Hoe het anders is – de bus en de uitverkoop

The devil is in the details, zeggen ze. En dat klopt. Mijn beleving van het leven is in wezen niet veel veranderd in het half jaar dat ik over de grens woon: ik werk, ik heb lief, ik heb te weinig tijd voor al mijn hobby’s en ik doe mijn best mijn vrienden niet al te veel te verwaarlozen. Tot zover niets bijzonders. Maar ongemerkt maakt mijn hele systeem van futiliteiten een fikse ommezwaai. Zo wist ik onlangs het woord ‘plattegrond’ niet meer. En zo zit ik op de fiets alleen nog maar te hopen dat we niet naar beneden gaan, want dan moet ik op de terugweg weer omhoog. Kleine zaken, maar alles bij elkaar maken die het verschil.

De vorige keer ging het over de post en de politie. Vandaag: de bus en de uitverkoop.

De bus

De bus maakt deel uit van het openbaar vervoer. En het openbaar vervoer in België is.. uh… ja… wat je noemt: een ondergeschoven kindje. In België heeft men een auto. Behalve ik.

Maar goed, de bus. Ze bedoelen het goed hoor, dat wel. Ze maken mooie, grote, winderige busstations met actuele businformatie op elektronische schermen. Vertragingen verschijnen tijdig op het scherm en langs de route zijn de bushokjes meestal schoon én heel. Maar toch gaat het allemaal niet van harte.

Zo zijn er per definitie op vrijwel elke lijn te weinig bussen. Als er één bus per kwartier gaat, is het veel. Wij kunnen hier twee bussen per kwartier nemen, dat is echt waanzinnig veel.

Maar de bussen komen vaak te vroeg of te laat. En als je niet oppast, beland je soms, zomaar, ineens, in de bussengarage. Alsof ze bij De Lijn (zo heet de busmaatschappij) niets liever willen dan die elektronische vertragingsborden vullen met glimmende led-lampjes.

En de Vlaamse bussen zijn klein. Je moet vaak staan. Heel vaak. Terwijl ik ook in lange bussen heb gezeten hoor. In mijn eentje.
Iets in mij zegt me dat de materiaalplanner van De Lijn enige bijscholing nodig heeft.

Qua betaling kunnen ze het hier natuurlijk niet slechter doen dan in Nederland, maar ze komen in de buurt. Waar we in Nederland het onbegrijpelijke systeem van 2 zones = 3 strippen hebben, grossieren ze hier in kleine onwetmatigheden.

De Belgische strippenkaart is een soort parkeergaragekaart (een Lijnkaart) waarop elke keer in kleine priegellettertjes krediet wordt afgeschreven. Dat gebeurt door de kaart voorin bij de chauffeur in een stempelmachine te stoppen die de kaart na wat geratel weer uitspuigt.

Maar daar komt het eerste struikelblok: soms moet je dat zelf doen en soms moet je de kaart aan de buschauffeur geven. Dat laatste gebeurt volgens mij vaak als je met zijn tweeën op één kaart wilt. Dan stopt hij hem er twee keer voor je in – wat ik trouwens ook onlogisch vind: twee keer die kaart erin steken. Kan die stempelmachine niet gewoon x2 ratelen? – Hoe dan ook, het brengt mij elke keer in grote vertwijfeling: moet ik zelf dat kaartje in die gleuf doen of doet hij het voor me?

En dan het tweede punt van verbazing: toen ik laatst vier mensen wilde meenemen op mijn Lijnkaart mócht dat niet. Dus twee van de vier moesten een eigen lijnkaart kopen. Maar de keer erna mocht het ineens weer wel. Kijk, dat bedoel ik met ‘het gaat niet van harte’.

Iets zegt mij dat het openbaar vervoer hier nog in de kinderschoenen staat. Dat het alleen maar beter kan worden. Misschien omdat de bus hier tot voor kort goedkoper was dan in Nederland, wat ik enorm ouderwets vind. Of misschien omdat ze vorig jaar ineens Lijnkaarten in de voorverkoop hadden. Iemand was op het lumineuze idee gekomen Lijnkaarten in krantenwinkels en supermarkten te verkopen met twintig procent korting, zodat de bussen sneller door kunnen rijden. Ik kan mij niet herinneren dat er in Nederland ooit geen goedkope voorverkoop was.

Maar misschien is mijn gevoel dat het alleen maar beter kan worden, misplaatst. Want de bus werd vorig jaar net zo duur als in Nederland en 99 procent van de mensen die ik hier ken, heeft nou eenmaal een auto.

Later meer over het openbaar vervoer (de trein), maar nu eerst:

De uitverkoop

De uitverkoop is juist weer een toonbeeld van regels en wetmatigheden. Hoe het in Nederland precies zit, weet ik niet, maar dat het minder rigide is dan hier, staat vast.

De uitverkoop heet hier de solden of de koopjes en vindt op gezette tijden plaats (lees: op wettelijk vastgelegde tijden). Buiten de voor iedereen geldende soldentijd mogen winkeliers hun producten niet onder de inkoopprijs verkopen en in de periode voor de uitverkoop mogen er helemaal geen prijzen verlaagd worden. Er zitten vermoedelijk meer haken en ogen aan de soldenwet, maar dit is wat ik er globaal van begrijp.

Buiten de soldenperiode zijn kleren en schoenen duur. Duurder dan in Nederland, of nee, duurder dan in Amsterdam. Bijna altijd. Overal. In elke winkel. Of dat aan die wet ligt, is de vraag, maar de kans is groot.

Ik ben arm. Dus ik verfoei de soldenwet. Als ik niet meer in mijn broek pas, wil ik naar de eerste de beste broekenwinkel met uitverkoop. Nu moet ik wachten. Tot juli of januari. Of naar Nederland.

Volgens mij is het slecht voor de concurrentie, die prijsafspraken. Maar ja, dat is het hele eieren eten: ze willen kennelijk helemaal geen concurrentie. En dat neem ik ze kwalijk. Zeer.

Dus dat van die koopjes: daar ben ik niet zo over te spreken. Dat moge duidelijk zijn. En dat van die bus ook niet zo. Maar er is meer.
Volgende keer de huizen en de dokter.