Naïef en boeklezend (2)

Dit is een vervolg op: Naïef en boeklezend, dat was het devies.

Terwijl ik wachtte, bekommerde de douanier die me had binnengehaald zich om mij. Het was duidelijk dat hij me met alle egards wilde behandelen, maar dat dat lastig ging. Hij kon me geen zitplaats aanbieden, want er waren tien keer zoveel mensen als zitplaatsen. We konden de zaken niet snel afhandelen, want hij had een bureau nodig om formulieren in te vullen en verder waren alle weegschalen, alle hokjes en de enige vrouwelijke rechercheur bezet.

Uiteindelijk liet een hij een nerveus jongetje van een jaar of zeventien opstaan om mij te laten zitten. Dames gaan kennelijk voor. Ik moest mijn spulletjes in een lichtblauw afwasteiltje doen. Mijn pet, mijn boek, mijn agenda, mijn paspoort, mijn verblijfsvergunning en de serie sleutels-portemonnee-sigaretten. Mijn hasj was al meegenomen naar de wachtrij voor de weegschaal.

Omringd door Waalse jongetjes die over het algemeen nogal bangig uit hun ogen keken, vulden we het formulier in. De douanier werd alsmaar jovialer. Waarom ik toch in godsnaam in België was gaan wonen als ik uit Amsterdam kwam. En of ik Frans sprak. En dat ik heus wel mocht roken, maar alleen in de coffeeshop. En niet op internationaal terrein hè, daar zijn afspraken over.

Ik knikte en humde en riep af en toe ‘ik was me van geen kwaad bewust’ of ‘goh, daar had ik geen idee van’. Het werkte. Hij zette er vaart achter. Kennelijk had hij onthouden dat ik toch op zijn minst de volgende trein wilde halen. En vermoedelijk vond hij het kantoortje ook niet de ideale plek voor naïeve meisjes met meisjeshaar. Tussen al die jongetjes, die latex handschoentjes en die verdovende middelen.

Waar ik het had gekocht, wilde hij weten. Geen idee, zei ik. Naar waarheid. Het klonk misschien wat stom, maar ik wist het echt niet. Ik onthoud van coffeeshops of het er gezellig was, en welke muziek ze draaiden. Niet welke naam er op het raam staat.

Maar hij vroeg niet welke muziek ze draaiden, hij vroeg hoe het daar heette. Hij gaf me een map met tientallen foto’s van coffeeshops in Maastricht en omstreken. Ik bladerde wat en ik kreeg het ineens heel warm. Geen moment had ik de gevel en de naam van de coffeeshop een blik waardig gekeurd, hoe moest ik nu de juiste foto aanwijzen?

In de map zat een foto van een coffeeshop met een deur die naar buiten opengaat.
‘Deze is het’, zei ik. ‘Want die deur gaat naar buiten open. Ik herinner me die deur.’
De douanier fronste. ‘Wil je niet nog even verder kijken?’
‘Nee’, zei ik, blind vertrouwend op het fotografisch geheugen dat me overvalt als ik een jointje heb gerookt.

De douanier, die vermoedelijk geen jointje had gerookt, vond het argument van de deur duidelijk wat zwakjes, maar hij deed het ermee. Wel moest ik weer zo snel mogelijk de rol van het boeklezende meisje-meisje aanwenden, voor het geval ik met mijn openslaande deur imagoschade had opgelopen.

Intussen zwelde de groep verdachten aan. Vrijwel iedereen uit de trein Maastricht-Luik bleek betrapt door de hasjhond. De achterstand van de agenten in het kantoortje liep op. Waren er toen ik binnenkwam nog maar een stuk of vijftien Waalse jongetjes, nu waren het er al dertig.

De douanier die zich over mij ontfermde, spoorde zijn vrouwelijke collega aan. ‘Zij eerst, nee echt, zij eerst.’ Als was ik de koningin zelve. Intussen zat ik een beetje schaapachtig, want stoned, om me heen te staren. Ik had een glimlach om mijn mond, een oprechte. Ik vond het serieus vermakelijk allemaal. Die bange jongetjes, de aan de lopende band wegende agenten, de mededelingen over wie wat in welk lichaamsdeel had verstopt: allemaal zeer amusant.

Als blikken konden doden, lag ik daar ter plekke te creperen, want de Waalse jongetjes waren helemaal niet zo geamuseerd. Waarschijnlijk omdat de meesten zich niet hadden beperkt tot vijf gram. Zij snapten niets van mijn glimlach.

Er was een weegschaal vrijgekomen. ‘Mijn’ douanier begon te wegen. ‘Weet je zeker dat het niet meer dan vijf gram is?’, vroeg hij nog eens. ‘Ik denk het niet’, zei ik. ‘Tenzij ik gematst ben, maar dat zou dan de eerste keer zijn.’ Daar moest de douanier smakelijk om lachen.

4,76 gram. Dat betekende dat ik een dikke joint had gedraaid, daar in die coffeeshop met de naar buiten openslaande deur. De douanier leek opgeluchter dan ik. Hij had me erg aardig behandeld en als ik hem dan had voorgelogen, was hij natuurlijk de grote sukkel.

Het moment dat ik naar het hokje mocht was aangebroken. De agente trok een stel schone latex handschoentjes aan en wenkte mij.

(wordt vervolgd)