Over de man met wie ik nooit in New York ben geweest

Ik sprak laatst iemand die dacht dat ik in New York was geweest.
Waar een ander al moeite heeft om op een visitekaartjesborrel het gesprek op gang te houden, krijg ik het voor elkaar om mensen te laten geloven dat ik in New York ben geweest. En dat dan onbedoeld. Dus dat u niet denkt: wat een uitslover zeg, want hee, ik kon er niks aan doen.

Het kwam gewoon zo. Ik zit heus niet te schichtig om me heen te kijken tot ik denk: ja, NU kan ik het zeggen! En dat ik dan doodleuk zeg dat ik in New York ben geweest, als u dat soms denkt. Zo ben ik echt niet.

Nee, op de een of andere manier kwam er een punt in het gesprek waarop ik dacht: verrek, hij denkt dat ik New York ben geweest. Ik vond het een leuke gedachte, proefde het idee voor een ogenblik. Ja, New York, ja, leuk. Maar ik raakte ook in paniek. Shit! Wat nou als hij ook in New York is geweest? En als hij vraagt waar ik logeerde?

Ja, New York, ja, leuk, werd: nee, New York, nooit geweest. Maar ik durfde het niet te zeggen. Hij ging maar door over de Hudson, over Brooklyn, over Manhattan, over het gemakkelijke stratenplan en over de hoeveelheid verkeer. Ik kromde mijn tenen in mijn hooggehakte schoenen en liep even weg om mijn champagneglas neer te zetten. Ik overwoog een oester te nemen om het gesprek te keren, maar dat is het verhaal van de uzi en de mug, want wat is erger in visitekaartjesgezelschap: al slurpend een oester eten, of dat men denkt dat je in New York geweest bent? P’cies.

Dus de man dacht dat ik in New York geweest was en ik liet het zo.
‘New York heeft zo’n apart ritme’, zei hij.
‘Ja’, zei ik, ‘alle steden hebben een eigen ritme.’
‘Ja, maar New York heeft echt een eigen eigen ritme’, zei hij.
‘Ja’, zei ik.
Boem. Dood.

Maar de man hield vol.
‘Een vriend van mij zegt altijd dat hij zo rustig wordt van New York.’
‘O. Ja’, zei ik. ‘Dat kan ik me wel voorstellen.’ Ik dacht aan Ghostbusters.
‘Ja’, zei hij, ‘het schijnt erg makkelijk te zijn in het ritme van de stad mee te gaan.’

Schijnt. Te zijn. Ha! Hij was ook nooit in New York geweest! Vandaar dat hij die vriend erbij haalde.

Ik keek vol overmoed naar de schaal met oesters, overwoog éven om hem te vragen waar hij gelogeerd had in New York, maar realiseerde me toen dat dit dus eigenlijk een heel sneu gesprek was geweest. Ons gesprek was een gesprek van twee sneuërds.

Op zijn visistekaartje schreef ik toen ik thuiskwam: de man met wie ik nooit in New York ben geweest.
Want zo was het.