Ik ben een chauffeur

Het is misschien handig als u eerst even o-kut-o-kut-o-kut-o-shit-o-shit-o-shit leest. Dan bent u weer helemaal bij.

En dan dit:
Ratelend, vlammend, met een allejezus hoge snelheid kwam het binnen. Stoel goed, polsen op het stuur, knieën iets gebogen, spiegelen met lucht en grond, ‘pinken’ naar rechts: knop naarboven, ‘pinken’ naar links: knop naar beneden, riem niet in je nek, hoofdsteun goed, ambriage links, rem midden, gas rechts, laatste twee met dezelfde voet, hopladiejee, starten maar.

En toen reed ik dus. Voor het eerst. In Hasselt. Op een industrieterrein. Bochtje hier, rondje daar, derde afslag op de rotonde, niet afsnijden, goed opletten. Per ongeluk rechts, loopt dood, dus keren. Eerste les. Gelijk al keren. Vooruit, geen gas, ambriage in, achteruit, stuur draaien, op laten komen, doorrollen, stuur terug, ambriage in, eerste versnelling, op laten komen, gas geven, ambriage los. Gedaan. Eitje.

En weer een bochtje, weer een straatje. Een andere knurft op hetzelfde terrein. Ook een loser in zijn eerste les. Zwaaizwaai. Schakel. Gas. Rem. Gas. Gas. Gas. Gas.

‘Ga hier maar rechts.’
‘MAAR HIER ZIJN ALLEMAAL AUTO’S!’
‘Ja.’
‘*Gloek*’

Blik in de spiegel. Achteruit = geen optie, want een auto.
Pinken naar rechts, in zijn 1, ambriage op laten komen, bijgassen, ambriage in, naar z’n 2, bijgassen, ambriage in, naar 3, ambriage los, bochtje, echte weg, veel verkeer, een fietser, twee fietsers, midden op de weg, met een bocht, en nog een, en nog een, en nog een. Ik rij!

Dus ik rij en schakel alsof het niets is. Z’n 4 is een makkie. Terug ook. Ik sjees langs Alken en de Haspengouwse fruitbomen, ik trek door bebouwde kommen en langs zeventigwegen, ik ga links, rechts en dan weer links. Ik haal fietsers in, pink dat het een lieve lust is en neem deel aan het verkeer. Ik rij. Ik rij echt. Ik rij verdomme echt!

Ik ben gewoon hartstikke een chauffeur. Want ik zette ze thuis af. En niemand was bang geweest.