Gepiepeld

‘Maar, mevrouw, ik vind dat u nog ver­schrik­ke­lijk aardig reageert. Ik weet niet wat ík in uw geval precies had gedaan, maar dat ik uit mijn vel was gespron­gen staat vast. ’

Ik viel stil toen hij dat zei.
Deze snotaap aan de lijn bij Fortis vatte daar mooi wel even the story of my life in een paar zinnen samen.
Tsk.

Ik maakte me er van af met een ver­haal­tje over de jaren dat ik zelf op een stoel als de zijne zat. Jaren waarin ik gerou­ti­neerd kluitjes moest uitdelen, waarmee ik klanten ver­vol­gens op accurate wijze in het riet stuurde.
Boos worden had bij mij niet echt veel zin. Alle ver­woes­ten­de energie die de boze­rik­ken in mijn oor uit­stort­ten, belandde in mijn rap­por­ta­ge in één enkele zin: klant is boos. En dan maakte het echt niet uit of ik zojuist tien minuten achtereen voor stoephoer was uit­ge­maakt of dat iemand mij uiterst beheerst vertelde: ‘Mevrouw, ik ben wel een beetje boos.’
Klant‐ is – boos.

Daarom begreep ik hem en daarom had ik zo aardig gere­a­geerd. Zei ik. En hoewel er geen woord van gelogen was, loog ik toch.
Mijn geschie­de­nis in de ik‐ben‐maar‐een‐telefoniste‐en‐ik‐kan‐het‐
ook‐niet‐helpen‐industrie had maar zó weinig te maken met mijn aardige reactie. Het was veeleer een kwestie van gewoonte.

Ik ben gewend niet moeilijk te doen. Moeilijk doen was voor mietjes en alleen ándere vrouwen deden moeilijk. Ik niet. Moeilijke mensen moest je verre van je houden. Moei­lijk­doe­ne­rij was het aller­vies­te woord in mijn woor­den­boek.
En als ik eerlijk ben, pluk ik nog steeds de vruchten van die rigide weg van de minste weerstand. Ik heb mezelf aan­ge­leerd niet in de hoogste boom te zitten als dingen fout gaan. Niet moeilijk doen. Hondsmoe in een ver bui­ten­land en geen slaap­plaats kunnen vinden: helemaal aan mij besteed. Niet moeilijk doen. Huis aan stukken gezaagd als je terugkomt van vakantie: ik bleek een volleerd neuro­lin­gu­ïs­tisch pro­gram­meur: niet moeilijk doen. Geld op, finito, foetsie: mijn kin blijft fier omhoog. Enfin, een geweldige strategie.

Geweldig dus, maar ik ben er wél ziek van geworden. En het heeft twee jaar kwakkelen gekost voordat ik me rea­li­seer­de dat het ‘m daarin zit. In dat áárdig zijn. Dat pro­bleem­loos willen leven. Dat ver­goe­lij­ken van alles. Niks is erg, alles is goed en iedereen kan mij naaien, want ik zeg toch geen nee. Zoiets.

Maar bewust zijn is het halve werk en die jongen van de Fortis hielp mij vanmiddag een handje. Want eigenlijk zei hij natuurlijk:‘Zez! Wat heb je je weer vre‐se‐lijk laten piepelen.’

De oude reacties op dit stukje kun je hier lezen. Nieuwe reacties mag je gewoon hieronder plaatsen.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.