De Niet Lief Collectie:Van babyvet tot Japans vouwen

Dit stukje verscheen op 6 november 2007 op nietlief.com. Ik zwengelde het zelf aan.

Lieve Niet­Lief­jes,
De rituelen voor­af­gaan­de aan een eerste date zijn tijd­ro­vend, gestuurd door bijgeloof en ingegeven door een ongezond soort zelf­be­wust­zijn. Mijn opdracht voor deze week is: beschrijf de gewoonten, rituelen en oppeppers die horen bij jouw voor­be­rei­ding op een spannende avond of nacht.
Ik zal van wal steken.

Het eerste tijdperk is De Pube­r­angst.

De tijd van: Waar zit mijn babyvet? Kan ik dat weghalen? En: Waar heeft mijn vader zijn scheermes gelaten? Het is de tijd dat ik zelf nog geen scheer­mes­jes heb, maar wel weet dat ik mijn benen moet scheren. Het is de tijd dat ik het oog­pot­lood van mijn zus leen, waardoor ik een ontstoken oog krijg, want oog­pot­lo­den uit­wis­se­len is taboe. De tijd dat ik oorbellen van een vrien­din­ne­tje leen, waardoor ik ontstoken gaatjes krijg, want oorbellen uit­wis­se­len is eveneens taboe. De tijd dat ik me afvraag of mijn borsten wel groot genoeg zijn.

Het tweede tijdperk is De Vrij­ge­zel­li­teit.

Gewiekst ben ik. Altijd voor­be­reid op elke denkbare ont­wik­ke­ling die een nacht te bieden heeft. Logeer­ge­rei in de binnenzak van mijn motorjack, het juiste ondergoed aan en wolkjes parfum op verborgen plaatsen. Niet weten waar ik tegen het och­tend­glo­ren zal zijn, maar stiekem hopen dat het niet thuis is. Thuis waar het op de avond zelf zindert als in de kleed­ka­mer van een theater, met dozen schmink en een spektakel in het voor­uit­zicht, maar waar ‘s nachts bij thuis­komst de feestroes is terug­ge­bracht tot een spoor van kleren op de vloer die zijn gesneu­veld in het ik‐heb‐niks‐om‐aan‐te‐trekken‐proces.

Het derde tijdperk is La Non­cha­lan­ce.

‘Ik ben niet op zoek’. Steeds maar weer zeggen dat ik niet op zoek ben. Dat het vanzelf moet komen. En dat het komt als het komt. En anders niet. Maar intussen voor­af­gaand aan elk feestje een motiefje scheren, m’n tong poetsen, een bh aan­trek­ken die geen al te grote teleur­stel­ling ver­oor­zaakt als‐ie eenmaal uit moet. De leugen moet zo dicht mogelijk bij de waarheid blijven. ‘Ik ben niet op zoek.’

Het vierde tijdperk is Het Pol­der­mo­del.

Het grote nadeel van een one­nightstand is mijns inziens dat je onvoor­be­reid een engel in bed moet zijn. Terwijl ik in een relatie bab­be­len­der­wijs eindeloos veel ency­clo­pe­di­sche kennis over de voorkeur van mijn verloofde opdoe. Door onbewust dagelijks te polderen weet ik precies welke com­bi­na­tie van stoer en charmant het meest aan hem besteed is. Wat ik al bijeen polderde: een hoodie, wilde haren, een pijp­jes­on­der­broek, de rock­a­bil­ly­cou­pe.

Het vijfde tijdperk is Het Ori­ga­mi­tijd­perk.

Dan ken ik mezelf dus nèt hè. Dus ik wéét dat ik de rest van mijn leven blauw­ge­lak­te teen­na­gels wil en dat baggy trousers ook heel sexy kunnen zijn, en dan komt daar ineens een rà­mpel tevoor­schijn. Onder mijn oog. En in mijn voorhoofd. En in de hoekjes van m’n oog. En verdomme! In mijn frons! Dat is het moment dat ik alle zeilen moet bijzetten om mezelf opnieuw te leren kennen. Het moment van de goede voor­ne­mens: 1. niet meer mijn wenkbrauw optrekken, want dat is als een steen in een vijver: één wenkbrauw leidt tot een golf­be­we­ging op mijn voorhoofd. 2. altijd checken of er geen make‐up is ach­ter­ge­ble­ven in die richel onder mijn oog, want dat is meestal wel het geval. En 3: ik moet me erbij neer­leg­gen dat er een periode van plooien en vouwen volgt, een periode van waak­zaam­heid en origami.

Het is al laat.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.