/ september 7, 2005/ Stukjes in het wild/ 0 comments

‘Maar waar poept‐ie dan?’, vroeg Dwarzand toen ik hem over Sloefke vertelde.
‘Volgens mij doet‐ie dat op het balkon van de buren’, zei ik giebelig.
‘Oh, dan is het goed. Ga je geen kattenbak neer­zet­ten?’
‘Jawel’, zei ik. ‘Ik moet mijn buren te vriend houden.’

Gis­ter­mid­dag kocht ik kat­ten­grid en wat voer. Sloefke had immers recht op meer dan een boter­ham­me­tje met ham als avondeten en het balkon van de buren als kattenbak.
Toen ik thuiskwam met de bood­schap­jes die ik notabene voor hém had gedaan, trof ik een paar drol­le­tjes in de kamer. ‘Eigen schuld’, zei ik tegen mezelf. Had ik maar eerder een kattenbak moeten neer­zet­ten. En dat van dat balkon van de buren was natuur­lijk hart­stik­ke wishful thinking.

Naast de drol­le­tjes lagen wat kleren. Ik rook eraan, meende kattenpis te ruiken en duwde de kleren in de was­ma­chi­ne. Ik fronste en keek Sloefke indrin­gend aan. Ik wist dat er nu een opvoed­rie­del nodig was, hoewel Sloefke het eigenlijk niet kon helpen, want er was geen kattenbak. Maar toch. Nú was er wel een kattenbak en dús was een stevige opvoed­rie­del geboden.

Ik keek Sloefke boos aan, verhief mijn stem, priemde mijn wijs­vin­ger in zijn richting en stuurde hem met drol en al naar zijn nieuwe kattenbak. ‘Kijk Sloefke, dit is JOUWWWW drol en die hoort HIEEEERin!’ Ik probeerde hem naar de kattenbak te laten kijken, maar hij draaide steeds zijn hoofd weer naar mij. ‘Mieuw’, zei hij en hij gaf me een kopje.

Niet veel later ging de bel en had ik ont­zett­ten­de spijt dat ik zo voort­va­rend zulke mooie pos­ter­tjes op bomen had zitten prikken. Sloefke werd opgehaald.

Toen Sloefke weg was, ging ik zitten. Ik kon even helemaal niets meer. Ik was leeg. De kamer was leeg. Mijn oog viel op de kattenbak met drie drol­le­tjes ter grootte van een stel aardbeien. Drol­le­tjes die ik er godbetert zelf had ingelegd. A waste of kattenbak, dunkt me.

Ik stond op. Weg bij de kattenbak die me aan Sloefke deed denken.
Ik deed mijn dingetjes. Smeerde lusteloos een boterham als avondeten, zapte wat, con­sta­teer­de dat er niks op tv was, draaide een muziekje, bladerde wat in de krant. Kortom: ik deed niks.

Terwijl ik niks zat te doen, kwam er ineens een zweempje poep in mijn neus. Het was slechts een zweempje, maar onmis­ken­baar: poep.
Huh?, dacht ik. Hoe kan dat nou? De kattenbak staat op het balkon en de deur is dicht. Ik keek onder mijn bureau, onder de stoel, achter de kachel, op de stoel, in mijn bed: niks. Nergens niks.

Inmiddels was het zweempje ook weer even verdwenen, dus ik ging verder met niks doen. Na opnieuw een tijdje niks doen, was het er weer. Dat zweempje.
Getver!, dacht ik. Ineens vond ik mezelf heel zielig. Kat weg. Ik ver­drie­tig. En dan: poep. Vieze, gore, smerige kat­ten­drol­len. Niet de lusten, wel de lasten. Da’s hart­stik­ke oneerlijk.

Ik ging op de grond liggen, speurde het oppervlak af -wroem, wroem, onderzeeër‐ en snoof nog eens diep. Ver­vol­gens kroop ik als een speurhond over de vloer, steeds maar snuivend. Fuck, wat was het goor. Naarmate ik een groter deel van de vloer met mijn lijf had gedweild, leek ik steeds dichter bij de bron van de geur te komen. Het zweempje werd een vieze, dikke, vette zweem en toen ik mijn ogen weer open deed, lag ik voor de was­ma­chi­ne.

De kleren waarin ik een paar uur eerder kattenpis meende te ruiken waren zojuist gewassen met… juist, kat­ten­drol­len.
In de rubberen ring lagen twee klei­ach­ti­ge drol­le­tjes die zo‐even het programma gemengde weefsels op veertig graden let­ter­lijk glansrijk hadden overleefd. Uit de trommel steeg een lucht op die zijn weerga niet kent. Stel je tachtig kat­ten­bak­ken in een Turks stoombad voor en je komt in de buurt.

Ik keilde de drol­le­tjes in de plee, gooide het vakje voor was­ver­zach­ter nog eens goed vol en draaide de was opnieuw.
Ruim een half uur later, ik zat wederom helemaal niets te doen, kwam die zweem weer.
Ik brieste, verweet mezelf dat het tussen de oren zat, maar ging voor de zekerheid toch maar eens in de was­ma­chi­ne kijken. En ja hoor: deze keer lagen er vier drol­le­tjes in de rubberen ring. Ik werd gek. De geur in de was­ma­chi­ne was werkelijk niet te harden en ik had het gevoel dat ik voor eeuwig en altijd ach­ter­volgd zou worden door Sloefkes drol­le­tjes.

Hoe dan ook, voor eeuwig of niet, die geur moest weg. Het idee de was uit de was­ma­chi­ne te moeten halen om te con­tro­le­ren of Sloefke nog meer drol­le­tjes had ach­ter­ge­la­ten, maakte me zo misselijk dat ik besloot de gok opnieuw te wagen. Ik nam liever het risico veertien keer datzelfde wasje te moeten draaien en nog 172 drol­le­tjes uit de rubberen ring te moeten graaien, dan dat ik al kok­hal­zend die stink­kle­ren aan een nadere inspectie zou moeten onder­wer­pen.

Nu, na een halve fles was­ver­zach­ter en vijf keer het programma gemengde weefsels op veertig graden, waarvan twee keer op de 44 minuten‐stand, lijkt de zweem van Sloefkes drollen verleden tijd. En nog steeds ben ik helemaal niet blij dat ze weg is.

Om vrolijk te blijven, denk ik aan dat balkon van de buren.
En dat dat toch wel een goeie was.

De oude reacties op dit stukje kun je hier lezen. Nieuwe reacties mag je gewoon hieronder plaatsen.

Share this Post

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>