Het meisje met zonder snor

Het gebeurde regelmatig. Dan stond ik mijn fiets vast te zetten bij de bakker en dan reed er een jongen langs die heel hard Mustafa naar me riep. Of toen bij de Eiffeltoren, toen dat Nederlandse meisje haar vader aanstootte en veel te luid vroeg: ‘Papa, zijn er ook vrouwen met een snor?’ Ze wees op mij.

En hoewel ik me erbij neergelegd had, kon ik er niet echt aan wennen. Ik was vrijwel altijd even uit mijn humeur. Vooral ook omdat ik het zelf meestal vergat. In de spiegel keek ik er omheen, mijn vrienden en kennissen vonden het gelukkig niet belangrijk genoeg om erover te praten en ik heb mensen al lang geleden verboden foto’s met flits van mij te nemen. Dus als zo’n meisje dat hardop zei, dan schrok weer even. O ja, shit, men kijkt niet naar mij omdat ik leuk ben om naar te kijken, men kijkt naar mij omdat ik een freak ben.

Toen ik klein was, was het nog niet zo erg. Ik had een klein donsje op mijn bovenlip, maar dat was zacht en niet zo heel erg zichtbaar. De haren op mijn armen en benen wel. ‘Jij bent een baardaap’, zei een klasgenootje van mij eens op de kleuterschool. Daar was ik flink van ondersteboven. Maar ach, er zijn veel vrouwen met haren op hun armen en benen. En die benen onthaarde ik vanaf mijn dertiende, zoals vrijwel alle vrouwen, dus daarmee voelde ik me geen buitenbeentje.

Ongeveer tien jaar geleden werd het erger. Op de een of andere manier werden de haartjes zwarter, dikker en massaler. Steeds meer mensen, vooral kinderen, staarden me schaamteloos aan. In Salamanca op het prachtige Plaza Mayor, het zal 1998 of zo geweest zijn, besprak een Spaans jongetje van een jaar of acht mijn snorretje hardop met zijn ouders. Hij moet gedacht hebben dat ik hem niet kon verstaan, ik sprak immers Nederlands met mijn gezelschap, maar ik begreep elk woord. En hoewel de zon scheen, de ooievaars over het plein zeilden en de brandy mij prima smaakte, was mijn avond verpest. Kutsnor.

’s Nachts in de tent zei ik: ‘Ik ga er wat aan doen’. Na 24 jaar onverschilligheid vond ik het genoeg. Ik moest alleen nog even bedenken welke methode ik zou toepassen. Een wonderschoon vriendinnetje van mij schoor haar gezichtsbeharing en dat voelde je als je haar zoende. Prikprikprik. Dat wilde ik dus niet. Ik zocht een andere oplossing. Ik wist dat je kon harsen, maar ik zag veel vrouwen, vooral de oudere, die van die gleuven in hun bovenlip hadden. Tsja, die haarzakjes raken natuurlijk helemaal uitgewoond als je daar dag in dag uit met grof geweld van alles uitrukt. Ook dat was voor mij dus nog geen optie.

Niet lang daarna, in Parijs, vond ik de oplossing. Een land waar vrijwel iedereen mijn haarkleur heeft (donkerbruin), grossiert uiteraard in oplossingen voor dit probleem: blonderen. In een plaatselijke drogist trof ik tientallen ontkleuringscrèmes. Ik kocht drie verschillende soorten, sloeg thuis aan het experimenteren en ontdekte dat er een tussenzat die goed werkte. Mijn haartjes werden blond, helaas ook af en toe wat gelig, maar goed, kniesoor et cetera.

Vanaf dat moment kon je de haartjes pas zien als je dichterbij kwam en dat vond ik prima. Zoals ik al zei: mijn vrienden en kennissen hechten niet zo veel waarde aan zulks, en ach, blonde donsjes komen vaker voor bij vrouwen dan zwarte, ik hoorde dus bij een wat grotere minderheid dan daarvoor. Tel je zegeningen.

Ik leefde voort, vergat weer wat vaker dat ik een snorretje had en smeerde eens in de twee weken wat witte drek om mijn mond, waarna ik weer fijn mijn ontkenningsfase in kon. Natuurlijk was er zo af en toe nog een kind dat iets dichterbij kwam en met ogen op schoteltjes een vriendje of vriendinnetje aanstootte, maar de frequentie was laag, dus daar kon ik mee leven.

Wel maakte ik me steeds kwader over de discriminatie van vrouwen met wat voor beharing dan ook. Ik kan me een uitzending van Big Brother herinneren waarin een opmerking langskwam over vrouwen met snorren. Al schuddebuikend rolden de BB-bewoners over de vloer. Zo hard hadden ze in jaren niet gelachen. Zap! Deze pulpliefhebster deed Big Brother in de ban.

Gek genoeg had ik er ook voordeel van. Een hoofdredactrice van mij – doorgaans zeg ik hoofdredacteur, ook als het om een vrouw gaat, maar in dit verband is het veelzeggend dat het een vrouw was – zei eens: ‘Ik heb je aangenomen door je snorretje’. Natuurlijk schrok ik weer, ik was immers in de ontkenningsfase en dacht dat ook andere mensen daarin zaten. Not. Maar goed, volgens haar had dat snorretje aangetoond dat ik een vrouw met lef was en dat was wat ze wilde: een journalist met schijt aan alles en iedereen. Wist zij veel. Zij kon niet weten dat ik dat snorretje alleen maar had omdat ik geen oud wijf met gleuven wilde worden. En dat ik zelf eigenlijk vond dat ik geen snorretje had, omdat ik ijzersterk was in erdoorheen kijken.

Niettemin was dat ook het moment dat ik besefte dat blonderen dus niet afdoende was en dat ook mensen die mij goedgezind waren mij zagen als ‘die vrouw met die snor’. Het begon weer langzaam aan me te knagen. Ik moest ook steeds vaker blonderen, minimaal eens per week, maar eigenlijk vaker. Gedoe, vond ik, en duur. En in Nederland met al die kaaskoppen had je niet zoveel goede ontkleuringscrèmes. Voordien ging ik regelmatig naar Parijs en dan nam ik gewoon een extra dosis mee, maar ik raakte aan de bedelstaf wegens schulden en scheiding, dus afreizen naar het land der snorren voor een pakje verf zat er niet meer in. Het stoorde me.

In België werd het geknaag nog iets erger. Op de een of andere manier val je hier meer op als je afwijkt. Misschien omdat, zeker in een provinciestad als Leuven, maar weinig mensen er écht afwijkend uitzien. Men past zich aan, men is representatief, men gaat op in de massa. Behalve ik dus.

Bovendien, en dat weet iedereen die zijn (hoofd)haar wel eens verft: geverfde haren worden ruwer, dikker en minder soepel. De haartjes op mijn bovenlip gingen grillig alle kanten opstaan, de uitgroei was vaak al na een dag of twee zichtbaar en hoe het ook moge komen: ze werden langer. Mijn methode had zijn beste tijd gehad en ik werd onrustig van het gevoel een freak te zijn.

In de trein, een paar weken geleden, was het weer eens ouderwets aapjes kijken. De trein werd bevolkt door Chirokinderen – de Chiro is een scoutachtige organisatie waar je in de weekends met geen mogelijkheid omheen kunt, ze zijn er altijd en overal. Toen de kinderen moesten uitstappen en in rijen van honderd langs mij liepen, lachten ze en masse in hun vuistje. Buiten op het perron wezen ze op het raam waarachter ik zat en hoe hard ik ook terugstaarde – dat wil nog wel eens helpen als kinderen onbeschaamd naar je wijzen – ze deinsden er niet voor terug om hun ogen uit te kijken.

Ik baalde, en van binnen huilde ik. Kut, kut, kut, kut! Ik wilde mooi zijn, bewonderenswaardig, een vrouw! Ik broedde, dubde, peinsde en was niet in staat me er nog langer bij neer te leggen. Een vrouw, een mooie vrouw, goddomme, ik wil EEN MOOIE VROUW zijn.

Het moment dat ik uiteindelijk de beslissing nam, was waanzinnig paradoxaal. Vrijdagmiddag zag ik op uitzendinggemist.nl de documentaire Beperkt houdbaar. De film was gemaakt door een vrouw van mijn leeftijd met wie ik mij erg identificeer, omdat mijn eerste publicatie toen ik 19 was in een blad stond waarin ook een van haar eerste publicaties stond. Sunny Bergman, die naam was ik niet vergeten.

De film was sterk, vond ik. Sunny stelde het schoonheidsideaal van vrouwen aan de kaak aan de hand van haar eigen zelfbeeld. Hoogopgeleid, weldenkend, onafhankelijk, en toch ontzettend ontevreden, omdat ze niet kan voldoen aan het gephotoshopte ideaalbeeld dat iedereen van vrouwen heeft. Ik zag meisjes van vijftien die een vaginale verjongingskuur ondergingen (lees: het wegbranden van grote delen van de binnenste schaamlippen), ik zag vrouwen met enorm overgewicht die, blind voor het ideaalbeeld, tiptop tevreden waren met zichzelf. Ik zag de moeder van Sunny die in de jaren zeventig ten strijde trok tegen het afscheren van oksel- en schaamhaar. Ik zag redactrices van modebladen die vonden dat je wel heel erg dom en onzeker moest zijn als je een slecht zelfbeeld kreeg van het ideaalbeeld dat ze daar bij elkaar photoshoppen. Kortom: ik zag een ratjetoe van voor- en tegenstanders van het ideaalbeeld dat wij onszelf voorhouden. En mijn conclusie was vergelijkbaar met die van Sunny: het wordt hoog tijd dat we mensen weer mooi gaan vinden zonder dat eraan gesleuteld is. Het is mooi geweest. Echt is echt en plastic is plastic. En we hebben onszelf aangepraat dat plastic mooier is dan echt, dus we kunnen onszelf ook aanpraten dat dat bullshit is.

Des te vreemder dat ik de volgende dag naar het Kruidvat toog om daar ontharingsstrips voor het gelaat aan te schaffen. Ik weet ook echt niet waarom ik juist na die documentaire besloot dat-ie eraf moest. Ik was toch met haar eens? Ik vond toch juist dat rimpels, haartjes, vetrolletjes en tekenen van leven veel karakteristieker waren dan achter de oren vastgezette kaaklijnen en bolgespoten lippen? Ik vond toch juist dat we een statement moeten maken tegen dat schoonheidsideaal?

Maar ik bezweek. En terwijl mijn lief kreunend van medeleven toekeek, maakte ik korte metten met de haartjes op mijn bovenlip. Nu ben ik een vrouw zonder snor en dat doet me goed. Ik verloochen mijn eigen ideaal en dat maakte me gelukkiger. Ik ben de paradox in hoogst eigen persoon; teleurgesteld omdat ik mijn eigen ideaalbeeld ondermijn – een wereld waarin vrouwen mogen zijn wie ze zijn – en dolgelukkig omdat andere mensen me – en dat weet ik 100 procent zeker – mooier zullen vinden.

Het is ook veelzeggend dat ik dit nu pas openbaar maak. Dat u er niks van wist. Ik schaamde me dood. Nu niet meer. Met de mantel der liefde bedekt, of nee, met wortel en tak uitgeroeid. Tegen al mijn principes in.