Ik ben pro ruiltochten

Er stonden twee meisjes voor de deur.
Meisjes van een jaar of negen met roze rokjes, paarse truitjes, gele strikjes, blauwe maillootjes en groene schoentjes.
‘Wij doen een ruiltocht, heeft u iets wat u met ons kunt ruilen?’, stamelde een van de meisjes.
Een ruiltocht? Mijn hemel, wat is dat in godsnaam? Ik wilde niet al te allochtoon overkomen, dus ik vroeg het niet.
‘Ja hoor’, zei ik. ‘Momentje.’
Ik ging naar binnen. ‘Yuri, Yuri, er staan meisjes voor de deur en die doen een ruiltocht. Wat moet ik doen? Wat moet ik doen?’
‘Je moet iets met ze ruilen’, zei Yuri. ‘Wat hebben ze?’
‘Een zak chips’, zei ik, ‘en allemaal roze rokjes, gele strikjes en glitterdingen in hun haar.’
‘Ah, ’n zak chips’, zei Yuri en hij liep naar de keuken. ‘Dan moet het dus meer zijn dan een zak chips.’ Hij pakte een pak heel vieze koekjes zonder suiker uit de kast.
‘Maar dat is minder dan een zak chips’, zei ik. ‘Dat zijn echt heel smerige koekjes.’
We keken om ons heen, op zoek naar iets wat we nog kwijt wilden.
Mijn oog viel op de vier Duitse zweetbandjes.
Enfin: één en één is twee. Die chips waren lekkerder dan de vieze koekjes. En op de laatste zin van dit stukje heb ik eindelijk een antwoord.

(Trouwens: zo’n ruiltocht kende ik eigenlijk al, van internet – zie one red paperclip)