Aan Jan en alleman

– Aan iedereen die nog mail van mij moet krijgen.

Ken je dat? Dat je in de bank hangt. In de sporen van bankerosie. Het tafeltje ernaast is plakkerig, de herinnering aan verticaal is vaag. Als je nu de belastingformulieren zou invullen, zou je agenda langzaam leger raken. Als je nu die lessen zou voorbereiden ook. Als je nu nog iets kon, zou je veel.

– Aan iedereen die nog wacht op iets van mij, een factuur of zo.

Gisteren had ik twee uur over. Ik praatte tegen de poes. Op mijn roze sloffen stiefelde ik naar de avondwinkelautomaat. Toen ik thuiskwam, keek ik naar Funniest Home Video’s. Daarna prikte ik mijn strippenkaart op het prikbord. Ik zette wat thee en beoordeelde een namaaksigaret van de Lidl. Mijn lief had mooie kleren aan en iets in mij vergat volkomen dat er ook nog facturen verstuurd moesten worden.

– Aan iedereen die de komende dagen iets met mij te maken heeft.

Stel je voor: je tilt twee grote dozen, en met je rechterringvinger hou je ook nog een tas met hangertjes vast. In je mond heeft iemand een doosje schroeven gestopt en onder je arm steekt de parasolvoet. Je stommelt de trap af en ergens onderweg voel je je tanden breken, je ringervinger wordt uit de kom gedraaid en de parasolvoet dreigt genadeloos hard te trap af te donderen. Wat doe je? Bij die vraag ben ik nu. Ik sta op het punt om mijn kont tegen de treden te gooien om zo op behendige wijze de parasolvoet op een tree te laten glijden. Daarna draai ik me om en zet ik met mijn tanden het doosje schroeven op de trap.

– Aan iedereen die grote dingen van mij verwacht.

De zonnebloem is omgevallen. We hadden drie zonnebloemen opgebonden, maar een van de stokjes was vermolmd. Doe je niks tegen. Intussen zet de vernietiging door miniatuurcicaden door. Niet alleen de basilicum valt ten prooi aan de vraatzucht van deze semi-onzichtbaren, ook de tijm, de roosmarijn en de munt zien lichtgroen van de vraatsporen. Mike ving vorige week nog eens een vleermuis. Dat mag hij niet meer doen, want ik wil niet dat de vleermuizen op raken.

– Aan iedereen die ik te weinig zie.

Wist je dat als je min elf hebt, zoals ik, de dag ophoudt als je je lenzen uitdoet of je bril af zet? Een dag waarin je gehandicapt bent, bestaat niet; die dag heet nacht. Zolang de dag nog enige belofte in zich heeft, hou je je ogen in. Wanneer de dag haar hoop heeft verloren, neem je maatregelen. Dan zijn de lichten uit, terwijl ze aan zijn. Je ogen open, maar dicht.

– Aan jou.

Ik moet het onthouden. Samen met jou in de ligstoelen. Voeten tintelend omhoog. Het gras blauw onder je tenen. En onder de mijne. Er vallen zwaluwen in de lucht. De avond van de langste dag is van jou.

– Aan iedereen die komt kijken of hier stukjes verschijnen.

Vanochtend keek ik nog eens, maar nee, er was alweer geen stukje verschenen.