Wat zou de eigenaar van mij denken? (2)

Dit is het vervolg op Wat zou de eigenaar van mij denken? (1)

Voor de deur stond een statige man die te oud was om te collecteren. Daarbij had hij geen collectebus en dat is in mijn ogen essentieel voor een collectant.
‘Mijnheer Die-en-die?’ vroeg hij, terwijl hij mij vorsend aankeek.
‘Uhm…, mijnheer Die-en-die? Nou, uh, nee… dacht ik zo.’ Ik vond het wat vaag. Het mocht toch duidelijk zijn dat ik mijnheer Die-en-die niet was.
Maar hij volhardde.
‘Mijnheer die-en-die?’
‘Nee, mijnheer Die-en-die woont hier niet’, zei ik.
Hij keek naar boven, naar de gevel, om te checken of hij wel bij het goede huis was, en keek me vervolgens verbouwereerd aan.
Plots begreep ik het. Hij was natuurlijk gewoon Franstalig en hij snapte mijn antwoord niet. ‘C’est numero vingtdeux’ zei ik, terwijl ik op het huisnummer wees. ‘Je ne suis pas monsieur Die-en-die.’
Ineens zei hij heel luid en verontwaardigd:
‘Maar wat doet u hier?!’
Ik kroop wat dieper in mijn omslagdoek en piepte: ‘Ik woon hier.’
‘En uw man?’, baste hij.
‘Mijn man is niet thuis, hij werkt, en hij is ook niet mijnheer die-en-die.’ Ik hield mijn omslagdoek over de hele breedte van de deuropening, want het leek alsof hij ongevraagd binnen wilde komen. Ik vreesde dat ik hier te maken had met een seniele, oude man en ik vroeg me af waar hij zoal toe in staat zou zijn. Of hij me iets aan zou kunnen doen.
‘Maar de elektricien…’, zei hij.

En toen viel het muntje. Wij hadden de eigenares gebeld, omdat de twee kachels op de eerste verdieping het niet deden. En onze eigenares heeft er een handje van geen afspraken te maken, maar te zeggen dat er wel iemand langskomt. Vervolgens laat ze diegene, als we onverhoopt niet thuis zouden zijn, zelf binnen. Nooit wordt er vooraf even gebeld. Kortom: deze mijnheer kwam de electriciën binnenlaten, dus dat zou wel de man van de eigenares zijn: de eigenaar. En de eigenaar wist kennelijk alleen van ene Yuri Maanzand die een huis van hem huurde, maar niet van een hobbit in vormeloze omslagdoek met Nederlandse tongval. Deze analyse maakte ik binnen enkele seconden, applaus is welkom.
Dus ik zei: ‘Ah, u bent de eigenaar en u wacht op de elektricien?’
De man bleef stil en keek me vragend aan. Toen pas zag ik zijn gehoorapparaat. Dus deze man was a. de eigenaar van ons huis, b. niet op de hoogte van mijn bestaan en c. hartstikke doof. Dat kon nog lekker worden.
Dus ik herhaalde mijn vraag: ‘AH, U BENT DE EIGENAAR EN U WACHT OP DE ELEKTRICIEN?’
‘Is hij er niet?’, vroeg de man, nog immer omhoog kijkend om te zien of hij het juiste huis te pakken had.
‘NEE’, zei ik, ‘HIER IS GEEN ELEKTRICIEN.’
Ineens liep hij zonder iets te zeggen het huis van de buren binnen, wat op zich geruststelde, want het huis van de buren is van dezelfde eigenaar.

Ik wist niet of ik moest wachten of dat we het gesprek zojuist hadden afgerond. Net toen ik besloot de deur dan maar dicht te doen, kwam hij terug met een andere man. De elektricien.
‘U bent de elektricien?’, vroeg ik, als een soort groet.
De man keek me aan, zweeg en liep samen met de eigenaar langs mij, naar binnen, mijn huis in. Beduusd liep ik er achteraan. Op het moment dat ik over een stel kaplaarzen heen moest stappen, realiseerde ik me dat het hele huis er zo bij lag. Veel spreekwoordelijke kaplaarzen op de vloer, alle kastdeuren open, glazen en bordjes her en der verspreid. Niet echt het soort orde en netheid dat een eigenaar uit 1910 van zijn huurder verwacht, gokte ik. Daarbij hangt onze gang vol met onder meer decolleté’s en billen van vrienden, dus al met al gokte ik dat de eigenaar flink moest slikken.

Zo snel als ik kon, probeerde ik de heren in te halen, zodat ik voor hen uit naar boven kon bunniën, om zodoende onderweg nog wat aanstootgevende zaken te verstoppen. Ik raakte erlangs en raapte en passant een bh van de trap, een stel vieze sokken van de grond, en boven, in de kamer waar de kachel stuk was, veegde ik snel wat vieze onderbroekjes onder een stoel – me niet realiserend dat je voor een kachel op de knieën moet, met je hoofd ter hoogte van alle weggemoffelde onderbroekjes ter wereld.
‘Ik ben een beetje ziek, vandaar die rommel en vandaar dat ik er zo uitzie’, probeerde ik nog te redden wat er redden viel. Maar het mocht niet baten. Noch de eigenaar, noch de elektricien reageerde op mijn leugen. Ik stelde vast dat de elektricien ook doof was.

Terwijl de eigenaar rondkeek en de elektricien ter hoogte van mijn vieze onderbroekjes de kachel van de muur schroefde, besloot ik dat de aanval de beste verdediging was.
‘IK ZAL ME EVEN VOORSTELLEN. IK BEN ZEZUNJA, DE VRIENDIN VAN DE HUURDER, YURI MAANZAND, EN IK WOON HIER OOK.’
Er verscheen een flauwe glimlach om de lippen van de eigenaar. Hij had me verstaan, dat was in elk geval een begin.
Daarna moest de elektricien nog naar de slaapkamer. Ik liep weer vlug voor hem uit en veegde zo goed en zo kwaad als het ging alle kleren onder het bed. Helaas was ik één vieze sok vergeten, precies op het stapeltje gereedschap dat de elektricien later wilde gebruiken. Hij pakte de sok tussen duim en wijsvinger en legde hem demonstratief opzij. Ik kon niet zien of hij zijn neus optrok, maar ik zag wel dat de eigenaar het zag. Die gaf geen krimp.

Toen ik even niet oplette, probeerde de eigenaar in al zijn ouderdom met een kapotte kachel over alle kaplaarzen naar beneden te balanceren. Ik wilde hem helpen, maar tegelijkertijd wilde ik zorgen dat de elektricien niet nog meer sokken – of erger -, zou aantreffen.

Uiteindelijk volgde ik toch maar de eigenaar naar beneden. Die stond inmiddels verdwaasd in onze huiskamer. Ik had geen flauw idee wat hij ervan dacht, maar ik vermoedde dat onze inrichting niet echt aansloot bij de ietwat gedateerde smaak van een negentigjarige. Wij hebben namelijk tijgerprints, plankjes in alle kleuren van de regenboog en een hertenkop aan de muur. Daarbij hebben we duizenden gaatjes in zijn muur geboord.

Ik begon maar een beetje over die kachel te praten, ‘DE KACHELS BENEDEN DOEN HET WEL’, dat werk, maar de eigenaar verstond nog niet de helft van wat ik zei, dus uiteindelijk gaf ik het op en bleven we elkaar zo’n beetje schaapachtig aankijken. Ergens onder mijn omslagdoek was ik met de bal van mijn voet heel hard in de grond aan het poeren. Toen de elektricien beneden kwam, vetrokken de heren. De eigenaar zei gedag en schuifelde ongemakkelijk langs de kaplaarzen naar buiten.

En toen kwam dus het moment dat ik me heel hard afvroeg wat de eigenaar van mij zou denken.