Goedbedoeld seksisme

Twee dagen na Internationale Vrouwendag is het tijd om de scherven bij elkaar te vegen. Een dag waarop de aandacht meer dan anders uitgaat naar ongelijkheid mag dan geen overbodige luxe zijn, de vriendelijk bedoelde parade van powervrouwen die woensdag aan ons voorbijtrok, is schadelijk voor de goede zaak.

Een serieuze man complimenteer je niet met het woord ‘powerman’, hij zou je uitlachen, en terecht. Maar woensdag, de dag dat het om gelijkwaardigheid van man en vrouw moest gaan, vlogen de sterke vrouwen je om de oren. Waarmee de indruk ontstond dat al wat vrouwelijk en sterk is, en ook nog eens haar kans grijpt, boven het normale uitsteekt. Stel je voor dat we het mannelijk volksdeel een dag lang oprecht zouden vieren om de wijze waarop het als sterke powerman zijn kansen durft te grijpen, het zou een potsierlijke toestand worden.

Neem het bericht op Twitter waarmee de Leuvense politie woensdag de aandacht wilde vestigen op de gelijkheidsstrijd tussen mannen en vrouwen: ‘Onze vrouwelijke collega’s weten perfect hun mannetje te staan! #respect #internationalevrouwendag’. In deze tweet gaat veel fout. Zowel het volkomen misplaatste ‘vrouwen die hun mannetje staan’ als het ‘ons’ in dit verhaal impliceert een onontkoombaar mannelijk perspectief. Hoe goedbedoeld ook, het bericht van de Leuvense politie wekt de suggestie dat het wel een hele prestatie moet zijn dat een vrouw bij de politie opgewassen is tegen haar taak. Zozeer dat de mannelijke collega’s daar #respect voor hebben, zozeer dat dit het enige is dat ze kunnen verzinnen om Vrouwendag in de verf te zetten.

Had de Twitter-flik in kwestie zich een beetje verdiept in seksisme en de rol van stereotypering, dan had hij kunnen weten dat in een samenleving zoals de Belgische, waarin mannen en vrouwen relatief gelijkwaardig zijn, goedbedoeld seksisme vaak schadelijker is dan vijandig seksisme. Vijandig seksisme is doorgaans gemakkelijk herkenbaar, denk aan seksuele intimidatie of boodschappen van het kaliber ‘kuthoer, ga terug naar het fornuis!’ Zowel mannen als vrouwen keuren dat soort ongelijkheid veelal af.

Goedbedoeld seksisme daarentegen is een wolf in schaapskleren die zich invreet in de maatschappij. We prijzen vrouwen om stereotiepe eigenschappen zoals warmte en zorgzaamheid en mannen om hun kracht en potentie, en we stellen beschermend gedrag door mannen, als waren alle vrouwen poppemiekes die begeleiding en betutteling verdienen, bewust of onbewust op prijs. Omdat deze systematische ongelijkheid voor beide partijen voordelen heeft – de vrouw kan haar koffer laten dragen en de man zijn spierballen laten rollen – wordt het niet alleen zelden herkend als seksisme, het is zelfs een fenomeen dat mannen én vrouwen aanmoedigen. We houden met zijn allen de systeemfout hartstochtelijk in stand.

Onderzoekers wijzen erop dat vrouwen die overdreven complimentjes krijgen uit mannelijke hoek vervolgens slechter gaan presteren en onzeker worden. Vrouwen die zich ook nog eens ontworstelen aan het predicaat ‘warm en zacht’ roepen onevenredig veel weerstand op, terwijl vrouwen die zich graag laten bijstaan door een man juist op onverbloemde adoratie kunnen rekenen. De man vertegenwoordigt macht en kracht, de vrouw warm en zacht, en beide partijen worden daarvoor voldoende beloond om niet tegen te sputteren.

De vrouwendagtweet van staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken (N-VA) sprak in dat opzicht boekdelen. ‘Topvrouwenteam op mijn kabinet vandaag extra in de bloemetjes gezet!’ Ook hier een en al goede bedoelingen, maar de suggestie dat een vrouw zo warm en zacht is dat ze bloemetjes verdient is hardnekkig, en de foto erbij laat niets te raden over: vijf dames met een roos in de hand, minzaam glimlachend, gegroepeerd rond hun baas die wijdbeens in het midden staat. Ook hier geldt: draai de rollen om en stel je voor dat een ‘topmannenteam’ elk met een roze bloem, glimlachend om een vrouw heen zou staan, het zou lachwekkend zijn.

Omdat goedbedoeld seksisme diep verankerd zit in onze cultuur en maatschappij en ook nog eens veelal op onbewust niveau plaatsvindt, zit er niks anders op dan onszelf een geweten te schoppen. Als vrouwen voortaan zelf hun koffers dragen en mannen de neiging onderdrukken om complimenten te verpakken in pasteltinten, dan zijn we al een heel eind. En mochten de hoeders van de wet zich nog wat inlezen in de achterliggende mechanismen van seksisme, dan is de schade na de volgende Internationale Vrouwendag misschien te overzien. Want met goede bedoelingen en lieve meisjes dempen we de gracht.

Deze column verscheen op vrijdag 10 maart 2017 in De Standaard.

NB De staatssecreatris maakte overigens vlek op vlek door te reageren met onderstaande tweet. In zijn universum vinden vrouwen karten en lasergamen uiteraard heel vervelend. De meeste vrouwen die ik ken zouden kartend lasergamen dan weer geweldig vinden.

Gebakken lucht

Ik verkoop gebakken lucht, te weten, mijn gedachten. In een temperatuur van ongeveer 37 graden smoor ik mijn hersenspinsels, vervolgens laat ik ze wat sudderen en als ze gaar zijn maak ik ze tastbaar door ze in 26 letters op een stukje papier te gieten.

De eerste keer dat ik mijn gedachten verkocht, voelde het alsof ik iemand had opgelicht. Ik was 19 jaar en een opinietijdschrift vroeg me een stukje te schrijven over mijn generatie, de zogenaamde Generatie Nix. Toen ik hoorde dat ik er 50 gulden, ongeveer 1000 frang, voor zou krijgen, viel ik van mijn stoel. 50 gulden? Voor iets wat ik leuk vond om te doen? Iets wat ik misschien ook had gedaan als niemand het had gevraagd? En dat zou dan evenveel geld opleveren als écht werk? Ik vond het onvoorstelbaar. Het was alsof ik betaald kreeg om in bad te zitten, een krant te lezen of een uurtje met de poes te spelen; dingen die iederéén deed en waarvan het in het geheel niet logisch leek er geld aan over te houden.

Een paar weken later stond mijn verhaal in het tijdschrift en er verscheen een bedrag van 50 gulden op mijn rekening. Mijn dubbelhartigheid over die gang van zaken swingde de pan uit. Enerzijds wilde ik van de daken schreeuwen: kijk, mensen willen mijn gedachten afdrukken en er ook nog voor betalen, hoe is het mogelijk? Anderzijds dacht ik: niemand mag dit weten, dit is te bizar voor woorden. Mijn oud-collega’s in het verzorgingshuis moeten hiervoor werken en ik hoef alleen wat te denken. Zo beschamend!

Niet lang daarna begon ik als student aan de School voor Journalistiek. Je zou veronderstellen dat ik daardoor wel gewend raakte aan het idee dat ik mijn inkomen bij elkaar zou scharrelen met denkwerk, maar niets is minder waar. Toen ik voor het eerst een idee voor een artikel verkocht, voelde het – net als de eerste keer een column en de eerste keer een half boek – alsof ik de boel belazerde.

De jaren verstreken en elke keer dat ik mijn gedachten in bundeltjes alfabet wist te slijten, keek ik ongemakkelijk naar de punten van mijn schoenen. Natuurlijk realiseerde ik me steeds vaker dat de waarde van mijn denkwerk zit in de tijd die ik heb besteed aan lezen, aan taalvaardigheid, aan schoondenken, aan schrijven, schrappen, herschrijven en nog meer schrappen. Toch kon ik me regelmatig niet aan de indruk onttrekken dat ik mijn vrije tijd liet sponsoren.

De ambivalentie werd nog groter toen ik leerde onderhandelen. Dan bood iemand 200 euro voor mijn gedachten en dan wist ik: hier moet ik 250 euro van proberen te maken, of zelfs 300. Dat voelde raar, om niet te zeggen ronduit belachelijk. Natuurlijk doe ik research en besteed ik tijd aan het product dat ik lever, maar het is niet vergelijkbaar met de meubelmaker die kan zeggen: het hout en de schroeven kostten dit, en mijn uurloon is dit, dus voilà, hier heb je de prijs. Kennis vergaar je immers een leven lang, letters zijn gratis en ze in de juiste volgorde zetten kost op zich niet eens zoveel tijd. Nee, het is dat denkwerk, die gebakken lucht, die vermaledijde ontastbaarheid, die de prijs opdrijft.

Aan mijn gebakken lucht per kilo, moest ik denken toen ik las over de ruimbetaalde adviesfuncties die onze politici bekleden bij allerhande organisaties. Ik vroeg me af of er iemand bij zat die in de auto naar huis met schroom probeert vat te krijgen op het idee dat hij zijn gedachten omzet in harde valuta. Zou een van die dure adviseurs wel eens in zijn schedelpannetje roeren, net als ik, en beseffen dat de ongrijpbaarheid van wat we doen nederig zou moeten stemmen.

De tekst die zojuist in geluidsgolven uw oor in trilde, bedacht ik terwijl ik stond te koken. Met die tekst betaal ik de tijd die ik nodig heb om nieuwe gedachten te bakken, die ik ook weer verkoop. En dat is waar mijn bescheidenheid begint: iedereen denkt, iedereen heeft gedachten, iedereen staat te koken, maar mijn gedachten zijn van kostwinnend niveau? Ben je gek! Je zou van minder ootmoedig worden.

Deze column las ik voor in de podcast De Maatschappij van Radio Spindokter op donderdag 8 maart 2017.

Luister:

De pijn van de hardwerkende Vlaming

De hardwerkende Vlaming is ziek, langdurig ziek. De favoriete mascotte van politici die de wereld indelen in hardwerkende en minder-hardwerkende mensen heeft het moeilijk, want ze prijzen hem om zijn harde werken, terwijl hij al maanden thuiszit. Zijn lichaam achter zich aan slepend, zijn dagritme naar de vaantjes, de verhouding met huisgenoten onder spanning en last but not least, overmand door zorgen omdat hij moet rondkomen van hooguit 60 tot 80 procent van zijn normale inkomen.

Het klinkt als een grap, maar de werkelijkheid is dat één op de tien Vlamingen langdurig ziek thuiszit. Ruim een derde van hen kampt met psychische klachten. Volgens een recente ondervraging ervaart 10 procent van de Vlamingen te veel stress op het werk en hebben zo’n 280.000 mensen burn-outsymptomen, een kwart meer dan drie jaar geleden. Slechts de helft van de Vlamingen vindt zijn job werkbaar en Belgen blijven veel vaker dan andere Europeanen naar hun werk gaan als ze ziek zijn.

Een van de belangrijke risicofactoren voor een burn-out is plichtsgetrouwheid. Mensen die hun werk erg serieus nemen, komen sneller in de problemen dan zij die de kantjes er vanaf lopen. En kijk, daar herkennen we hem in, de hardwerkende Vlaming. De vleesgeworden verkiezingsslogan is volgens de opportunisten de maat der dingen, maar intussen ligt hij in foetushouding in bed, gordijnen dicht, hopende zichzelf en zijn gezondheid terug te vinden.

Ik weet wat hij voelt, die hardwerkende Vlaming, ooit was ik ook zo’n handen uit de mouwen stekende middenklasser die ten onder ging aan haar ijver. Maandenlang barstte ik in tranen uit als iemand me vroeg hoe het met me ging, omdat ik geen flauw benul had hoe het met me ging. Ik wist niet eens waarom ik huilde. Mijn burn-out vond plaats onder andere omstandigheden, maar één ding hebben de hardwerkende Vlaming en ik gemeen: hij wordt, net als ik destijds, geacht zich te vermannen. Doe een das om, recht je schouders.

Handenvol geld kostte het om mij met duurbetaalde hulptroepen een beter mens te maken. Op dagen dat ik uit alle macht de scherven van mijn leven bij elkaar veegde, kreeg ik ambtelijke brieven met vragen of waarschuwingen van controleurs en raadgevers. Maandelijks probeerde ik in een kil kantoor aan een vreemde vrouw stamelend het onuitlegbare uit te leggen: waarom de wervelwind die door lijf en leven raasde nog steeds niet was gaan liggen. Tegelijkertijd werd alles in stelling gebracht om mijn weerbaarheid en mijn levensstijl aan te passen, terwijl aan de arbeidsomstandigheden niets werd gewijzigd en mijn collega’s eveneens bij bosjes omvielen.

Ziedaar de situatie van de hardwerkende Vlaming. Hij dient als modelburger en als het hem niet lukt om op commando zijn pirouette te draaien, wordt er aan hem gesleuteld tot hij wel dat Duracell-konijntje is waar ze hem voor houden.

De simpelen van geest krijgen de wind in de rug van de marktleider van de inkomensverzekeraars, AG Insurance. Die zet 175.000 verzekerden voor het blok: of je kiest voor een beperkte dekking en dan sturen we consultants – consultants! – op je af, of je houdt onbeperkte dekking maar dan wordt de premie veel hoger. In beide gevallen heb je langdurig slechts 60 tot 80 procent van je inkomen; voor veel mensen een ware aderlating. Dus hoewel we hier te maken hebben met een epidemie die haar weerga niet kent, krijgt elk individueel slachtoffer te horen: ‘Zet jij eens even gauw weer je leven op orde! En wees spaarzaam!’

Het is een vorm van ‘blaming the victim’, ook wel schuldomdraaiing genoemd. Een fenomeen dat volgens wetenschappers de kop opsteekt wanneer we niet kunnen aanvaarden dat de wereld onrechtvaardig of onoverzichtelijk is. Wie het ideaalbeeld verstoort, krijgt de schuld: had hij maar beter in het plaatje moeten passen.

De plannen van minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open VLD) om bedrijven te beboeten die geen inspanningen leveren om langdurig zieke werknemers weer aan het werk te helpen, zijn een stap in de goede richting. Maar een minister van een partij die bij uitstek denkt in hardwerkende en minder-hardwerkende Vlamingen zal niet bij machte zijn de complexiteit van het probleem te zien en het slachtoffer uit de wind te houden.

Deze column verscheen op vrijdag 24 februari 2017 in De Standaard.

De totstandkoming van een en al projectie

Voorkennis gewenst? Lees het verhaal Wat je verliest als je geen kinderen krijgt

Het waren die spullen. Als ik in bed lig zie ik bovenop de klerenkast dozen vol verleden. Meestal staar ik gewoon wat naar die dozen, maar soms denk ik erdoorheen. Dan probeer ik me voor te stellen wat erin zit – dagboeken, foto’s, brieven, bewijzen van mijlpalen, oude dreads, polsbandjes van festivals en andere rekwisieten van een vervlogen leven – en dan vraag ik me af of de inhoud eigenlijk niet weg kan, en zo nee, wat ik er dan ooit nog mee zou doen, en zo ja, of ik dat zou kunnen, al mijn tastbare herinneringen bij het vuil zetten, en zo nee, wat dat over mij zegt, en zo ja, wat dat over mij zegt …

Dus het waren die spullen waardoor ik me begon af te vragen wat het betekende om geen kinderen te krijgen. Ooit waren die dozen een keuze voor mijn nageslacht: snuisterpotentie voor de liefhebber en in geval van desinteresse wegsmijtbaar. Nu ik geen kinderen zou krijgen, waren het veel meer gewoon dozen, met papieren, onleesbare handschriften, oud zeer, te weinig tijd om dat ooit allemaal nog eens te bekijken, en wat – moet – ik – er – in – hemelsnaam – mee.

Snuisterpotentie

Ik realiseerde me dat er eigenlijk niks was veranderd: ik lag in bed, ik had geen kinderen, die dozen stonden daar. Net als toen ik ze vulde. Alles was hetzelfde en toch was er iets veranderd. De dozen hadden hun snuisterpotentie verloren. In de dagen erna vroeg ik me af of het voor meer dingen gold, dat er door geen kinderen te krijgen niks was veranderd, maar dat er tóch iets was veranderd. Ik kwam tot de conclusie dat er eigenlijk best veel voorbeelden waren.

Ergens begin november vorig jaar schreef ik de eerste versie van het artikel dat vorige week in Volkskrant Magazine verscheen. Ik liet het aan mijn geliefde lezen en hij vond het mooi, raak en herkenbaar. Ik dubde of ik het op mijn website zou zetten, maar omdat ik al twee verhalen over ivf voor Volkskrant Magazine had geschreven, was het ook een optie het aan hen aan te bieden. Ik talmde nog wat: wie zat er te wachten op mijn persoonlijke gepeins over zoiets abstracts als verlies wanneer je er iets niet bij krijgt? Maar in december las ik het stuk nog eens en ik dacht: het is eigenlijk best mooi geschreven, en nou ja, hup, op hoop van zegen dan maar. Volkskrant Magazine reageerde enthousiast. Tot zover de aanloop.

Beduusd

Vorige week kreeg ik een mailtje. Dat het stuk zou verschijnen en of ik een exemplaar wilde ontvangen, dan had ik het misschien ook op de dag van publicatie, net als de Nederlanders. Vrijdag lagen er twee exemplaren in de bus met een briefje van de hoofdredacteur dat ze elk woord van het voorwoord meende.

Ik bladerde argeloos naar het voorwoord.

Ik was urenlang beduusd en omdat mijn week een aaneenschakeling van rotdagen was geweest, maakte mijn sombere hoofd kortsluiting. Het verhaal was prachtig geïllustreerd, het had een mooie plaats in het blad en het werd op de voorpagina ‘angekeild’. Kortom, van een losse gedachte, starend naar de dozen in bed, was het een succesverhaal geworden. En hoewel ik me complimenten heel slecht eigen maak, raakte ik er wel hyper van.

De volgende ochtend kon de rest van Nederland het lezen en dat werd gretig gedaan, bij het ontwaken was het al een van de ‘trending’ artikelen op Blendle en dat bleef het de hele week en er lagen al vroeg een stuk of wat mails. De eerste berichtjes waren overwegend kort, dankbaar, complimenteus en hartelijk. Ze kwamen van impulsieve mensen die zo vroeg al even wilden laten weten dat ze om wat voor reden dan ook blij waren met mijn stuk. In de loop van de zaterdag kreeg ik langere mails van lezers die het door hun hoofd hadden laten spelen en er nu wat dieper op ingingen, die vragen stelden, kanttekeningen plaatsten, maar die meestentijds toch vooral hun dankbaarheid en waardering uitspraken. Die zaterdag ontving ik honderden mails en berichtjes op sociale media, voor en achter de coulissen. Gelukkig overwegend positief, met een enkele valse noot. ’s Avonds kwamen de langste brieven, van mensen die er vermoedelijk toen pas rustig voor konden gaan zitten, of die de dag nodig hadden gehad om te bedenken wat ze ervan vonden, of die hun emoties net weer de baas waren. Dat waren lange teksten met levensverhalen, fertiliteitsgeschiedenissen, doorwrochte analyses, en niet zelden veel doorvoelde pijn.

Projectie

Toen ik naar bed ging en naar de dozen keek, waaide het in mijn hoofd. De dozen waren geen dozen meer, maar ook niet de vervlogen droom waarover ik schreef, het waren dozen van Pandora geworden, met levensverhalen van mensen van Ameland tot Vlissingen, met een kakofonie van de pijn van de ongehoorden, met een spiegelpaleis aan reflectie. Want dat was wat ik leerde: de reacties op dit stuk waren grotendeels projectie.

Ik ontving dankbare reacties van mensen met kinderen, mensen zonder kinderen, gewenst kinderlozen en ongewenst kinderlozen. Ik ontving brieven van mensen die zich gesteund voelden, die zeiden nu eindelijk mensen in hun omgeving te begrijpen, hun vriendin, hun zoon, hun collega, hun broer, mensen die zich helemaal herkenden, of maar deels, of helemaal niet. Mensen die niet gelukkig waren met hun kinderen, maar daar nu wat genuanceerder over dachten, of mensen die langzaam dreigden te vergeten wat een zeldzaam geluk het ouderschap kan zijn, mensen die me wilden helpen, wilden steunen, die me ivf-klinieken, therapieën, handboeken of lotgenotengroepen adviseerden. Mensen die zich zorgen om me maakten, die zeiden dat ik het niet zo donker moest zien, dat het leven heus nog wel wat voor me in petto zou hebben, mensen die niet wisten wat ze voelden, maar door mijn stuk ineens wel, mensen die nog kwader werden omdat niemand ze begreep, omdat niemand ze ooit vroeg wat ze meemaakten, mensen die het niet zo beleefden, maar door mijn stuk inzagen dat hun vrouw het misschien wel zo ervaarde. En een enkeling reageerde negatief: wat een egoïstisch stuk, of: dit geldt niet voor iedereen. En een journaliste met 8000 volgers op Twitter vroeg zich hardop af of ik niet véél te veel verwachtte en of die kinderen niet erg veel hadden moeten goedmaken.

Zondag bleven de reacties door druppelen, niet iedereen leest het Magazine op zaterdag. Ik was duizelig, want ik had besloten dat je bij zo’n onderwerp niet kunt doen alsof je neus bloedt, al die mensen die hun hart uitstorten en hun diepste gedachten delen, die kun je niet negeren. Dus op elk serieus te nemen bericht, reageerde ik. Maar toen ik dat besloot, wist ik natuurlijk nog niet dat me zo’n karrenvracht aan persoonlijke berichtjes te wachten stond. Ik kwam er gedurende het weekend ook steeds meer achter dat het spookte op mijn mailserver en dat het maar de vraag was of de reacties aan mij, maar ook mijn zo zorgvuldige geformuleerde replies, überhaupt probleemloos door het sijberse zouden gaan.

Die middag belde De Standaard, of ze mijn stuk in een kortere versie ook mochten plaatsen. Ik zei ja. Het artikel zou dinsdag verschijnen. De hele zondag en maandag kwamen er berichtjes binnen, terwijl mijn mailprobleem voortduurde, dus wat arriveerde was waarschijnlijk nog niet eens alles. Ik raakte langzaamaan wat reactiemoe. Van een artikel dat ontstond door een interessante en wezenlijke vraag, liggend in bed, starend naar die dozen, was dit ineens een product dat me boven het hoofd groeide. Ik was losgezongen van het spectrum waarop ik de reacties kon aftekenen. Ik had zelf niks meer te maken met de tekst, met de gedachten die ik had samengebald in zo mooi mogelijke zinnen. Het waren wezensvragen die al maanden als een computerbestandje binnen handbereik lagen, maar die ik mede daarom niet meer in mijn hoofd had. Ik was klaar met die gedachten, ze waren afgegraasd, afgerond; prima gedachten, niks meer aan doen.

Kutreacties

Fast forward naar dinsdagochtend. Met angst en beven opende ik bij het ontwaken mijn mail. Had de publicatie in De Standaard de kraan weer opengezet? Ik had al vaker ondervonden dat Vlamingen niet zulke brievenschrijvers zijn als Nederlanders, maar aangezien ik hier ooit in de zwartepietendiscussie verwikkeld raakte, weet ik dat ook een Vlaming zich soms gretig op de auteur van een artikel werpt. Maar nee hoor, er lag niks. Opgelucht begon ik aan de dag, maar die opluchting was van korte duur. Mijn mailbox haalde stotterend berichten binnen, niet zo veel als zaterdag, want het spook op de mailserver had een actieve dag, maar omdat De Standaard het bericht op Facebook plaatste en er dus via FB-message en Twitter-dm ook veel binnenkwam, zwelde de kakofonie toch weer aan. De mails en persoonlijke berichten waren natuurlijk moeilijk te mijden, maar de rest van de reacties besloot ik niet op te zoeken. Edoch, omdat het Facebook-algoritme veronderstelt dat ik geïnteresseerd ben in artikelen geschreven door ene Maartje Luif botste ik op de reacties op een artikel door haar geschreven. En die reacties waren deels opnieuw dankbaar en complimenteus, maar voor een veel groter deel dan zaterdag waren ze ook vrij giftig. Ik sloot het FB-scherm snel, maar helaas waren er toch al een stuk of wat nasty zinnetjes op mijn netvlies blijven plakken.

Ik had die dag een deadline, dus ik moest alle humbug uit mijn hoofd zien te verdrijven, met als gevolg dat ik na een uurtje besloot de geniepige stemmetjes die de kutreacties op mijn stuk in mijn hoofd hadden achtergelaten de mond te snoeren met een FAQ die ik op Facebook plaatste. Ik deed een greep uit het scala aan venijn en reageerde erop. Niet dat de critici het ooit zouden lezen, maar dan was het van mijn hart.

FAQ

Q: ‘Is die vrouw 43? En die denkt nog steeds dat kinderen de zin van het leven zijn?’
A: Nee, dat denk ik niet en dat staat ook niet in het stuk.
Q: ‘Wat een egoïstisch artikel.’
A: Yup, als je reflecteert op wat je in je persoonlijk leven mist, dan is een vleugje egoïsme onvermijdelijk.
Q: ‘Ik snap niet dat zo iemand niet een kind adopteert.’
A: Welnu, ik sta hier niet alleen in, ik heb een man. Die heeft ook nog dingen in te brengen. Bovendien is het voelen van een gemis niet afhankelijk van de bereidheid tot het aangaan van een ander avontuur. Daarnaast onderschatten de roepers aan de zijlijn de impact van een ellenlange fertiliteitsbehandeling. In de slipstream daarvan een adoptieprocedure beginnen, is niet iets dat je zomaar even doet.
Q: ‘Die verwachtte wel veel van kinderen, ze moesten wel erg veel voor haar goed maken.’
A: In een eerder stuk schreef ik over de duizend kanten van de medaille van mijn kinderwens. Dat stuk verscheen twee jaar geleden in Volkskrant Magazine. Daarin kun je lezen dat mijn verwachtingen nogal getemperd waren.
Q: ‘Ik herken er niks in, waarom staat er dan zo’n kop boven?’
Dat kan. Koppen zijn vaak generaliserend. Die kop is voor de welwillende lezer vermoedelijk best duidelijk.
Q: ‘Belachelijk stuk, ik herken me er helemaal niet in. Ik heb het gevoel dat ik alleen maar heb gewonnen.’
A: Ik had waarschijnlijk met evenveel liefde het verhaal Wat je wint als je geen kinderen krijgt, kunnen schrijven. Het is niet of-of, maar en-en. Dit was de invalshoek van dit verhaal, volgende keer weer een andere invalshoek.
Q: ‘En zij wil nu nog kinderen? Zo oud?’
A: Nope. En dat staat ook nergens.

Ziezo. Dat lucht op. Nog meer vragen?

Het klinkt gemakkelijk gezegd, maar het luchtte echt op. Ik was dan wel losgezongen van het verhaal en van alle mogelijke manieren om ernaar te kijken, maar ik verinnerlijk kritiek veel sneller dan complimenten, dus het was zaak om zo snel mogelijk korte metten te maken met de stemmetjes in mijn hoofd. De FAQ hielpen geweldig. Ik was het kwijt. DOEI!

Reactieproof

Tot op de dag van vandaag krijg ik reacties binnen, sommige mooi, sommige lelijk. In de Volkskrant van vandaag werd de brievenpagina geopend met een kutreactie. Heel even was ik verontwaardigd: 95 procent van de reacties op het stuk in VK Magazine was positief, waarom zou je dan alleen een negatieve brief plaatsen? Maar toen dacht ik aan het voorwoord van Corinne, dat was de ene kant van het spectrum, het was logisch dat ze daar nog een andere kant tegenover zetten.

Nu de week weer wat verder is, ik de meeste deadlines heb gehaald en ik in staat ben terug te kijken, ben ik niet meer reactiemoe, ik ben vooral reactieproof. Én blij dat ik voor honderden mensen een waardevol en in sommige gevallen razend belangrijk stuk heb geschreven

Iedereen die me dat liet weten: bedankt.

Wat je verliest als je geen kinderen krijgt

Illustratie: Krista van der Niet

Na een reeks onsuccesvolle ivf-behandelingen en de beslissing daarmee te stoppen, neemt schrijver Maartje Luif (43) de schade op.

1. De zin van het leven?

Mijn beste vriend besloot zo’n twaalf jaar geleden iemand te zoeken die zaad van hem zou willen hebben om zo de zin van zijn bestaan te verankeren. Na vijftig jaar was hij ervan overtuigd dat je níét voortplanten het meest zinloze was dat je kon doen, en dat zat hem niet lekker. Omdat hij geen vaste relatie wilde, leek zijn zaad ter beschikking stellen de enige logische optie. Zo gezegd, zo gedaan. Na enig speurwerk besloot hij bij te dragen aan het gezinsgeluk van twee vrouwen die hij via via had leren kennen. Zijn dochter is nu 11.

De gesprekken die we voerden over zijn motieven raakten me diep. Ik was destijds nog getrouwd met iemand die gesteriliseerd was, dus elk argument dat hij aandroeg vóór voortplanting maakte mijn leven zinlozer. Natuurlijk pareerde ik zijn betoog door zo nu en dan iets te roepen over de overbevolking of door de zinloosheid überhaupt van het leven aan te stippen. Maar als het uitgangspunt van het gesprek is dat alleen voortplanting een mens werkelijk drijft, dan zijn particuliere filosofietjes volkomen irrelevant.

Inmiddels ben ik een scheiding, een nieuw huwelijk, een reeks ivf-behandelingen en de beslissing om geen kinderen te krijgen verder, en de gesprekken zingen nog steeds rond in mijn hoofd. Want als hij gelijk heeft, dan is mijn kinderloze leven zinloos. En als hij ongelijk heeft, is de vraag wat dan wél de zin van het leven is aan de orde. In beide gevallen is de zin van het leven ver uit het zicht verdwenen.

2. Een motief om in leven te blijven

Uiteraard zijn er uitzonderingen, maar toch: het leven lijkt meer waard te worden als er een nieuwe generatie bij komt. Veel ouders stoppen met roken als ze een kind willen of krijgen en blijven minder roken en drinken zolang ze hun nageslacht als voorbeeld dienen. Ze besluiten de K2 maar niet te beklimmen, omdat ze hun kroost willen zien opgroeien en zich verantwoordelijk voelen. De kinderlozen daarentegen moeten hun doodsangst halen uit de liefde voor… ja, voor wat? Voor zichzelf? Voor hun leven?

Godzijdank heb ik een partner voor wie ik in theorie met liefde overeind blijf. In theorie, want in de praktijk is een lichte neiging tot zelfdestructie mij niet vreemd. Op de momenten dat ik al mijn zelfbeheersing in de strijd moet gooien, benijd ik iedereen met een hoger doel dan dat miezerige ‘zelf’. Dan zou ik willen dat mijn stofwisseling mij ook in de richting van verantwoordelijkheidsgevoel dirigeerde, maar er lijkt geen stofje zo’n sterk verantwoordelijkheidsgevoel op te wekken als het stofje dat kinderen teweegbrengen.

Begrijp me niet verkeerd: ik neem me dagelijks voor me op eigen kracht met het leven te verzoenen. Maar het gevoel daarvoor twee keer zo hard te moeten werken als iemand met een levensvervullende buitenboordmotor is hardnekkig. Wat weer het vermoeden bevestigt dat voortplanting inderdaad de zin van het bestaan is.

3. EEN REDEN OM TE BEWAREN

Mijn moeder maakte tientallen fotoalbums voor haar kinderen en mijn beide ouders zijn van het type ‘ooit ga ik die dozen opruimen’. Ik combineer die genen met het schrijverschap. Mijn archief barst uit zijn voegen en ik bewaar voortdurend spullen waarvan ik me afvraag: voor wie?

Vroeger kon ik nog zeggen: voor mijn kleinkinderen. Nu denk ik in arren moede aan archeologen en wetenschappers, maar dat is niet lang vol te houden, want welke navorser zit er in hemelsnaam op mijn rommel te wachten?

De vraag wordt onvermijdelijk: wat heeft het voor zin spullen te bewaren? Niemand gaat mijn kleren dragen, zoals ik de psychedelische paars-oranje ribfluwelen jurkjes van mijn moeder droeg. Niemand zal de door de tand des tijds getekende foto’s van mijn opa en oma liefdevol bestuderen om er de kaaklijn of jukbeenderen van zichzelf in te herkennen. Niemand zal mijn vroegste liefdesbrieven met een mengeling van gêne en nieuwsgierigheid proberen te ontcijferen. Alles wat ik bewaar, is vooral een immense opruimtaak voor mensen die nooit zo betrokken zullen zijn als mijn kinderen zouden zijn.

In verhalen met tips voor kinderlozen wordt altijd benadrukt dat je ook van betekenis kunt zijn voor andermans kinderen. Dat is waar, maar dat zijn geen kinderen binnen handbereik. Het zou een fikse investering vergen om met andere kinderen zo’n band te krijgen dat ze staan te springen om mijn doos met vijftig dagboeken.

4. EEN KANS OM JE LEVEN TE HERBELEVEN

Mijn leven was een hell of a ride en ik ben vergeetachtig, met als gevolg dat ik veel dingen die ik leuk heb gevonden gewoon niet meer weet. Of het nu gaat om emoties, kennis of belevenissen: er was te veel om te onthouden en zolang die anekdotes niet toevallig weer voorbijkomen, zullen ze in de vergeetput van mijn herinnering tot stof vergaan.

Daarom kan ik jaloers zijn op ouders die hun staartdelingen vanonder het stof mogen halen om hun zoon of dochter met het huiswerk te helpen, die betrokken worden bij schoolpleinperikelen en die mogen nadenken over de inrichting van een studentenkamer.

Ik leen die herkenning nu bij anderen. Als ik een bevriend kind leer schaken en zie hoe het de paardensprong moet uittellen, weet ik weer hoe ik die zelf in het begin ook niet in één oogopslag zag. Als ik mijn nichtje hartjes zie typen naar haar verkering, weet ik weer hoe onvoorstelbaar belangrijk hartjes zijn voor een tiener. Als ik mijn petekind zie zitten op het ministoeltje waar ik ooit op zat, voel ik weer even de afdruk van het riet in mijn billen. Maar dat zijn incidenten, een grondige herbeleving van alle levensfasen zal aan mij voorbijgaan. Dat voelt als een verlies.

5. EEN MANIER OM DE WERELD TE CORRIGEREN

n het verlengde daarvan ligt het gevoel je idealen niet te kunnen uitdragen. Ik kan me voorstellen dat het voldoening geeft om je kinderen te vertellen waar de wereld beter van wordt. Helemaal als ze thuiskomen en iets idealistisch hebben gedaan – alsof je toch niet helemaal verstoken bent van invloed op de wereld. Want er worden zelden vraag-tekens geplaatst bij de bijdrage van kinderen aan de wereldvrede, terwijl de idealen van een volwassene voortdurend ten prooi vallen aan de vurige wens tot ontmaskering. Ben je niet hypocriet? Gekleurd? Ongeïnformeerd? Als kinderloze moet je je optimisme tegen de klippen op wegnuanceren, als ouder kun je het gevoel hebben dat er toekomst zit in wat jij belangrijk vindt.

6. AANSLUITING BIJ JE GENERATIE

Vrijwel al mijn vrienden van mijn leeftijd of ouder hebben kinderen, behalve ik. Er zijn er veel met onorthodoxe gezinsomstandigheden, maar er is in meer of mindere mate nageslacht, wat betekent: schoolse ritmen, volle weekends, beheerste uitspattingen en één focus: de kinderen veilig naar hun volwassenheid escorteren.

Dat vergt tijd. Tijd waarin ik ze niet zie en die ik alleen of met mijn man doorbreng. Gelukkig kan ik goed alleen zijn en ben ik graag met mijn man; die behoefte aan afzondering ligt mede ten grondslag aan mijn besluit de komst van een kind niet langer te forceren. Maar dat er een reeks babysitters aan te pas moet komen om het gesprek met mijn vrienden gaande te houden, heeft iets beklemmends.

7. KLEINHEID

Het leven van de kinderloze draait om wezensvragen. Er zijn te veel uren in de dag van de efficiënte volwassene om je te kunnen beperken tot elementaire zaken als slapen, eten en werken. Dus vraag ik me tot vermoeiens toe af wat ik zal doen met mijn tijd. Gelukkig heb ik een bewerkelijke kat en een tijdrovende schrijfhobby, maar een goede reden om het leven terug te brengen tot billen afvegen, cocktailprikkers in kastanjes pieren en wat neuriën naast een kinderbed, heb ik niet. Zoals het als niet-roker vreemd is op een feestje elk uur naar buiten te gaan, voelt het als kinderloze geforceerd strijkkralen, Electro of een adventskalender in huis te halen. Ik heb nu eenmaal weinig reden mijn volwassen sores te doorkruisen met al te simpele waaromvragen of monsters onder het bed. Terwijl dat soort kleinheid een prima antigif is tegen al te grote gedachten.

Natuurlijk weet ik dat ouders dit kunnen omdraaien: wij hebben nooit meer tijd voor wezensvragen! Ik begrijp dat dat misschien nog wel erger is. Maar de gelegenheid om je gepieker dagelijks door de verhakselaar van de kleinemensenproblemen te halen, is een zegen die ik als kinderloze met enige jaloezie aanschouw.

Hoewel ik nog elke dag pal achter mijn beslissing sta niet langer nageslacht te forceren, realiseer ik me steeds vaker dat het niet alleen een kwestie is van iets niet krijgen, wat veronderstelt dat de status quo gehandhaafd blijft. Nee, het is ook een kwestie van iets verliezen: motieven, drijfveren, inclusiviteit, belang en toegang tot de allerkleinste en allergrootste dingen des levens. Door niet met kunst- en vliegwerk een volgende generatie in elkaar te willen zetten, plaatste ik mezelf in een klap buiten een wereld die doorgaans wordt beschouwd vanuit het gezinsperspectief. Een wereld waarin wetten, gesprekken en verhalen draaien om een meerderheid van mensen met kinderen of mensen met nóg geen kinderen. Daar niet bij horen, vergt autonomie en acceptatie. Ik kan me voortaan nog aan weinig mensen spiegelen en in weinig verhalen herkennen. Door mijn beslissing voor een kinderloos bestaan word ik teruggeworpen op een keur aan wezensvragen, mede omdát er geen afleiding door mijn huis kruipt. En een leven zonder afleiding mag dan wel voorgoed om mij draaien, de wereld draait helaas nauwelijks om mensen zoals ik. Sinds ik mij niet verdubbelde, sta ik er meer dan ooit alleen voor.

Dit artikel verscheen op zaterdag 18 februari in Volkskrant Magazine en op maandag 20 februari in een kortere versie in De Standaard.

Problemen met de e-mail

Heb je de afgelopen paar dagen een e-mail naar me gestuurd – rechtstreeks of via deze site – en heb je geen antwoord van me gekregen? Dan is de kans groot dat je mail niet bij mij is aangekomen. In theorie zouden alle mailtjes nu weer moet arriveren, dus je kunt je bericht het beste even opnieuw verzenden.

Alvast bedankt,
Maartje

Uitputting is een middel

‘Ik vertrouw niemand nog’, zei een vriend laatst tegen me. ‘De kranten, het televisiejournaal, politieke partijen waar ik ooit op stemde, niemand.’
‘Je bent ge-gaslight’, zei ik.
‘Ge-wat?’
‘Ge-gaslight.’
Het woord gaslighting komt uit het toneelstuk Gas Light, dat beroemd werd dankzij een film met Ingrid Bergman uit de jaren veertig. In dat stuk zorgt een man dat zijn echtgenote begint te twijfelen aan haar waarneming en haar beoordelingsvermogen, doordat hij voortdurend kleine dingen in huis verandert – waaronder de sterkte van het gaslicht – en vervolgens ontkent dat ze veranderd zijn. De psychologie adopteerde de beeldspraak en definieert gaslighting als een vorm van mishandeling, meestal in relaties, waarbij de dader net zo lang manipuleert en desinformatie verspreidt tot het slachtoffer niet meer weet wat waar is en wat niet. In politieke context duidt het woord op het gekonkel en liegen van leiders en opiniemakers, waardoor de toehoorders alleen nog maar twijfelen aan vermeende waarheden.

Maar godzijdank bent u niet ‘ge-gaslight’, want u leest dit. U bent nog niet afgehaakt, moe gebeukt en murw geslagen door de constante stroom halve, hele en alternatieve waarheden die dezer dagen de ronde doen. U bent bereid om een krantenkop te lezen als ‘Homans ziet armoedecijfers dalen… ze is de enige’ en u staat er niet meer van te kijken dat de Trump-entourage op de vraag waarom de president zo vaak liegt, antwoordt: ‘Maar de president zegt ook veel dat wel waar is.’ Intussen zet u zich schrap voor opnieuw een fact check die korte metten maakt met een nieuwsbericht dat u gisteren nog geloofde. U sloeg deze krant open terwijl de epidemie van ‘wat kan ik nog geloven?’ om zich heen grijpt. U zocht dekking en laat uw ogen rusten op mijn woorden. Zak niet weg in apathie. Blijf erbij. Lees, luister, kijk!

Want uitputting is een middel. Het is niet alleen een gemoedstoestand waarin u de krant dicht laat, een blanco stem uitbrengt en elk gesprek over politiek zuchtend verlaat, het is ook een instrument van de onverschrokkenen, de nietsontzienden en de machtsbelusten. In een voortdurend veranderende onbegrijpelijke wereld heeft het bedwelmen van het volk met halve en hele leugens het effect dat u – het volk – tegelijkertijd alles en niets gelooft, en dat u denkt dat alles mogelijk is en niks nog waar. Zo beschrijft filosofe Hannah Arendt het effect van de leugenfabriek van totalitaire machthebbers in haar boek Totalitarisme. Verwarring als methode van de macht om de waarheid te ontdoen van alle waarde.

In de psychologie zal de therapeut adviseren om de gaslighter te mijden. Kun je scheiden? Vertrekken? De leugens negeren? Doen! Maar in het geval van democratisch gekozen politici die de waarheid herdefiniëren, is dat moeilijk. Je kunt immers niet weg. Bovendien is niet-verdraaide informatie essentieel voor het democratisch proces. Het tweede advies van een psycholoog zou dan zijn: verzamel contraverhalen. Zoek naar bronnen en ooggetuigen die je het vertrouwen in je waarneming, je gezond verstand en jezelf teruggeven. De vraag is: hoe doe je dat bij een clusterbombardement van al dan niet waarheidsgetrouwe berichten? U kunt niet zelf alle feiten checken, elke bron beoordelen en elk gerucht controleren. Gelukkig is daar iets op gevonden: gediplomeerde navorsers, ook wel journalisten genoemd.

Maar wat als u die ook niet meer vertrouwt? Omdat journalisten de plank wel eens misslaan. Omdat niet alle media zelfkritisch genoeg zijn. Omdat de Amerikaanse president het heeft over de meest onbetrouwbare mensen op aarde. Omdat de staatssecretaris van Asiel- en Migratie op zijn twitteraccount verschillende nieuwsmedia door een badje van afgrijzen haalt. Omdat uw gaslighters ook de nieuwsorganisaties in twijfel trekken. Omdat ze de boodschapper als dader aanwijzen, ook als dat niet terecht is.
Bedenk dan: journalisten zijn misschien soms de dader, maar serieuze nieuwsmedia zijn bovenal slachtoffer, want contraverhalen ridiculiseren is een symptoom, en de uitputting die volgt, is een middel.

Dappere lezer, u bent nog niet besmet, want u heeft deze laatste alinea bereikt. U zoekt contraverhalen, u informeert zich en u geeft niet op, want u weet: uitputting is pas een middel als u dat toelaat. Ik ben u dankbaar voor uw volharding. Houd stand en lees een krant!

Tweewekelijks op vrijdag verschijnt er een column van mij in De Standaard. Deze (eerste) column verscheen op vrijdag 10 februari 2017.