Hoe Lucas schreef

Onbedoeld dacht ik door het stukje hieronder aan Lucas. Lucas heette anders, maar omwille van privacydingen heet Lucas nu Lucas.

Lucas schreef stukjes en ik was docent stukjes schrijven. Lucas was goed. Hij schreef helder en gestructureerd. Hij raadpleegde altijd meerdere bronnen en hij kwam met doordachte ideeën. Kortom: ik verwachtte veel van Lucas.

Maar Lucas maakte het niet waar. Elke week schreef hij meer stukjes dan nodig, elke week groef hij dieper dan de rest, elke week schreef hij vlug en to the point, maar elke week was er iets helemaal mis met zijn verhalen.

De ene keer was dat het ontbreken van hoor en wederhoor, de andere keer waren het tal van gedachtensprongen die misten, en vaak ging hij te kort door de bocht.

Het gekke aan Lucas was dat hij altijd wist wat er fout ging. Als je met hem sprak, biechtte hij gelijk op dat er wederhoor ontbrak, dat hij iets niet goed had uitgelegd of dat hij het verhaal iets langer had moeten maken. Maar als je vroeg: ‘Lucas, waarom schrijf je niet in een keer het goede verhaal?’, dan volgde er een onduidelijk antwoord of een vrijblijvend ‘ja ja ja’.

Ik piekerde me suf over Lucas. Op welk punt moest ik hem oppoken om verbetering te krijgen? Want Lucas snapte alles al. Hij wist wat hem te doen stond, maar hij deed het gewoon niet. En het was duidelijk geen kwestie van onwelwillendheid, maar van wat dan wel?

Er brak een maandagochtend aan en we gingen, zoals de routine ons dat voorschreef, een krantje maken. Lucas bracht mij zijn kopij en ik ging lezen. Kopje koffie, tl-licht, rode pen. En plotseling zag ik het. De bladspiegel. De regelmaat. De orde.

Lucas maakte alinea’s van vier regels. Niet langer en niet korter. Geen halve regels. Exact vier regels, tot de punt. Elke alinea, elke pagina.
Ik zocht het werk van de vorige weken erbij, en inderdaad: alleen maar alinea’s van precies vier regels. Het zag er maf uit. Neurotisch.

Ik riep hem erbij.
‘Lucas’, zei ik, ‘je maakt alleen maar alinea’s van vier regels.’
‘Ja’, zei hij, zonder een spier te vertrekken.
‘Dat is niet normaal’, zei ik.
‘Nee.’ Hij staarde naar de grond.
‘En het heeft ook geen zin’, zei ik.
‘Nee’, zei hij.
‘Je gaat er slechte verhalen door schrijven’, zei ik.
‘Ja’, zei Lucas.
‘Maar waarom doe je het dan?’, vroeg ik.
‘Ik weet het niet.’
‘Heb je dat bij meer dingen?’, vroeg ik. ‘Dat tellen?’
‘Nee’, zei hij.
‘Denk je dat je het kunt proberen los te laten?’, vroeg ik.
‘Ja’, zei hij.
‘Okee’, zei ik. ‘Laten we afspreken dat je volgende week alleen maar verhalen inlevert met alinea’s van verschillende lengte.’
‘Okee’, zei hij.

De week erna kwam hij niet opdagen. Ik heb hem nooit meer gezien.