Normaal houden ze niet zo van mij

‘Soms wil ik hier niet wonen.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat bijna iedereen zo negatief is over Nederlanders.’
‘Wie? De Vlamingen?’
‘Ja, de Vlamingen.’
‘Maar we kijken toch juist tegen jullie op?’
‘Nee, dat is gelul. Een enkeling wel, maar de meesten niet.’
‘Hoezo? Waaraan merk je dat?’
‘In gesprekken, in de krant, op weblogs, op feestjes, op tv.’
‘Nou, dat valt toch wel mee?’
‘Nee, dat valt helemaal niet mee.’
‘Maar wat bedoel je dan met negatief?’
‘Nou gewoon, allerlei negatiefs. Soms niet eens beargumenteerd.’
‘Maar we zeggen toch ook vaak aardige dingen over jullie.’
‘Ja, dat komt wel eens voor. Laten we zeggen dat twintig procent aardig is en tachtig procent niet.’
‘Kom! Nu overdrijf je wel een beetje.’
‘Nee, niet. Sterker, aardige dingen worden vaak vooraf gegaan door: normaal hou ik niet zo van Hollanders, maar bladiebladiebla.’
‘Maar jullie zeggen toch ook onaardige dingen over ons.’
‘Nauwelijks. We hebben moppen, maar dat zijn grapjes. En veel vooroordelen. Maar die zijn overwegend positief.’
‘Ik denk dat een Vlaming die in Nederland woont hetzelfde kan zeggen als jij.’
‘Ik durf te wedden van niet.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Omdat ik veel Vlamingen heb lesgegeven en zag hoe Nederlandse studenten met hen omgingen. Dat die vaak vol bewondering waren. En nieuwsgierig.’
‘Maar het is toch ook niet waar dat wij zo negatief zijn over Nederlanders?’
‘Jawel.’
‘Noem eens wat dan?’
‘Nou ja, al die opmerkingen over Nederlanders die luidruchtig en onbeschoft zijn. En direct en grof.’
‘Ja, ach, dat zijn altijd dezelfde mensen die dat zeggen.’
‘Nee, ook vrienden en familie. Het zijn maar kleine dingen, meestal over wat we zeggen, wat we eten of hoe we schrijven. Soms over hoe punctueel we zijn, hoe zuinig en hoe weinig intiem. Over onze woordenschat, onze uitspraak, onze televisieprogramma’s, onze…’
‘Ach…’
‘Ja, het stelt allemaal weinig voor, maar alles bij elkaar is het veel. En het steekt me.’
‘Je moet het je niet aantrekken.’
‘Dat doe ik meestal ook niet, maar te veel druppels doen de emmer overlopen. En dan wil ik hier soms gewoon niet wonen.’
‘Ach meisje toch.’
‘Ja.’
‘Maar ik neem het voor je op hoor.’

En dat deed hij. Kijk en lees.