De Niet Lief Collectie: Ich bin ein Pijper (und blasiert und ein Namedropper)

Dit stukje verscheen op 29 oktober 2007 op nietlief.com. Ik zwengelde het zelf aan (zie cursieve tekst aan het einde).

Dé Amsterdammer bestaat niet, beweer ik (vrij naar Màxima). Ik werd geboren als Watergraafsmeerder, werd daarna een Pijper (yeah!), daarna een Oud-Wester (niet te verwarren met een Zuid-Wester) en vervolgens werd ik een Rivierenbuurter. Daarna ben ik nog even een reserve-Amsterdammer geweest, te weten een Diemenaar. En vervolgens werd ik weer wat me het beste past: een Pijper.

Maar hoewel deze buurten dorpen op zich zijn, en hoewel er dientengevolge niet zoiets bestaat als dé Amsterdammer, is er een alom tegenwoordige overeenkomst tussen Amsterdammers: ze zijn blasé als de pest. Ze worden niet warm of koud van een BN’er meer of minder op straat, ze ervaren sex, drugs ’n rock ‘n’ roll als part of the furniture en ze kijken niet meer op van wat glitter & glamour.

Blasé. ‘Zo verwend zijn dat je niet meer geniet’, zegt mijn woordenboek. En dat klopt. Doordat de vader van een van mijn beste vriendinnetjes in 1982 meedeed aan het songfestival, zat ik al jong op de knie van André van Duin. Omdat mijn tante aan de weg timmert als beroepstypetje, schonk ik als bijverdienste de glazen vol voor De Lullo’s. Omdat ik werkte in één van de stamcafé’s van Herman Brood, vulde ik dagelijks bakjes voor zijn hond. Omdat ik op een van de scholen van Amsterdam zat waar kunstenaars hun kroost graag naartoe sturen, waren de namen Mulisch, Vinkenoog en Carmiggelt niet alleen namen op de boekenlijst, maar ook op de leerlingenlijst. Op een dag zeg je geen bier meer, maar zeg je gaap.

Ik weet nog goed dat ik met een vriendinnetje uit Hoofddorp Henny Vrienten in de stad zag lopen. Zij reageerde zoals ik reageerde toen ik mijn allereerste BN’er in het wild zag: de zanger van The Shorts in de parkeergarage van de RAI. Ik verstijfde en kon geen woord meer uitbrengen. Zij op dat moment ook. Maar ik was 7 ten tijde van de verstijving, zij was inmiddels al 14.

En nog steeds maak ik regelmatig mee dat mensen zich heel raar gedragen als er een bekende kop langsloopt. De weldenkende vrienden van mijn Lief stamelden ‘Dat was Renske de Greef!!! Die schrijft voor De Morgen!!!’, toen ik op Lowlands ’s ochtends een meisje de weg wees. Bij mij viel er wel een muntje, van o ja, maar verder had ik daar geen sensatie bij.

Toen ik begin deze eeuw onbedoeld oud en nieuw vierde met Hans Teeuwen, Thomas van Luyn, Theo van Gogh en Jan Mulder kuchte ik nog wel even. Maar dat bevestigde alleen maar dat er toch minstens vier BN’ers tegelijk in de ruimte moeten zijn, wil het me opvallen.

Ik wil maar zeggen: Ich bin ein Pijper und ich bin blasiert wie die Pest.

En o ja, er is nog een overeenkomst tussen alle Amsterdammers. Hoe blasé ze ook zijn, men beoefent massaal onze lokale sport: namedropping.

Lieve Niet Liefjes. Mijn omgeving heeft me terdege beïnvloed. Ik kan ‘Ik voel me zo verdomd alleen’ met juiste dikke L zingen, ik ben blasé, ik ben streetwise door mijn wereldstad. Ik ben een Amsterdammer. Hoe zit het met jullie? Welke invloed had je geboorteplaats? Spreken jullie met accent, zijn jullie beïnvloed door de mensen in je omgeving, het landschap, de ligging, je bakermat? Erzà¤hl mich.