Stukjes in het wild

De opkomst en de ondergang van waar­ach­tig bik­kel­schap

Goed kamperen is een vlie­gens­vlug­ge omscha­ke­ling van voeten op de bank en afstands­be­die­ning in de hand, naar elke schoen een spin­nen­check en alles wat nat kan worden wordt nat. Een cul­tuur­shock van cosy comfort naar zelf­ge­ko­zen ont­be­rin­gen. Ik ben daar goed in.
Zo goed zelfs, dat ik maar een klein spiertje vertrok toen de vrouw van de dove meneer ons uitlegde dat dit de poep‐wc was en dát de plas‐wc, en dat je zo en zo wat blaadjes over je drol moest strooien voor een sma­ke­lij­ke­re aanblik en de juiste com­pos­te­ring.
Ik vertrok ook maar één enkel spiertje toen ze bij vier op schou­der­hoog­te tegen elkaar getim­mer­de latten zei dat dit de koude douche was. Over een warme douche hebben we het niet gehad.
Bij een tuinslang die in de boom hing en die moest dienen als was‐ en afwas­plaats vertrok ik allang geen spier meer. Mijn vlie­gens­vlug­ge omscha­ke­ling was een feit.
De eerst dag was ik nog ver­ont­waar­digd, dat wel. Over mieren die in mijn kont beten, over grote dikke spinnen in de tent, over aller­han­de weers­voor­spel­lin­gen en over de verdomd stadse geluiden die het Gaumese plat­te­land voort­brengt. Maar mijn ver­draag­zaam­heid nam gauw toe en ik voelde me als mijn eigen stront in de poep‐wc: bedekt met verse blaadjes en vogel­ge­lui­den.
Thuis zou ik bij één mier op het aanrecht vol walging gaan spoor­zoe­ken en uitroepen dat – dit – echt – wel – heel – erg – goor – is. Op ons Gaumese lapje grond koos ik ervoor om met mijn blote reet tussen de naakt­slak­ken en de bra­men­strui­ken te gaan hangen in plaats van de ietwat geso­fis­ti­ceer­de­re plas‐wc te gebruiken, te weten een groene emmer met daarin de och­tend­plas van de dove meneer.

Eigenlijk ben ik een viezerik. Ik wentel me met graagte in de ran­zig­heid van het bui­ten­le­ven. Afwassen met kleine plensjes uit de opvouw­ba­re jerrycan en afdrogen met plee­pa­pier, telkens nieuwe pies­plek­ken zoeken omdat de zon een veel­ge­bruik­te piesplek zonder pardon blootlegt door de geur een beetje aan te braden, weten dat de eerst­vol­gen­de warme douche nog een week ver­wij­derd is en zorgen dat je toch geen bad hair day krijgt. Ik stel er een eer in om op al die punten een cross country queen te zijn.
Het lukte me ruim een week. De ont­be­rin­gen waren dragelijk. De eerste dagen was het boven de dertig graden en dan vereist een koude douche geen heldendom. Ik maakte veel­vul­dig gebruik van hore­ca­toi­let­ten en ontweek zo de ergste poep‐ en plasdilemma’s, en door een enkele regenbui midden in de week waren de meeste rode mieren ergens in hun schuil­plaats onder­ge­do­ken. Het was een rustig weekje.
Een rustig weekje met veel routines. Iedereen die ons iets lekkers serveerde, kreeg het predicaat ‘ons tentje’. We stelden niet zelden twee keer per dag voor om naar ‘ons tentje’ te gaan. En dat deden we dan. We wandelden veel; de paden op, de lanen in. We kayakten wat. Dobberend, drijvend, blinkend in de zon. We maakten twee keer dezelfde pas­ta­sa­la­de, omdat‐ie zo lekker was. En we volgden het ritme van het licht.

Maar na een week kwamen er scheur­tjes in mijn ver­draag­zaam­heid. Ik wist de poep‐wc niet altijd te vermijden en ik werd daar zenuw­ach­tig van. De poep was inmiddels bijna tot bril­hoog­te gestegen en het zou niet lang meer duren of de bovenste blaadjes zouden mijn kont strelen. Gezien het aantal spinnen in de poep‐wc en de daarbij behorende waan­beel­den zou dat tot hys­te­ri­sche taferelen kunnen leiden. De poep‐wc werd steeds meer een no‐go‐area, ik wendde mij nog liever tot vrij­wil­li­ge obsti­pa­tie.
Bovendien maakt het scheiden van poepen en plassen bij mij de onstuit­ba­re neiging los om beide tegelijk te doen en dat was niet de bedoeling had ik begrepen. Tel daarbij op dat ik talloze keren in een reflex mijn plee­pa­pier per ongeluk in de poep‐wc gooide, in plaats van in het emmertje ernaast, waardoor ik hangend boven dat kakre­ser­voir papier­tjes uit de diepte moest vissen, en er is maar één conclusie mogelijk: tole­ran­tie sucks en poep-wc’s leiden tot zenuw­ziek­ten.

Maar er was meer. De rode mieren waren weg­ge­spoeld door de regen en ik vond mijzelf een echte bikkel, zo goed als ik omging met de talloze reeds aan­ge­brach­te bulten. Toen de regen na een week echter serieus inzette en steeds iets langer aanhield, bleek pas goed wat we voor onze ver­vloek­te mieren in de plaats hadden gekregen: slakken. Heel – veel – slakken.
Wij dachten dat we thuis veel slakken hadden. Haha. Daar moeten wij nu hartelijk om lachen. We hebben hier een klein bui­ten­wijk­je aan slakken; een paar­hon­derd, misschien duizend. Niks aan de hand. Maar daar in de Gaume, na een fikse regenbui: een Shanghai van slakken! Miljoenen, miljarden. Yèk.
Het begin van het einde ging nog betrek­ke­lijk langzaam. We pulkten de slakken met een stokje uit onze schoenen, onderwijl wat morrend. Het weer liet nog een paar mooie wan­de­lin­gen toe, we aten lekkere ijsjes en we yah­tzee­den tot diep in de nacht bij zak­lamp­licht.
Maar naarmate het op dag negen langer ging regenen, waren we langer bezig met wie kata­pul­teert het hardst een slak van de bin­nen­tent? We wrikten eindeloos veel slakken van peper­mo­lens, teen­slip­pers en thee­ke­tels, we stuurden kolonnes slakken met een fraaie zwier terug naar ver‐van‐ons en we deden elke avond een onge­dier­te­check voordat we gingen slapen. We waren geduldige mensen.

Tot ik me bij een onop­ge­merk­te naaktslak in bed nestelde. Ik hapte naar adem en… de weers­voor­spel­ling voor de volgende dag was het laatste zetje dat ik nodig had om te besluiten dat het mooi geweest was.
Nog één dag moest Yuri op wacht staan als ik weer een nieuwe piesplek in de buurt van de tent uit­pro­beer­de, nog één dag aten we dezelfde pas­ta­sa­la­de omdat‐ie zo lekker was, nog één dag keken we uit over onze boomgaard waar we het rijk alleen hadden en nog één dag rekenden we uit hoeveel gewicht een appel heeft die met zoveel kilometer per uur op je hoofd knalt.
En toen rolden we ons tij­de­lij­ke huisje op, inclusief slak­ken­lijk­jes, en spoedden we ons tussen de regen­drup­pels door naar onze enorme ver­za­me­ling afstands­be­die­nin­gen.
We zijn weer thuis.

19 reacties

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.