Een rond verhaal

Wij hadden een buurman. Met de nadruk op hadden. Hold that thought, die heb je nodig voor de clou.

Onze buurman was de buurtwerkloze. Elke buurt heeft wel een buurtwerkloze. In Amsterdam had elke buurt er honderden, maar hier hebben we er een of twee. En die ene woonde naast ons.

Hij had een hondje en een staartje – in die volgorde. Eerst zag je dat hondje en dan dat staartje. Het was een klein mannetje. Aan het staartje van het kleine mannetje zat altijd een roodbezweet gezicht. En naast het hondje bungelde vaak een bak bier. Best wel een gewone buurtwerkloze dus.

De buurtwerkloze had ook een vriend. De tweede buurtwerkloze, gok ik. Die had ook een staartje. Maar geen hond. Hij was groot. En hij woonde niet naast ons.

De grote buurtwerkloze kwam de kleine buurtwerkloze vaak ophalen om samen aan de bar te hangen in het buurtcafé. Keer op keer. Hondje, groot staartje, klein staartje, langs mijn raam, naar de toog, op de hoek. Waar ze deel uitmaakten van het meubilair. Tot sluitingstijd.

Op een nacht werd ik wakker van luide stemmen. Het café was net dicht, de kiepramen van onze slaapkamer stonden open. Onder het raam ontspon zich een gesprek tussen de kleine en de grote werkloze. Ik weet niet wie wat zei, maar het gesprek ging ongeveer zo:

‘Als ik beken moeten we allebei zitten, als jij bekent, hoef jij alleen maar te zitten.’
‘Maar dan moet die en die wel meewerken.’
‘Ja, maar die krijg ik wel zover.’
‘Dan moet ik dus bekennen?’
‘Ja.’
‘Maar het is wel drie maanden zitten.’
‘Ach, het is maar drie maanden.’
‘Ik weet het nog niet, maat.’

En toen hoorde ik de voordeur van de buren dichtslaan.

Het gesprek bleef mij bezighouden en telkens als ik de kleine werkloze door de straat zag stiefelen, dan dacht ik: jij hebt iets op je kerfstok. En tegelijkertijd vroeg ik me af of hij degene was die sowieso de lul zou zijn.

Onlangs raakte de boel in een stroomversnelling. We kregen nieuwe buren, ik zag de werkloze een paar maanden niet meer en het buurtcafé zat geruime tijd zonder stamgasten.

Eerst vond ik het niet opvallend. Mensen verhuizen wel vaker. Zeker in deze straat. En het buurtcafé was ook eigenlijk heel ongeschikt voor barhangers. Dus nee, niks geks aan.
Tot ik de kleine werkloze laatst weer zag lopen. Met de grote werkloze. Op weg naar het café. Net als vroeger, maar dan aan de overkant. Niet langs mijn raam. Toen viel alles op zijn plaats.

Dat gesprek onder mijn raam is nu ongeveer drie maanden geleden. Hij heeft bekend. Is de bak ingedraaid. Heeft in de tussentijd zijn huis verloren. Kwam na drie maanden weer vrij. Trok met zijn maat naar het oude stamcafé. Via de overkant, niet langs mijn raam. En zo was het verhaal rond. Ik weet nog steeds niet of hij nou degene is die sowieso de lul zou zijn, maar hij was de lul en daar draait het om. Ik hou van verhalen die rond zijn.