Vrijdag 21 februari

Een paar weken geleden mocht ik een week lang het Middagjournaal voor het Radio 1-programma Nieuwe Feiten maken. Hier kun je het item terugluisteren.

De afgelopen week dacht ik: ik moet iets over Kiev twitteren. Want als je veel twittert, voelt het zo stom als je niks zegt over de dingen waar het echt over gaat.

De belangrijkste reden dat ik het niet doe, is dat niemand er iets aan heeft als ik mijn verontwaardiging over Kiev twitter, enkel omdat ik me een beter mens wil voelen. Dus twitter ik niks over Kiev.

Maar er is nog een reden: ik twitter eigenlijk alleen om indruk te maken op mijn man. Dat er nog tweeduizend andere mensen meekijken, is bijzaak.

Niet dat het echt nodig is, indruk maken op mijn man, want hij  zei vorig jaar JA tegen mij, daarom mag ik hem ‘mijn man’ noemen. Maar in al mijn vezels voel ik dat mijn kwetterend bestaan niet geslaagd is als hij er geen getuige van is geweest. Dus zeg ik eens in de week ‘s ochtends: kom, we gaan mijn tweets bekijken. Dan komt hij keurig naast mij zitten en dan weet hij al wat ik van Kiev vind, hij ziet immers mijn gezichtsuitdrukking als ik naar de beelden op tv kijk, maar hij weet niet dat ik van de week een prachtig artikel van Bernlef op twitter zette over vergeten woorden zoals de maasbal.

Hij weet niet dat Bernlef schreef hoe hij zich in momenten van intense verveling in een kloof tussen wereld en woorden bevond. ‘Waarom heette dat ding daar tafel? Waarom stonden zij daar altijd in dezelfde slagorde, de stoelen, zwijgzaam en alleen in schijn gedienstig.’

Mijn man weet dat ik buikpijn krijg van Kiev, maar hij weet niet dat ik een liefdesbrief uit 1712 via twitter verspreidde, die begon met de schitterende aanhef ‘Hart allerliefste Mikgelief’. Tientallen mensen hadden het gezien en goed bevonden, maar mijn allerliefste Mikgelief nog niet.

Mensen vragen wel eens: Waarom twitter je eigenlijk? En dan zeg ik dat je als eenzame zelfstandige ook collega’s nodig hebt. Dat twitter het koffieapparaat of de dorpspomp is voor freelancers en andere eenzaten. En dat het me werk oplevert.

Maar dat wil ik bij dezen graag rechtzetten.
Lieve twitteraars, jullie zijn allemaal bijzaak.
Ik twitter alleen om indruk te maken op mijn man.

Donderdag 20 februari

Een paar weken geleden mocht ik een week lang het Middagjournaal voor het Radio 1-programma Nieuwe Feiten maken. Hier kun je het item terugluisteren.

Juridische fictie.

Op die term stuitte ik van de week toen ik me afvroeg hoe het ook alweer zat met de regel dat iedereen geacht wordt de wet te kennen.

Juridische fictie is de term voor alle situaties die in de wet staan, maar die in het dagelijks leven onmogelijk zijn. Zoals alle wetten kennen die op jou van toepassing zijn. Dat is onmogelijk.

Juridische fictie. Joepie. Er is dus kennelijk een woord voor de dooddoeners die ik dagelijks aanvoer in de discussies met het mannetje op mijn schouder dat mijn normen en waarden bewaakt. Het mannetje dat als ik een kebab bestel, zegt: ‘Je zou geen beesten eten die een verschrikkelijk leven hebben gehad.’ Dat mannetje kan ik nu mond snoeren met een wereldwijd bekende term: juridische fictie. ‘Jahaaa, lief mannetje op mijn schouder, die wet mag dan wel bestaan, maar het is onmogelijk om geen zielige dieren te eten als je na iets te veel pintjes heel erge honger hebt.’

Toch knaagt er iets, sinds ik die term ken. Want eigenlijk staat er dus in de spelregels van onze maatschappij: deze spelregels zijn deels onmogelijk uitvoerbaar, maar als de spelers maar zo lang mogelijk doen alsof ze wel mogelijk zijn, bijvoorbeeld door ze op te schrijven als een wet, is het spel redelijk speelbaar.

Juridische fictie. Eigenlijk hou ik van speldiscipline: iedereen kent de regels en vervolgens gaan we het spel zonder te treuzelen spelen. Dat zijn de goede spelletjes. Maar er huist ook een opportunist in mij, en die vindt juridsche fictie de uitvinding van de eeuw.

De discussies met het mannetje op mijn schouder worden hiermee eindeloos ingewikkeld.
‘Je zou altijd je afval scheiden’ zegt het mannetje dan.
‘Ja’, zeg ik, ‘maar dat was juridische fictie.’
‘Je bent toch een voorstander van speldiscipline’, zegt het mannetje.
‘Ja, maar juridische fictie is een regel. Het mag.’
‘Maar het is een slechte regel, toch?’ En dan kijkt het mannetje mij dwingend aan.

Ja, het is een slechte regel. En ik speel in principe geen spelletjes met slechte regels.
Zelfs niet als het het leven zelf betreft.

Citaat woensdag 20 februari

 

IMG_0402

De Standaard citeerde de laatste zin van het stukje van woensdag nogal prominent.

IMG_0401

Woensdag 20 februari

Een paar weken geleden mocht ik een week lang het Middagjournaal voor het Radio 1-programma Nieuwe Feiten maken. Onder het knopje waar mijn radiocolumn zou moeten staan, staat Dominee Gremdaat. Dat is grappig. En jammer. Misschien kan ik later nog een rechtstreeks linkje plaatsen.

Lieve Vlamingen.

Ik bedoelde het niet zo.

Maandag vertelde ik in het middagjournaal hoe kwetsbaar je je voelt als je ‘de ander’ bent. Als je door je afkomst meer dreiging ervaart dan je buren, zoals de Nederlandse vertaler die niet arm mag zijn, terwijl zijn Vlaamse buurman dat wel mag.

Ik probeerde uit te leggen dat dit soort nieuws verontrustend is als je je ooit veilig waande en ik zei dat ik dacht dat ik nooit gediscrimineerd zou worden, tot ik in Vlaanderen ging wonen.

Dat laatste had ik anders moeten formuleren. Blijkt. Want veel mensen dachten dat ik de Vlamingen voor racisten uitmaakte. Terwijl ik ook had kunnen zeggen dat ik dacht dat ik nooit gediscrimineerd zou worden tot ik de grens overstapte, welke grens dan ook, want je vindt dit fenomeen overal, niet alleen in Vlaanderen.

Luisteraars verweten me ‘zelfingenomen pseudo-paranoia’ en ‘zelfbeklag’, en ik moet toegeven, het is ook riskant om te zeggen dat je je ‘de ander’ voelt. Je plaatst jezelf namelijk nog eens extra buiten de groep, en als klap op de vuurpijl sluit de groep de linies als die groep bekritiseerd wordt.
Dat is logisch. Als iemand iets akeligs over DE Nederlanders zegt, voel ik ook de neiging om het voor ONS op te nemen.

Ik bekritiseer graag. Mensen, dingen, meningen. Dat zit in mijn aard en in de aard van mijn vak: journalistiek. Ik koester mijn kritisch vermogen, en ik accepteer dat een kritische houding niet altijd applaus oproept.

Maar het is moeilijk. Mijn kritiek is hoe dan ook altijd de kritiek van een buitenstaander. Dus zullen de linies zich sluiten. Als ik me dan in mijn commentaar ook nog eens presenteer als ‘de ander’, zoals ik maandag deed, dan is het einde zoek.

Acht jaar geleden kwam ik hier wonen. Sindsdien ben ik dankbaar dat ik dat mag. Maar sindsdien vraag ik me ook af af hoe ik nog echt kritisch kan zijn, zonder dat mijn gastheer het gevoel heeft dat ik over zijn tafel plas.

Dinsdag 18 februari

Een paar weken geleden mocht ik een week lang het Middagjournaal voor het Radio 1-programma Nieuwe Feiten maken. Onder het knopje waar mijn radiocolumn zou moeten staan, staat Dominee Gremdaat. Dat is grappig. En jammer. Misschien kan ik later nog een rechtstreeks linkje plaatsen.

Ik weet niet of u nog wel eens met jongeren onder de twintig e-mailt, maar ik wel en ik kan u vertellen: een postduif is sneller. Al weken wacht ik op smoezen, antwoorden en reacties van mintwintigjarigen.

Voor het jongerenpersbureau StampMedia en voor de Nederlandse Taalunie begeleid ik tientallen jonge reporters in Nederland, Vlaanderen en Suriname. Ik doe dat vanuit huis. Per e-mail.
Tenminste, dat dacht ik.
Want er komt dus niks meer.

Wacht.
Laat ik bij het begin beginnen.
Zestien jaar geleden begon ik met lesgeven aan de School voor Journalistiek in Utrecht. Ik was zelf al een fervent e-mailer, maar het was 1998, en het merendeel van de studenten had nog geen internet op kot, dus e-mailen was niet de meest efficiënte manier om contact te houden.

Mijn e-mailloze periode als docent duurde niet lang. Studenten ontdekten dat falen per e-mail veel gemakkelijker is dan in het echt. Dus stroomde mijn postvak begin jaren tweeduizend vol met digitale excuses voor labbekakkerigheid en niet gehaalde deadlines.

Hoewel mijn e-mailvreugde daardoor iets was getemperd, was een nieuwe manier van journalistieke producties begeleiden geboren. Ik kon op afstand helpen met bronnen raadplegen, vragen bedenken en artikelen schrijven. Wat een verandering!

Al een jaar of tien werkt dat prima. Zo prima dat het grootste deel van mijn werk inmiddels via e-mail verloopt. Maar het einde is in zicht. Ik wacht al weken op antwoord. De jongeren doen niet meer mee.

In de krant las ik dat jongeren massaal wegtrekken van netwerken waar hun ouders ook op zitten. En inderdaad: in de Facebookgroepen van de reporters met wie ik werk, kun je een kanon afschieten.

Maar dat ook e-mail zijn beste tijd heeft gehad, zag ik niet aankomen. Toch is het zo.
Dus, mocht u nog willen mailen met een mintwintigjarige: jammer, u bent helaas te laat.

‘Dat ze terugkeerd van waar ze gekomen is’ (sic!)

Een paar weken geleden mocht ik een week lang het Middagjournaal voor het Radio 1-programma Nieuwe Feiten maken. 

Het Middagjournaal van maandag 17 februari beroerde de gemoederen enigszins. De reacties waren uiteenlopend, soms gemeen, soms hartelijk. Hier een mini-bloemlezinkje.

Dit was de eerste, de Facebook-site van Radio 1:

Die was al vrij spoedig verdwenen. Navraag bij Radio 1 leerde: ‘rechtse, zure meningen mogen, schelden mag niet’. Dit beschouwde de moderator als gescheld.

Daarna kwam dit:

Zijn referentie aan de Caraïben komt waarschijnlijk door de foto van mij die Radio 1 bij het Middagjournaal plaatste. Met een beetje goede wil, kun je er een Caraïbische vrouw in zien. Ik voelde me drie eeuwen terug gekatapulteerd, toen plantagehouders mensen beoordeelden op hun werkvermogen.

Op de Radio 1-site was er een psycho-analyse van mij begonnen. Óf de mensen waren danig op hun pik getrapt, dat kan ook.

Gelukkig waren er ook mensen die het voor me opnamen:

Ook op mijn eigen Twitter, Facebook en mail kwamen talloze reacties binnen, al met al ben ik die dag nauwelijks aan werken toegekomen. Ik piekerde, omdat ik het te gemakkelijk vond om iedereen die zich tegen mij keerde bij voorbaat te diskwalificeren. Uiteindelijk kwam ik er in mijn radiocolumn van woensdag 19 februari op terug. Die zal ik hier morgen plaatsen.

Maandag 17 februari

Een paar weken geleden mocht ik een week lang het Middagjournaal voor het Radio 1-programma Nieuwe Feiten maken. Hier kun je het item terugluisteren.

Vorige week hoorde ik in dit programma dat een Nederlandse vertaler België wordt uitgezet, omdat hij te weinig zou verdienen. Dat bericht houdt me bezig.

Ik wás namelijk altijd degene die nooit gediscrimineerd zou worden.
Met al mijn statistische kenmerken speel ik op het veld van de meerderheid. Ik ben een blanke, heteroseksuele hoogopgeleide Amsterdamse, met alle ledematen op de juiste plek. De kans dat ik gediscrimineerd zou worden, was altijd bijzonder gering.

Tot ik in Vlaanderen ging wonen. Met die stap was ik ineens ‘de ander’. Jeweetwel, die ander bij wie men straffeloos de neus kan ophalen als het gaat om taal, spraak, eetgewoontes en tradities. Dat was even wennen.

In het begin suste ik mezelf nog: Sssst. Stil maar, Maartje. Jij bent slechts een Nederlander. Je hebt geen last van venijnige discriminatie, zoals je leeftijdgenoten met een hoofddoekje. Jij hebt slechts last van milde spot.

Maar die geruststelling werd in één keer van tafel geveegd toen iemand eens een discussie afsloot met: Ach, zeut! Ga toch terug naar uw eigen land!

Door deze klassieke zin hoorde ik ineens bij de mensen tegen wie ‘eigen volk eerst’ ooit bedoeld was. Plotseling was ik iemand die je kunt terugsturen naar haar eigen land.

Ik vroeg me af of ik inmiddels een high five kon geven aan iemand met een hoofddoekje en een stevig accent, die met geen mogelijkheid een huis, een job en wat wederzijds vertrouwen kan krijgen. Ik had het gevoel van niet. We werden dan wel allebei weggewenst, maar ik heb wel een huis, en een job. En ik ben ooit begonnen met het veilige gevoel nooit gediscrimineerd te zullen worden.

Tot ik dus vorige week hoorde van die Nederlander die België uitgezet zal worden. Toen wist ik: nu moet ik oppassen.
Het is bijna tijd voor die high five.

De Blije Bukster wordt vandaag 9 jaar

Acht jaar geleden plaatste ik dit verhaal voor het eerst. Sindsdien plaats ik elke 14 februari het verhaal van De Blije Bukster: een ode aan de dag dat ik mijn stoute schoenen aantrok, waarna ik mijn stoute veters en de perfecte man strikte. Wannes heette in 2005 op internet Yuri Maanzand

Vandaag een jaar geleden was ik in staat van ex (let op, dit is een herhaling, het is al negen jaar geleden). En als ik ergens geen zin in had, was het wel om in staat van ex zijn. Ik wilde wilde romances, hete hartstocht en bakken vol aandacht. Maar goed, als je nog niet zo lang in staat van ex bent, dien je wat geduld te hebben.

En daarvoor moet je dus niet bij mij zijn. Geduld. Ik weet niet eens hoe je het schrijft. Ik kan bijzonder slecht afwachten. Mijn handen zijn voor het heft gemáákt.
Dus terwijl ik in alle staten van ex was, brak er ineens een Valentijnsdag aan. Doorgaans vergeet ik Valentijnsdag keihard, maar nu was er werk aan de winkel. Ik heb geen Valentijnsdag nodig om verleidelijke briefjes te schrijven, ik kan immers erg slecht afwachten, zodoende neem ik regelmatig zelf het heft in handen. Maar een dag dat je zonder humbug al je poet kunt inzetten op wilde romances en bakken vol aandacht laat ik in staat van ex liever niet voorbij gaan.

Daar zat ik, 14 februari 2005, met werk aan de winkel. Het was al laat in de avond, de tijd drong. En aangezien ik nog nooit eerder een Valentijnsproject ten uitvoer had gebracht, begon ik ‘m toch wel te knijpen; ik had geen routine. Mijn eerste probleem was: wie o wie? Ik was in staat van ex en nog niet verliefd geworden, zelfs niet stiekem. Er was niemand die ik stilletjes minde en ik had along the way geen lekkere dingen gespot die ik op een Valentijnsgeheim wilde trakteren.

Alleen leuke mensen kwamen in aanmerking. Een beetje leuke mensen, half leuke mensen en misschien leuke mensen vielen af, ik moest immers nog geïnspireerd worden. Binnen twee uur een Valentijnstruc in elkaar draaien, kan alleen als leuk ook echt leuk is.

En toen belandde ik bij Yuri (klik). Ik ben een fervent aanhanger van het toeval, dus ik zal niet bij u aankomen met ‘voorbestemd’ en ‘hoger hand’, maar ik weet toeval wel op waarde te schatten. Bij dezen. Dit was mooi toeval.

Ik kwam niet vaak bij Yuri, eens in de paar weken, maar áls ik er kwam was ik altijd gecharmeerd. Door zijn twisted mind, door de lay-out van zijn website – met de toen nog handgeschreven linkjes – en door zijn waanzinnig romantische inborst.

Hij moest het zijn, besloot ik. Naarstig begon ik zijn laatste stukjes te lezen. Ik zocht een aanknopingspunt, een Valentijns-cue, iets waarop ik mijn kunstje kon baseren. Mijn ogen bleven hangen bij het zinnetje ‘Blij bukken maakt mensen blij. Mij in elk geval.’ (klik). En toen nam ik een merkwaardig besluit.

Ik besloot als Blije Bukster actie te ondernemen. Op zich nog niet zo raar, het is immers des Valentijns om je niet uit te geven voor wie je werkelijk bent. Maar ten eerste is zijn stukje een ode aan het driehoekje van een andere vrouw; het is maar wat je een Valentijns-cue noemt. En ten tweede: als u het stukje van Yuri heeft gelezen, zult u begrijpen dat er toch minimaal een decolleté aan te pas moet komen, alvorens er gesleed kan worden. En daarover kan ik in het geheel niet meepraten. Ik stond niet vooraan toen de driehoekjes werden uitgedeeld, zullen we maar zeggen.

Maar ik ben een lefgozer en dacht kennelijk niet aan de verwachtingen die ik bij mijn Valentijn zou kunnen wekken. Verwachtingen die ik geenszins zou kunnen inlossen – in mijn decolleté kun je hoogstens langlaufen. En en passant negeerde ik die vrouw over wie het stukje gà­ng ook nog even.

Kortom: in weerwil van alles zette ik mij aan het briefje van de Blije Bukster. Ik maakte een e-mailadres aan, deblijebuksteretdjziemeeldotkom, knipte mijn hoofd van een bukfoto en stuurde de onthoofde bukfoto naar meneer Maanzand. ‘Omdat blij bukken mensen blij maakt’, schreef ik eronder.

Het duurde een week en tientallen e-mails voor Yuri erachter kwam wie de Blije Bukster was (klik). Dat had niet zozeer met beroerd detectiveschap te maken, als wel met het feit dat hij het stiekem wel leuk vond om in het ongewisse te verkeren. Toen ik hem na een paar dagen op de man af vroeg of hij eigenlijk wel wilde weten met wie hij te maken had, erkende hij dat hij daar niet echt haast mee had.
Tsja, kijk, en dát was natuurlijk niet de bedoeling. Een beetje Valentijn hoort als een gek te gaan gissen, graven en vragen, want dan heb je pas eer van je werk. Deze Valentijn ging doodleuk op zijn lauweren zitten rusten, de buit was immers binnen.

En wat wás die buit binnen zeg. Het e-mailverkeer zinderde dat het een lieve lust was. Een dag of vijf na mijn ontmaskering schreef hij:
kom morgen
asjeblief
ik wacht je op
en we doen enkel fijne dingen

Ik kocht een retourtje Leuven en ik kwam (zie klik en klik).
En nu, een jaar later, weet ik niet hoe ik dit stukje moet eindigen.
Omdat het niet eindigt.
Omdat het gewoon
echt
niet
eindigt.

Kijk ook bij mijn favourite work of art: KLIK

Houston!

Hyperzelfbewustzijn is een bitch.

Ik heb het hier al vaker geschreven en ik zal het nog vaker schrijven, juist hier, omdat er weinig dingen meer bijdragen aan hyperzelfbewustzijn dan al dat geuitwissel in enen en nullen in het sijberse.

Neem nou die plogs. Ik vond het leuk om die van anderen te zien, maar ze zelf maken was een ander paar mouwen. Niet alleen vroeg ik me voortdurend af of ik niet eerst moest stofzuigen voor ik een foto nam, ook schaamde ik me kapot dat ik een week lang nauwelijks buitenkwam. Ik wilde bij elke plog heel hard roepen: maar van september tot december was mijn leven een gekkenhuis hoor! Ik was maandenlang steeds onderweg, met meer activiteiten buitenshuis dan me lief was, met een kersttournee om U tegen te zeggen en met een hoeveelheid andere mensen van heb ik jou daar. Echt! Maar ik zei het niet, want dat zou alleen maar de aandacht vestigen op mijn kluizenaarschap. Misschien kwam ik er nog mee weg, misschien hadden jullie het niet door.
Helaas. IJsbrandt twitterde dat ik misschien iets meer luchten op mijn foto’s moest zetten. Ik kon dat opvatten als: misschien moet je iets meer luchten op je foto’s zetten, maar ik vatte het op als: jezus, wat kom jij weinig buiten! En hij had gelijk. Godzijdank zou ik maar een weekje ploggen.

Ik vroeg Wannes onlangs: kun je een beroemde artiest bedenken die écht leuk is? Van wie je echt het gevoel hebt: dat is een man of vrouw naar mijn hart?
Telkens als hij met iemand op de proppen kwam, kon ik die diskwalificeren, want alle artiesten bleken hyperzelfbewust. Dat is uiteraard inherent aan het vak, maar niettemin vonden Wannes en ik dat allebei eigenlijk wel een minpuntje.

Hyperzelfbewustzijn baart poseurs. Ik wil geen poseur worden zijn. Ik ben wel hyperzelfbewust. Houston!

Getwicht

verwarrend
wordt het
als we
bijna thuis
nog even snel
ik ben weer weg
tikken

Dinsdag 14 januari 2014

Dit is het zevende en laatste fotoverslag in navolging van Martine.
Dit deed ik eergisteren.
Hieronder zie je wat ik gisteren deed.


Choco krijgt eten en drinken.


Martines woord ‘plog’® is ontdekt door iemand die het heeft over een ‘plogmarketingstrategie’.


Ik schreef weer een factuur.


Ik maakte een taaljaaragenda. Ik denk altijd: dat doe ik even. Maar daar kruipt verdomd veel tijd in.


Ik ging na wat er dit jaar honderd jaar geleden gebeurde. Het was uiteraard al WOI wat de klok sloeg.


De taaljaaragenda was bijna compleet, maar het mag gelukkig een work in progress blijven.


In bad.


Als ik de deur uitga, check ik vaak hoe mijn haar zit door mijn silhouet te bestuderen. Deze keer werd ik niet veel wijzer.


Als ik buiten kom, kijk ik altijd even hoe de kerk erbij staat. Wazig, dus.


De maan vertelde een verhaal.


Toen we thuiskwamen, vielen we in het reality-programma De School. Het is opgenomen op de school van mijn ex-stiefkinderen. Ik ken de achternamen van die leraren.


We lieten een köfteschotel brengen en keken naar Van de straat. De psycholoog, Kas, en zijn sport-sidekick zaten bij mij op de middelbare school. Bijna iedereen die van het Montessori Lyceum komt, kan goed lullen.


Als je lang lesgeeft in de journalistiek, zijn de mensen op tv steeds vaker oud-studenten. Doorgaans ben ik dan een beetje trots. Nu was er een oud-student van mijn ex-man op tv. Zelfs dat maakte mij trots. Trots works in mysterious ways.


Choco’s normale blik.


Ik koop deze notenmix om de grote, pikante Japanse dingen die erin zitten, de rest van de mix is vies. Ik hou niet van Japanse zoutjes, maar wel van van die grote. Tot nu toe dacht ik altijd dat Wannes ze er allemaal uitvrat, maar hij zegt dat hij ze niet lust, dus hij was het niet. Gisteren gingen we eens tellen.


Twee! Er zaten maar liefst twee grote Japanse zoutjes in. Op het etiket staan er al twee op twee vierkante centimeter. We worden in het ootje genomen.


Naar bed. Langs het raam, met de maan, die een verhaal vertelde.

Maandag 13 januari 2014

Deze week plaats ik in navolging van Martine elke dag een fotoverslag.
Dit deed ik eergisteren.
Hieronder zie je wat ik gisteren deed.


Choco keek vanaf mijn schoot mee bij het maken van het plogje.


Mijn agenda was vol.


Als schrijfcoach geef ik een gratis diagnose aan de hand van een ingestuurde tekst. Ik licht de sterke en zwakke punten eruit en doe een coachingvoorstel. Wil je ook gecoacht worden? Klik dan hier.


Omdat ik niet vaak en niet graag bel, staat mijn telefoon vaak zacht. Bovendien ben ik hem niet zelden kwijt. Hier was ik hem kennelijk alweer een tijdje kwijt geweest. Ik belde mijn moeder terug en ging met haar skypen.


Daarna was het tijd voor het tweede kopje koffie.


Ik maakte een facebookpagina aan voor een site die later dit jaar wordt gelanceerd.


Ja! Antwoord op de diagnose: hij doet het! Ik heb weer een traject van 10 consulten én een manuscriptbeoordeling binnen!


En er stroomt nog meer werk binnen.


Wannes had een deadline, ik een volle agenda. Dat zijn de dagen dat we vergeten te eten. Om half zes besloot ik alle maaltijden van de dag te projecteren op het restje couscoussalade.


Als toetje een stukje mokkakwarktaart (die er wat uitgedroogd uitziet, omdat ik te lui was ‘m af te dekken in de koelkast).


Wannes was nog niet helemaal klaar. Ik wilde Unsere Mütter unsere Väter kijken, maar dat was buiten de moraalpolitie gerekend.


Toen ging ik maar pannenkoeken bakken.


‘s Avonds gaat het licht in de keuken uit. Op één lichtje na. Achter dat lichtje staat een dienblad.


Wannes zat klaar om met mij een film te kijken.


We keken La Vie d’Adèle en we vonden het een goede film.


Ik wierp vlak voor ik ging slapen nog een blik in de spiegel.

Tot morgen.

Zondag 12 januari 2014

Deze week plaats ik in navolging van Martine elke dag een fotoverslag.
Dit deed ik eergisteren.
Hieronder zie je wat ik gisteren deed.


Meestal zet ik ‘s ochtends de radio aan, op zoek naar gemakkelijke muziek. Nu koos ik zelf. Ik zet muziek ‘s ochtends heel zacht.


Na Bach zocht ik nog meer gemakkelijke muziek. Gevonden.


We waren benieuwd of de tweede laag op de kwarktaart van gisteren ook gelukt was. Zonder recept is de spanning altijd groot.


Ja, gelukt. Keurig twee lagen: eentje roze en een witgeel. Hoera!


Wannes schreef de naam van zijn petekind en diens zusje op de aardbeienperzikkwarktaart.


Sinds ik aan de keukentafel werk, is dit mijn uitzicht. Er is gisteren een lamp stukgegaan. Dat doet veel met een uitzicht.


Ik wilde een jaaroverzichtfilmpje maken. Ik zocht in iTunes welke liedjes ik in 2013 het meeste had gedraaid en bleek vooral radio te hebben geluisterd: nieuws en klassieke muziek. Hoewel ik waarschijnlijk het meeste via die iTunes van Wannes luister, die liedjes staan hier sowieso niet tussen. Die Radio 2 is misleidend, dat was alleen tijdens de Top 2000.
2013 was het jaar dat ik Vines maakte, dus het moest enigszins opgefokte muziek zijn. Het tegenovergestelde van mijn muziekjaar 2013, zo te zien.


Wannes en ik hadden het over The Wolf Of Wall Street en namen en passant de hele filmografie van Scorcese door.


Wannes vertrok met de ene taart en ik at de andere. De ampersand op de mokkakwarktaart had zijn beste tijd gehad (zie gisteren). Dat proefde je gelukkig niet.


Ik maakte een filmpje, maar omdat iMovie wederom van alles had veranderd in de bediening, was ik nog niet erg ver toen ik het twee uur later beu was. De veranderingen waren voor het eerst sinds jaren wel een verbetering. Dat ik dat nog eens zou zeggen over iMovie.


Er lag een couscoussalade op tafel.


Een heleboel mesbewegingen later stond er een couscoussalade op tafel.


Wannes was nog niet thuis. Ik at een ei.


Toen Wannes thuiskwam, hingen we samen de was op. Onze was bestaat doorgaans voor minstens de helft uit pyjama’s. Ik vind dat een mooi beeld van het zelfstandigenbestaan.


We speelden nog een uurtje Lego-Star Wars op de Wii. En net als bij Lego-Indiana Jones destijds moet ik zeggen: verbazend hoe grappig en speelbaar die games zijn.


De rest van de avond vergat ik te fotograferen hoe we couscoussalade aten, en taart, en hoe we Boer Zoekt Vrouw keken en de Andere Tijden over de Elfstedentocht. Ik maakte nog wel een foto van Choco toen ik de trap opliep om naar bed te gaan en zij mij wanhopig nakeek.


In bed luisterden we nog wat naar de Antwerpse seniorenradio Radio Minerva, omdat er verder geen relaxte radiozender op de app te vinden is.

Tot morgen.

Zaterdag 11 januari 2014

Deze week plaats ik in navolging van Martine elke dag een fotoverslag.
Dit deed ik eergisteren.
Hieronder zie je wat ik gisteren deed.


Meteen twee biefstukken uit de vriezer gehaald.


Ik maakte cappuccino’s voor Wannes en mij.


Ik at een geroosterde boterham met filet americain, maar vergat die op de foto te zetten. Zo dan maar.


Wannes wilde een taart maken voor zijn petekind dat zondag een nieuwjaarsbrief voor hem voorleest. Ik moest aanwijzingen geven, in ruil eiste ik dat hij er ook een voor ons maakte. Eerst moesten de bastognekoeken en de pepernoten fijngestampt worden.


Er bleven grote brokken in zitten. Misschien werkt de roller beter.


Aha, de boosdoeners: de pepernoten. Die, pepernoot, die!


Ik knipte intussen een cirkel voor Wannes.


De boter van de Colruyt heeft geen maatstreepjes. Stom. Kleine moeite, groot gemak, lijkt me.


Wannes stampte twee bodems plat. Ik dronk kopjes koffie en gaf aanwijzingen.


Even pauze, met een groentensap.


We waren aan het kokkerellen op een Genius-playlist van Balkan Beat Box, ineens kwam er een verdachte synthesizer tussendoor: aha, 80′s Giga Hit Collection.


Toen beide taarten in de koelkast stonden, begon ik met koken. Ik sneed frietjes. Dit zijn slechts twee aardappelen.


De vreugde als een goed lijkende avocado inderdaad goed blijkt te zijn!


We aten. Ik gooi altijd alles wat we hebben op de borden, terwijl dat meestal te veel is.


De aardbeienlaag van de nieuwjaarstaart was klaar. Maar we wilden een taart met twee lagen.


Dus maakten we na het eten de perzikenlaag.


De voor ons zelf geëiste taart had maar één laag: mokka. Die was klaar. Wannes moest even oefenen met de schrijftubes. Maak maar een ampersand, zei ik.


Toen Wannes de keuken opruimde, hing ik de was op. Vervolgens las ik verder in een boek waarin ik van de week ben begonnen. Oordeel: heel fijn, maar ook lichtelijk gemakzuchtig.


Uit het boek: ‘Nou’, luidde het antwoord, ‘als u het niet in stukken laat snijden, ziet het er heel erg uit als een eekhoorn.’


We gingen film kijken, wat doorgaans een goed moment is om mijn dreadlocks bij te werken.


Deze keer was het geen goed moment voor multitasken, het was een film waarbij je goed moest opletten. Dus dat deed ik. Maar het mocht niet baten. Na afloop zei ik: de vormgeving en de belichting waren prachtig, maar ik geloof niet dat ik het helemaal heb begrepen. Wannes zei: ik voel me altijd een beetje dom bij dit soort films. Kortom: we waren het roerend eens.

Tot morgen.

Vrijdag 10 januari 2014

Deze week plaats ik in navolging van Martine elke dag een fotoverslag.
Dit deed ik donderdag.
Hieronder zie je wat ik gisteren deed.


Toen ik wakker werd, wist ik meteen weer: ik moet foto’s nemen. Ik dacht echt dat deze scherp zou zijn. Zo zie ik dus kennelijk ‘s ochtends.


Hoe tikken jullie de koffiehouder leeg? Wij doen dat tegen de binnenkant van de biobak. Maar 1. daar scheurt de biobakzak van en 2. ik schaam me als we bezoek hebben en ik de koffie eruit tik vlak boven de bloemkool die bijna weer tot leven komt. Maar ik kan geen oplossing bedenken. Je moet nogal hard tikken, dus in een klein bakje de koffie eruit kloppen is geen optie. Iemand?


Kennelijk schijnt buiten de zon.


Omdat ik gisteren zo weinig deed, zag mijn agenda van vandaag er nogal heftig uit. Ik begon met vier offertes.


Ik verstuurde een Nederlandse boekenbon vanuit België. Ik vraag me altijd af of anderen ook doorhebben in hoeveel bochten ik me soms moet wringen met mijn kleine multinationalletje.


Ik schreef een factuur. Daar gaat het uiteindelijk om.


Ik trof mijn vader in een artikel in Ons Amsterdam over de Zacharias Jansestraat, waar ik ben geboren.


We waren allebei verre van klaar met werken, maar we moesten toch boodschappen doen. Als je zelfstandige bent, is het heel dom om daarmee te wachten tot het moment dat aan het einde van de middag ook de loonslaven boodschappen gaan doen. Dus we braken om een uur of half drie de dag in tweeën.


Daarvoor moest ik me dus wel even aankleden. Een roze haarband vandaag.


Hoe ze in Vlaanderen een blinde vink soms noemen. Heb ik niet gekocht trouwens.


Wannes zorgt altijd voor de gebaren.


We doen zo min mogelijk boodschappen. ‘t Liefst maar eens in de twee weken. Maar dan is het dus wel veel. Alleen groente en fruit haal ik tussendoor bij.


De lucht was mooi, maar we moesten naar binnen. Weer aan het werk.


Ik zal de vrolijk gestippelde magnetronglasdecoratie wel missen als de kerstboom weg is.


Een vleugje goede moed voor het tweede deel van de werkdag. In een beker die tien jaar geleden in mijn kerstpakket zat, bij mijn toenmalige werkgever.


Ik was doodmoe en wilde zó graag stoppen, maar ik wilde ook klaar zijn. Uiteindelijk stopte ik om 19:51, en ik was niet klaar.


Eerst de afwasmachine uitgeruimd.


Daarna eten gemaakt.


Dat at ik op tijdens 24 uur met … Ik vind Theo Maassen een aanwinst, maar ik denk ook dat hij dit maar kort zal volhouden.


Na het programma hing ik de was op, terwijl Wannes de afwasmachine inruimde.


Door dit fotoproject belandden we in mijn mapje ‘afgelopen 12 maanden’. We bleven er anderhalf uur in hangen en genoten vooral van de foto’s van Mike, de aidspoes die vorig jaar stierf. We proostten op hem met een Tequilla Sunrise.

Tot morgen.

Donderdag 9 januari 2014

Deze week plaats ik in navolging van Martine elke dag een fotoverslag.
Dit deed ik woensdag.
Hieronder zie je wat ik gisteren deed.


Ik begon de dag met een kopje koffie en een gesprek op Twitter over het verkeerd gebruik van het woord ‘ironisch’.


Omdat mijn iPhone binnen niet zulke mooie foto’s maakt, en ik de komende week veel binnen zal zitten, schakel ik over op mijn oude cameraatje. Liggende foto’s zijn ook fijner in dit soort verslagjes.


Al bij het wakker worden had ik het concentratieniveau van een Jack Russell. Dat ging de hele dag niet meer over. Gelukkig begon Wannes een parodie op een facebookmeme. Ik zei dat ik niet meedeed, omdat ik te lui was om een paperclip te zoeken. Hij kwam er prompt een brengen.


Ik beeldde er in opdracht van hem een horrelvoet mee uit.


De kerstboom staat er nog steeds. Pas op 16 januari komt de gemeente kerstbomen ophalen. Eerder mag je ze niet buitenzetten.


Ze zeggen dat het winter wordt, dus was ik wollen truien. Maar doordat ik deze foto maakte, vergat ik op start te drukken. Toen ik de was wilde ophangen, bleek die niet gedaan.


‘Ik wil er wel véél op’, zei ik tegen Wannes toen hij een boterhammetje smeerde.


Choco verkeert regelmatig in de illusie dat ze alles lust. Ze lust vrijwel niks. Hier wil ze ook een boterham met appelstroop.


Ik zat alleen maar afleiding te zoeken. Wannes werkte wel netjes door. Dus ging ik hem maar even fotograferen. Hij werkt in het kantoor, ik zit tegenwoordig vaker aan de keukentafel.


Ah, weer afleiding gevonden: de diaprojector die ik met kerst van Wannes kreeg op de foto zetten. En een euromunt zoeken om de schaal aan te geven. De dia’s zitten in een viewmasterachtig schijfje.


Een foto nemen van een geprojecteerde dia blijkt zo gemakkelijk nog niet. Hier lijkt het plaatje heel overbelicht, maar die dia’s zijn hartstikke helder als je goed scherp stelt. Je kunt overal op projecteren, ook op de binnenkant van je hand. Het is wel lastig dat Wannes er alleen maar foto’s van mij in heeft laten zetten. Dat pronkt wat ongemakkelijk.


Wannes en ik vergaderden enige tijd over gedoe.


Aan het einde van de middag wees ik mijn innerlijke Jack Russell als winnaar aan. Ik gaf me over aan mijn guilty pleasure: het reisprogramma van Nick en Simon.


Toen Wannes ook beneden kwam, luisterden we samen naar de EP van mijn hartsvriend Dwarzand en zijn muzikale project deNeuve.


Ik gooide komijn, munt, koriander, uitjes en knoflook door het lamsgehakt.


Zo werd het een köfteschotel. Als je dat zelf maakt, is het allesbehalve fastfood. Voordat je alles hebt gesneden en gemixt voor de knoflooksaus, het lamsgehakt, de kleurrijke sla en de dressing ben je een half uur verder. Ook aardappels eerst koken en dan bakken kost tijd.


Uiteindelijk hing ik de avond uit. In de verte zie je Wannes.

Tot morgen.

Woensdag 8 januari 2014

Vroeger kenden alle webloggers elkaar (virtueel), omdat er zo weinig webloggers waren. Toen ik in 2003 begon, was een van de die-hard-bloggers Martine van het weblog 10e. Ik las haar, werkte samen en was bevriend met mensen met wie zij ook samenwerkte en bevriend was (o.a. Luna!), en bleef haar volgen. Ruim een jaar geleden ontmoette ik haar voor het eerst bij de Viva 400. Sinds een tijdje plaatst Martine elke dag een plog® (ik neem aan dat dat een samentrekking is van photo/picture en blog). Ze doet dat zo inspirerend dat ik zin kreeg het ook eens te doen en zo geschiedde. Vanaf vandaag plaats ik één week lang elke dag een fotoverslag van de dag ervoor.
Ik moet misschien wel mijn fototoestel zoeken, want dit zijn een beetje rottige foto’s. Allemaal staand en onscherp. Awoert iPhone!


Ik kwam ‘s ochtends beneden en vroeg me af waarom ik zo duf was. O ja.


Gelukkig maakt Wannes graag koffie voor dufferds. Choco wilde ochtendliefde.


De dag zou een overzichtelijke doch drukke thuiswerkdag worden, tot dit mailtje in mijn mailbox verscheen.


Na het nodige thuiswerk (deadline: check) dus toch maar aankleden en haarband kiezen.


Het moest natuurlijk een groene haarband worden.


De auto had 11 dagen stilgestaan. Dat is bij ons barrel rete-riskant, maar hij startte. Wannes bracht me naar het station.


Daar moest ik heen.


Ik ontdekte dat er stopcontacten zitten in de dubbeldekkers. Bij de schaarse ‘tweezitjes’ achterin. Geen dank.


Een van de redenen dat ik graag met de trein reis: je kunt werken.


Na een half uur was ik klaar. Nog even lezen. Leuven-Genk is ongeveer 68 minuten reizen.


De redactie van StampMedia Genk. Er brandt al licht.


De opkomst was minimaal. Allemaal meisjes.


Op de terugweg mijn lunch/diner weggesmeten. Die productiedatum says it all.
(de soep die ik later thuis nog at, ben ik vergeten te fotograferen)


Ik las wat op mijn iPhone en vond het laatste antwoord van Hemingway er een om te onthouden. Getting the words right.


Op de terugweg in de trein nog wat gewerkt. Deze dag liep zo anders dan ik had gedacht, dat ik mijn planning moest herzien. Dus dat deed ik. De terugweg lijkt altijd langzamer te gaan dan de heenweg.


Wannes kwam me halen op het station, en er geschiedde een wonder: we hoefden geen rondjes te rijden om te kunnen parkeren.


Choco wilde avondliefde.


Helemaal kapot in bed. Vuurtje aan.


Jeroen Willems zingt Brel. Tweede keer dat ik het zag. Als je zo moe bent, komen de tranen snel.

Tot morgen.

Gebroken beloftes

29 november 2013 bestond mijn weblog 10 jaar. Ik beloofde vorig jaar mijn feestje te vieren en uitgebreid verslag te doen van wat er die tien jaar was gebeurd, maar gaandeweg bleek het geen jaar waarin ik zin had om te reflecteren en terug te kijken. Bye bye belofte.

Ergens in het najaar stuitte ik op de scheepsbrievensite van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie en ik beloofde een serie maken over scheepsbrieven: Groetenisse. Tot m’n zus mij vertelde dat op de Nederlandse tv al jaren een serie draaide over die scheepsbrieven. Toen was de lol er gelijk af. Ik besloot ook deze belofte te breken.

Nu beloof ik een week lang te ploggen (®10e). Een week slechts. Dat moet toch lukken? Over een uurtje de eerste aflevering.

Mag ik u voorstellen aan mijn jonge redacteuren?

Voor de Nederlandse Taalunie werk ik met jonge redacteuren uit Nederland en België. Om het jaar af te sluiten stelde ik ze wat taalvragen. Een deel van de redactie stuurde antwoorden op die ik de afgelopen dagen op De Wereld Van De Nederlandse Taal (DWVDNT) plaatste.

Ik ken die jongeren niet of nauwelijks, ons contact verloopt doorgaans per mail en besloten facebookgroep, dus voor mij is het heel leuk om de meisjes op deze manier te leren kennen. Ja, helaas, vooral meisjes. Met bloed zweet en tranen heb ik wat jongens in de redactie weten te krijgen, maar die zijn wat minder gedisciplineerd.

Hoe dan ook: een van de belangrijkste doelen van DWVDNT is om jongeren te enthousiasmeren voor de Nederlandse taal. Ik vind dat het met de taalvragen goed is gelukt. De jongeren geven zich bloot over blunders, helpen hun leeftijdgenoten op weg met boekentips en taaladviezen, en ze geven een persoonlijk inkijkje in hun taalbeleving.

Lotte (18) leerde in 2013 het woord compatibel en vindt de klanken passen bij de betekenis.
Janine (17) had verwacht dat je woorden als opzoek en opzich aan elkaar hoort te schrijven.
Laura (18) spreekt haar afschuw uit over Astrid Bryan.
Eva (14) adviseert iedereen om woorden op te zoeken in een papieren woordenboek dat meermaals is gecontroleerd voor het gedrukt werd, in plaats van op internet.
Sophie (17) speelt het tv-spelletje CONTAMINATIE!
En Maria (17) raadt iedereen aan die taalkwestie waar je altijd over twijfelt nu eindelijk eens op te zoeken.

Lees ze hier allemaal onder elkaar.

2013: mijn jaar in taalvragen

Vorige week vroeg ik de jonge redacteuren van De Wereld Van De Nederlandse Taal om als eindejaarslijstje een paar vragen te beantwoorden over het taaljaar 2013. Om ze een indruk te geven van wat ik wilde, beantwoordde ik de vragen zelf ook even.

Wat was het mooiste Nederlandstalige boek dat je in 2013 las?
Ik las vooral vertaalde boeken dit jaar. Van de oorspronkelijke Nederlandstalige boeken was de beste: Bonita Avenue van Peter Buwalda
Waarom?
Omdat ik het knap vind als een schrijver én een spannend verhaal én mooie zinnen weet te combineren. Dat de stijl niet ondergeschikt is aan de inhoud of andersom.

Wat was het mooiste Nederlandstalige lied/nummer dat je hoorde?
Het hele nieuwe album van De Jeugd Van Tegenwoordig.
Waarom?
Omdat je nieuwe woorden en zinnen blijft horen, ook als je het album al tien keer hebt beluisterd.

Wat was het mooiste Nederlandstalige woord dat je in 2013 hoorde?
Op een bedrijfswagen stond: Slopen van gebouwen en kunstwerken. Ik vond dat raar, maar later hoorde ik dat het in de wegenbouwwereld veelgebruikt jargon is. Kunstwerken zijn – onder andere – tunnels en bruggen.

Wat was de leukste of domste taalfout (in het Nederlands) die je in 2013 maakte?
Ik schreef: ‘Het zou fijn zijn als je er even op saus gieten.’ Dat moest zijn: ‘Het zou fijn als je er even op zou schieten.’ Het ging over een plan waarop ik graag een reactie wilde. Soms staat mijn brein heel fonetisch afgesteld.
Op welk moment maakte je die fout?
In een mail die ik schreef aan een aantal redacteuren van DWVDNT.

Wat was het leukste taalmoment van dit jaar?
De voorstelling van de Vlaamse cabaretier Wim Helsen: Spijtig, spijtig, spijtig.
Waarom?
De titel zegt genoeg: Wim Helsen speelt op een onnadrukkelijke manier met taal. Ik vind dat onweerstaanbaar.

Ik zou graag ook het verdrietigste taalmoment noemen: 1 juli 2013. Maarten van Roozendaal overleed. Hij nam in 2001 tijdens de cd-presentatie van mijn toenmalige groepje het eerste exemplaar in ontvangst. Een unieke taalkunstenaar en een mooie man. Zie hier een prachtig voorbeeld van zijn taalvirtuositeit. Hier vind je de tekst van Goon.

Wie was de beste (Nederlandstalige) taalgebruiker in 2013?
An Olaerts, journalist, columnist en tante.
Waarom?
Omdat ze schrijft alsof ze het Centraal Station in Antwerpen bouwt: overal waar je kijkt mooie details, krullen en schoonheid.

En wat was je grootste (Nederlandstalige) taalergernis in 2013?
Ik probeer me niet te ergeren aan taal. Maar als ik dan iets moet noemen: fouten in Vlaams-Nederlandse ondertitels en andersom.
Waarom?
Vlamingen en Nederlanders denken dat ze geen vertaler nodig hebben, dat ze elkaar wel begrijpen. Dat gaat vaak fout. Als een Vlaming zegt dat de hoed ‘precies niet goed past’, maakt een Nederlander daar in de ondertitels van dat die ‘helemaal niet past’. Terwijl een Vlaming daarmee bedoelt: ‘het lijkt alsof die niet goed past’, wat veel minder stellig is.

Wat leerde je 2013 over de Nederlandse taal?
Dat je bij grote getallen spaties moet schrijven, terwijl het dan meerdere grote getallen achter elkaar lijken. 347625728 schrijf je als driehonderdzevenenveertig miljard zeshonderdvijfentwintig miljoen. Met drie spaties dus. Heel merkwaardig.

Heb je een taalvoornemen voor 2014?
Ik ga proberen mijn Amsterdamse z, die nog steeds als een s klinkt, als een echte z te laten klinken.

En heb je een taaltip voor 2014?
Als je een taalvraag hebt: google het woord of de zin met ‘taaladvies’ erachter, dan zijn de sites die je krijgt vaak betrouwbaar. Bijvoorbeeld: hen hun taaladvies.