proeft de koelkasten tussen hier en Spanje, de liefdeloosheid van de grootgrutter en de snelheid waarmee de plant het water uit de grond tussen dat vel heeft gepompt.

Op de School voor Journalistiek volgde ik het keuzevak De Tomaat, over de verhoudingen tussen Nederland en Duitsland. De naam van het vak was afgeleid van een handelsakkefietje in 1992 waarbij Nederlandse tomaten in Duitsland door de beroerde kwaliteit tot Wasserbombe werden omgedoopt. We wisten toen nog niet hoe erg het 25 jaar later zou zijn.

Zo erg dat ik mijzelf bij elk broodje buiten de deur terugvind met twee vingers in mijn beleg in een poging die koude rode flubbers ertussenuit te halen. In het vliegtuig, in de trein, in het café, op het station, net zolang friemelend tot al die witmelige vlezigheid weg is. En dan te bedenken dat ik niets liever eet dan een broodje met tomaat. Zo jammer.

• Ik doe mee aan 40 dagen bloggen. Dit is dag 24.