Sloefke

Eerst had ik een hoog‐sensitieve aan­loop­poes. Nu heb ik Sloefke.
Sloefke is een aan­loop­poes uit de bui­ten­ca­te­go­rie. Hij kwam van heel ver aanlopen, ver­dwaal­de en sloot zichzelf op. Dat is zelfs voor een aan­loop­poes een beetje gek, kortom: bui­ten­ca­te­go­rie dus.

Het ging als volgt.
Er werd op de deur geklopt.
De buurman van drie hoog.
‘Heb jij een poes?’, vroeg hij.
‘Nee’, zei ik.
‘Dat dacht ik al’, zei hij.
‘Wat dan?’
‘Er zit een poes in het trap­pen­huis en hij is van niemand hier in huis.’
‘Welke kleur heeft‐ie?’, vroeg ik.
‘Rood’, zei mijn buurman.
‘O, die komt uit de tuin’, zei ik gelijk.
Er zit dagelijks een rode poes in mijn blikveld. Op het ver­za­mel­dakje van de buurt­poe­zen.
‘Ik zou hem aan de ach­ter­kant eruit zetten’, voegde ik eraan toe.
Ik wilde de deur weer dichtdoen, toen de buurman zei: ‘Nou, dan moet‐ie maar klimmen’.

Klimmen? Van drie hoog naar beneden? Haha. Wat dacht‐ie wel niet. Haha.
‘Ik moet je teleur­stel­len’, zei ik, ‘ik denk niet dat een poes via de regenpijp naar beneden glijdt.’
Nu pas zag ik dat buurman nogal angstig keek.
‘Ben jíj een beetje handig met poezen?’, vroeg hij.
‘Nee, helemaal niet’, zei ik, maar tege­lij­ker­tijd kwam ik in beweging. Ik liep naar boven. Op de trap zag ik een grote, rode poes ineen­ge­krom­pen in een hoekje zitten.
Ik pakte ‘m kordaat op en hij liet het goddank toe.
‘Ik zet hem wel op mijn balkon’, zei ik tegen de buurman. ‘Van daaruit kan‐ie met gemak naar drie ver­schil­len­de tuinen en het ver­za­mel­dakje klimmen.’
De buurman keek mij niet‐begrijpend aan.
‘Laat maar’, zei ik, ‘ik heb een aan­loop­poes’.
De buurman keek nog waziger.
‘Nou, dag hoor’, zei ik, terwijl ik met de rode kat naar mijn balkon liep.
‘Dag’, zei de buurman. Ik meende een zucht van ver­lich­ting te horen.

Op mijn balkon ging de poes direct onder een stoel zitten. Bang, onder de indruk van de geuren, de kleuren en de geluiden die op hem afkwamen.
‘Ga maar, jochie’, zei ik. ‘Hup, ga nou maar.’
Maar de poes bleef zitten. In de hoogste staat van paraat­heid.
Langzaam begon mij te dagen dat deze poes misschien wel niet op bekend terrein was. Dat het misschien wel niet de bewuste rode poes was.
En ja hoor, even later zag ik de rode buurtpoes het ver­za­mel­dakje opkuieren. Hij leek niet eens echt op deze.

Daar zat ik dan. Met een over­tol­li­ge poes. Een poes die geen enkele aanstalte maakte mijn balkon te verlaten.
Ik liep naar binnen. De poes liep achter mij aan. En stiekem hou ik daarvan: poezen die bij je willen zijn. Dat heb je niet met hoog‐sensitieve aan­loop­poe­zen.
Binnen ging hij een een beetje de leuke poes zitten uithangen. Hij ging miauwen, kopjes geven, kunstjes doen, rollen, spelen en uit­ein­de­lijk met vrome pootjes op zijn rug in slaap vallen. Tsja, en dan ben ik dus verkocht.

Dus daar zit ik nu. Verkocht. Met een over­tol­li­ge poes.
Terwijl ik helemaal geen poes kan hebben. Ik ben veel te vaak weg
Maar ik heb hem al een naam gegeven: Sloefke.
En hij sliep vannacht naast me.
Op zijn rug. Oogjes dicht, pootjes bij­een­ge­vou­wen.
Zich niet bewust dat ik uren naar hem keek.
Verliefd.

Ik heb dus een serieus probleem.
Zeg eens: hoe kom ik ooit weer van Sloefke af?

Trouwens: mijn lief denkt aan de hand van de foto te kunnen zien dat het een mannetje is, en zijn formaat in com­bi­na­tie met zijn jeug­dig­heid doen dat ook inderdaad vermoeden. Wat denkt u?
En verder: ik noem man­ne­tjes­poe­zen steevast ook poezen, dus dan weet u dat daarover zeuren zinloos is.

De oude reacties op dit stukje kun je hier lezen. Nieuwe reacties mag je gewoon hieronder plaatsen.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.