Er was iets mee

Er was iets met die kachels van ons. En dan heb ik het niet over de kachels boven, die de hoofdrol speelden in Wat zou de eigenaar van mij denken? en dat andere stukje, maar over de twee forse gevaartes hier beneden in de living.

We wisten al heel lang dat er iets was. Ik zat wel eens op de bank te staren naar die dingen en dan mummelde ik iets van ‘hoe zou dat nou werken’. Dan fantaseerden we wat over spiralen die gloeiden, ventilatortjes die bliezen en niet bestaande vlammetjes die het ding gloeiend heet maakten.

Want er was iets met de kachels. Ze waren aan alle kanten dicht, twee grote, witte, langgerekte dozen. En ze werkten op electra, zoals alles hier in huis, dus er kwam geen vuur aan te pas. In de muur zaten twee thermostaten en op het ding zelf zat een knop die je op 1, 2 of 3 kunt draaien. Verder was er geen centraal verwarmings-iets, dus alle hitte werd in de witte dozen zelf gegenereerd. En daar hield ons verstand op.

Want er was iets met die dingen. Als we een weekendje weg waren geweest, duurde het twee dagen voordat de kachels warm werden. En alsof de duvel ermee speelde: vervolgens waren ze twee dagen lang niet uit te krijgen.

Het was niet eenvoudig om een oplossing te vinden, want als de huiseigenares vroeg: maar doen ze het nu? dan moesten we wel ja zeggen, omdat ze het op de lange termijn altijd deden. Maar na elk weekendje in Amsterdam zagen we steevast twee dagen lang blauw van de kou, omdat de kachels niet meer aan wilden. En in het voor- en najaar werden we soms weggestoomd, omdat ze niet meer afkoelden. Er was immers ende verdomme altijd wel wat met die dingen.

Gedurende één winter probeerden we alles. Elke stand op de thermostaat, elke stand op de witte doos, elke combinatie in elke denkbare omstandigheid, alle strategieën die ons mogelijk inzicht in het ding konden verschaffen. Maar de apparaten bleven lukraak koud of juist heet.

Tot we vorige week, hartje zomer, op bezoek waren bij een vriend van Yuri in Gent. We bewonderden zijn huis en vroegen dingen die je dient te vragen tijdens het bewonderen van een huis. ‘Is de tuin op het zuiden?’, ‘Hoe zijn de buren?, ‘Moest je het opknappen toen je erin kwam?’, ‘Hoe verwarm je het?’.
Hoe verwarm je het. Geniale vraag.
‘Accumulatievuur’, zei de vriend in kwestie.
Yuri informeerde intussen naar de werkzaamheden op het gelijkvloers, maar mijn oog viel op het ding dat zojuist zo mooi accumulatievuur werd genoemd. Een grote, witte, langgerekte doos, met een knop die je op 1, 2 of 3 kunt zetten.

‘Accumulatievuur zei je, hè?’ Ik onderbrak het gesprek en leidde Yuri’s ogen met mijn blik naar de witte doos op de grond.
Yuri’s adem stokte.
‘Ja, accumulatievuur’, zei de vriend. ‘Dat zet je ’s nachts aan en overdag uit. Overdag geeft het de warmte af die het ’s nachts heeft verzameld in een stel magnesiumblokken of zoiets. Tegen nachttarief, dat kost veel minder.
‘Juist ja’, zei Yuri.
Ik schraapte mijn keel.