De Niet Lief Collectie:Achtergelaten op straat

Dit stukje verscheen op 23 november 2007 op nietlief.com. Kaat zwengelde het aan met de volgende inleiding:
“Lieve niet-liefjes,
Dit is een van mijn eerste herinneringen. Ik was een jaar of drieëneenhalf. Het beeld van de sneeuw, het nieuwe huis, mijn zwangere mam en de lieve nieuwe buren, zit als een film van vroeger, schokkerig geprojecteerd op een witte muur, in mijn hoofd.
Mijn vraag voor deze week is dan ook; beschrijf een van de eerste dingen, gebeurtenissen of situaties die je je kunt herinneren.”

Onderwerp: beschrijf een van je eerste herinneringen
Geschreven door: Zezunja

‘Ga je mee achterop mijn fiets?’, vraagt mijn neef. Hij is 13 en we zijn bij hem thuis op een verjaardag.
‘Dat mag ik niet zonder stepjes’, zeg ik. Ik ben 4 en een uiterst gedweeë kleuter.
‘Ah joh, dat ziet niemand’, zegt hij.

Met een kloppend hart loop ik mee naar beneden, naar zijn fiets. Terwijl ik erop klauter, kijk naar boven, drie hoog, of niemand me ziet. We rijden de Valeriusstraat uit, ik heb mijn benen zo wijd ik kan. Niet eerder zat ik achterop een fiets zonder voetstepjes. Mijn liezen krijgen kramp van de brede bagagedrager. Mijn benen trillen. Eigenlijk hou ik het niet meer.

We rijden in de Van Breestraat. Ik verlies mijn krachten en voel een snijdende pijn in mijn enkel. De fiets wordt geblokkeerd en mijn neef kan ‘m met moeite rechthouden. Mijn voet is tussen de spaken gekomen. We staan stil en ik laat me van de fiets vallen. Er is pijn, pijn, pijn, veel bloed en een bot dat ontveld is.

Mijn neefje besluit hulp te gaan halen, zonder mij. Hij laat me liggen waar ik lig en fietst staand weg. Ik kijk hem na en huil.

Even later stopt er een ratelende Volkswagen Kever en ik word ingeladen. Ik zit op de achterbank van een vreemde auto, met vreemde mensen die mij keer op keer vragen wat er is gebeurd. Waarom ik zo bloed. En waar mijn ouders zijn. Ik huil en roep om mijn papa en mama.

Ineens zie ik door de achterruit mijn vader fietsen. Ik krijs het uit en roep heel hard papa. De mensen in de auto stoppen niet. Tot ik heel duidelijk roep: ‘Daar fietst papa.’ Dan pas onderscheidt het zich van het gejammer waarmee ik daarvoor om mijn ouders schreeuwde.

De vreemde mensen brengen mij naar een oom die mij met een auto naar de VU vervoert. Samen met mijn moeder zit ik tot half twaalf ’s avonds op de Eerste Hulp. Niet eerder mocht ik zo laat opblijven.