De kleutermonologen – 10 situaties die mij dit jaar noopten tot Vlaams spreken

10. In de kroeg. Als ik een biertje, cappuccino met geklopte melk of een tosti bestel, dan moet ik dat gegarandeerd herhalen. Een pintje, een cappuccino met melkschuim of een croque monsieur hebben direct het gewenste effect.

9. Tegen de poezen. Waarom weet ik niet, maar de poezen zijn meneerke en mevrouwke, en gij of gelle. Al mijn zinnen tegen de poezen beginnen met hedde gij, zijde gij, waarde gij en dan volgt daarna vaak nog iets Vlaams als buikske of pollekes.

8. Tijdens het klussen. Ik vraag of er nog vijzen in de stellingkast komen, ik zoek de kleine nagelkes, ik ben steeds het blikske en borstelke kwijt en roer met de tournevis wat white spirit door de verf.

7. Tijdens het lesgeven. Ik demp mijn harde g waar mogelijk, ik sis mijn s wat meer. Ik vervang alle BN’ers in mijn voorbeelden door BV’s. De Telegraaf heet plotseling Het Laatste Nieuws en de grote interviewers hier zijn…, uh… ja, wie zijn dat eigenlijk?

6. In de liefde. Sjoeke klinkt liever dan scheetje of poepje. Ik zie u graag klinkt niet versleten. En voor de gein doe ik ‘m af en toe binnen.

5. Bij de bakker, wanneer ik een boterkoek bestel in plaats van een croissant, wanneer ik heel nonchalant woorden als frangipanneke of mattentaart gebruik, wanneer ik niet probeer te denken aan gevulde koeken en appelflappen.

4. Op feesten en partijen. Het duurde even voor ik doorhad dat niemand gefeliciteerd zegt. Het is proficiat. En het duurde ook even voor ik doorhad dat er op bijzondere dagen wèl drie keer wordt gekust. Maar sinds kort roep ik vol overtuiging tsjing of schol in plaats van proost.

3. In het betalingsverkeer. Bij de kassa begrijpen ze bancontact en proton wel, ‘pinnen’ en ‘chippen’ niet. Ik moet niet reppen van stuivers en tientjes, want dan krijg ik gefronste wenkbrauwen. En vragen om bonnetjes of tasjes schept ook verwarring, dat moeten tickètjes en zakjes zijn.

2. In de auto, tijdens de autorijlessen. Als de instructrice consequent spreekt over autostrade, ambriage, pinker, tarmac en camion, in plaats van snelweg, koppeling, knipperlicht, asfalt en vrachtwagen, dan neem je dat vanzelf over.

1. In mijn hoofd. Het Nederlands verdwijnt langzaam uit mijn hoofd. Ik merk dat ik soms Vlaams denk en droom. Ik moet lang peinzen voor ik in plaats van faar op het woord mistlicht groot licht kom. En soms mijmer ik drie keer het woord ‘gaan’ in één zin. (‘Ik ga maar eens doorgaan gaan.’)