Naïef en boeklezend, dat was het devies

Eigenlijk ben ik helemaal niet zo crimineel. De enige dingen die bij mij duiden op burgerlijke ongehoorzaamheid zijn illegale flessen of kranten in de vuilnisbak, mijn fietslampjes die ik steevast vergeet, en het stukje stuff dat ik eens in de zoveel tijd naar België smokkel.

Maar deze nietige overtredingen, een verdacht hoofd en de verkeerde vrienden zijn voldoende aanleiding voor een lange loopbaan als verdachte in eender welke kwestie.

Vandaar ook dat ik niet zo schrok toen die hasjhond op het station in Maastricht op mijn knie stond te kwijlen. Van Zwitserland tot Spanje hadden douaniers mij tot in het diepst van mijn tandpastatube onderzocht. Tien van de tien keer was ik onschuldig, tien van de tien keer zag ik er kennelijk wel schuldig uit.

Nu zag ik er nauwelijks schuldig uit, diep verzonken in mijn boek, haartjes netjes in een meisjescoupe en een Nederlands paspoort op zak. Maar ik was wel schuldig. En dat wist die hond ook. Niks meisjeshaar, niks geletterd en hoogopgeleid. Hij rook hasj.

Klopt, zei ik tegen de douanier in burger, toen die het vermoeden uitsprak dat ik verdovende middelen op zak had. Ik vond het vervelend, onhandig, schaamtevol. En spannend. En dat allemaal maal tien, want ik had even daarvoor een jointje gerookt in een coffeeshop.

De toon van de douanier was vriendelijk en correct. Wat het was, hoeveel het was, of ik een identiteitsbewijs had en of ik misschien even mee zou willen komen.
‘Dus dan ga ik deze trein niet meer halen?’ vroeg ik, terwijl ik probeerde luchtigjes te kijken. En daarmee was ook mijn toon gezet.

‘Nee, deze niet, maar de volgende wel hoor’, zei de douanier geruststellend.
Ik probeerde mijn gezicht in de plooi te houden. Naïef en boeklezend, dat was het devies.

Ik pakte mijn spulletjes – jas, tas, pet, boek – met mijn vingers tussen de bladzijden – en ik merkte dat ik werd aangestaard door de rest van de trein. Ik werd rood, want ik wist toen nog niet dat ik een groot deel van het publiek later zou terugzien op het beklaagdenbankje.

Eenmaal buiten begon de douanier gezellig een potje te keuvelen. We liepen naar een kantoortje op het perron. Of ik gewinkeld had en waar ik woonde. Of ik niet méér bij me had, want als dit alles was, dan kon ik zo weer gaan. Ja, het kon hem niet schelen hoor, maar ja, ik ging internationaal terrein op hè, dus daarom moest ik even gecontroleerd worden. Stelde niets voor. Hij was de goeie peer en ik het naïeve dromertje. Dat was dan afgesproken.

Binnen in het kantoortje was het een drukte van belang. Achter glas zaten een stuk of acht rechercheurs als een soort Afghaanse drugshandelaren hasj en wiet te wegen. Dat wisselden ze af met het aan- en uittrekken van latex handschoentjes ten behoeve van het nader onderzoek in de hokjes achterin. Tussendoor riepen ze dingen naar elkaar als: ‘Die jongen met dat lange haar had naast die 4,6 gram in zijn broekzak, ook nog 7 gram in zijn sok en 8 gram in zijn onderbroek.’

Aan mijn kant van het glas zat de halve trein, de andere helft moest nog komen. Waalse jongetjes en mannen van allerlei pluimage, een enkele Vlaming en één ander meisje. Ik stelde vast dat in dit segment van de markt mannen de boodschappen doen.

Het kantoortje was te klein. Er waren te veel agenten, te veel aanhoudingen, te weinig hokjes, te weinig weegschalen, te weinig zitplaatsen, te weinig bureaus en te weinig vrouwelijke rechercheurs.

Het wachten was op die vrouw. Wachten tot die ene vrouw haar handen vrij had – ja ja, we gaan plastisch worden. Wachten tot ik eindelijk met haar in zo’n hokje mocht en erachter zou komen waar die latex handschoentjes voor bedoeld waren.

Wordt vervolgd.