Ik – heb – een – poezenlog (2)

Gegeven: onze poezen krijgen per dag – naast droogvoer – een half blik smur­rie­voer. De over­ge­ble­ven helft van het blik verdwijnt in de koelkast. De volgende dag krijgen ze de andere helft. Gevolg: de dag dat we een nieuw blik aanbreken, is het eten lauw, want zo’n blik komt uit de voor­raad­kast. De dag erna is het eten koud, want dan komt het uit de koelkast.

Vraag: zouden die katten daarop anti­ci­pe­ren? Zouden ze weten: gisteren was het eten koud, dus vandaag is het lekker warm? En zouden ze een voorkeur hebben?

Zie ook: Ik heb een poezenlog (1)

11 reacties

  1. Vrouwe Zezunja,
    Als kat­ten­fluis­te­raar ben ik de stellige over­tui­ging toegedaan dat poezen hun hapklare brokjes liever NIET uit de koelkast hebben. Dit heeft waar­schijn­lijk te maken met het feit dat het voedsel dat ze in de natuur vinden ook niet uit de koelkast komt.
    Het is mij al herhaalde malen overkomen dat poes het eten (uit de koelkast) eerst niet wilde opknagen, maar een kwar­tier­tje later dan weer wel, wegens niet meer zo koud.
    Dat van dat ‘anti­ci­pe­ren’, dat gelooft u toch zelf niet? Misschien, heel misschien, zien ze wel dat het deze keer uit de koelkast komt en dat het dus wel weer te fris zal zijn, maar anti­ci­pe­ren van ‘op pare dagen is het meteen eetbaar, op onpare moet je eerst een beetje wachten’, neen, dat zie ik niet zitten.
    Met vrien­de­lij­ke groeten.

  2. Michiel

    Kokend water? Auw! Hier gewoon wat warm water er op. Niet te veel anders wordt het soep en daar heeft 1 van onze katers een nog grotere gru­wel­he­kel aan dan aan koel­kast­koud poe­zen­vlees.

  3. “Misschien, heel misschien, zien ze wel dat het deze keer uit de koelkast komt en dat het dus wel weer te fris zal zijn…”

    M.a.w. de doc­to­ra­nus sluit geen link uit tussen visuele perceptie (open gaande koel­kast­deur) in het nu en daarop volgende ver­wach­tin­gen inzake gevoel­s­tem­pe­ra­tuur, res­pec­tie­ve­lijk gedrag (ff wachten met smikkelen en smullen).

    Hoe nu kan deze link plau­si­be­ler worden verklaard dan in termen van repetitie in het verleden, her­in­ne­ring en geheugen? Anders gefor­mu­leerd: zelfs de erudiete doc­to­ra­nus sluit poe­zen­ge­heu­gen niet expliciet uit, in tegendeel, poe­zen­ge­heu­gen is een impli­cie­te pre­sup­po­si­te van zijn sug­ges­tief betoog. Het is dan ook op zijn minst inco­he­rent en contra-intuitief om meteen daarna net te doen alsof Zez’s vraag naar het poe­zen­ge­heu­gen absurd en dwaas is. Kortom, of de conslusie nu waar of onwaar is, het argument deugt niet!

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.