De Niet Lief Collectie:De meet ’n greet met Maarten en Micha

Dit stukje verscheen op 2 januari 2008 op nietlief.com. Kaat zwengelde het aan met de volgende inleiding:
“Lieve NietLiefjes,
Als ik een iemand graag had willen ontmoeten dan was het Mahatma Gandhi. Omdat ik het een van de meest bewonderenswaardige mensen vind die op deze aarde heeft rondgelopen.
Wie zouden of hadden jullie graag willen ontmoeten?”

Opdracht: Wie zouden of hadden jullie graag willen ontmoeten?
Geschreven door: Zezunja

Er zijn talloze mensen met wie ik wil eens een biertje zou willen drinken (Martin Bril, Joris Luyendijk, Bernard Dewulf). Veel mensen die ik zou willen interviewen (Arnon Grunberg, John Zorn, Josh Homme). En veel doden die ik terug zou willen roepen (Herman De Coninck, Andy Warhol, Roald Dahl). Maar tegelijkertijd ben ik niet zo van het ontmoeten. Mijn werk zou de perfecte route naar al die meet ’n greets kunnen zijn en toch heb ik nooit moeite gedaan om mij te specialiseren in celebrityjournalistiek. En als de doden niet dood waren, zou ik vermoedelijk net zo weinig moeite doen om ze te ontmoeten als nu bij de levenden. Zonde van hun wederopstanding, dunkt me.

Maar hoewel ik niet geloof in enig afterlife, zijn er twee doden voor wie ik wél moeite zou doen om ze onder het genot van een goed glas bier en een bakje nacho’s eens flink aan de tand te voelen. Micha en Maarten.
Micha en Maarten zijn twee vrienden die allebei op mysterieuze wijze verdwenen. De één in 1993, de ander in 2004. En juist door die verdwijning valt er een hoop te bespreken.

Want drie maanden lang was Maarten kwijt. Mijn lieve collega, mijn vroegere buurjongen, de kok door wie ik van de koude naar de warme kant mocht verhuizen. Hij was 19 en nog nooit ergens anders dan in Benidorm geweest, dus bloedzenuwachtig toen hij in de zomer van 1993 met wat vrienden naar een Grieks eiland vertrok. Voor het eerst vliegen, voor het eerst zo ver en voor het eerst draaide de keuken verder zonder hem.

Twee weken zouden we voor hem invallen. Twee weken verdeelden we alle diensten over slechts drie koks en twee weken ginnegapten we over wat de bleue Maarten allemaal zou overkomen op dat hete Griekse eiland.
Maar twee weken werden drie weken. Maarten zat niet op het vliegtuig terug en niemand wist waarom niet. Op de terugweg waren zijn vrienden hem kwijtgeraakt en ze hadden geen flauw idee waar ze hem moesten zoeken.

Drie weken werden een maand, en later twee maanden. Toen werd hij gevonden door de Griekse politie. In het water in de haven van Athene. Zijn moeder moest zijn half vergane lichaam identificeren. We hebben hem in Amsterdam begraven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats. De aula was te vol voor woorden, er klonk glamrock en Doe Maar en niemand van de aanwezigen wist wat er in de tussenliggende weken met Maarten was gebeurd.

Elf jaar later kreeg ik een vergelijkbaar bericht. Het was tussen Kerst en Oud en Nieuw en de wereld was in rep en roer over een tsunami. Ik kreeg een telefoontje: Micha was vermist. Micha, mijn vriend van de jaren negentig, de schaakmeester met wie ik Jaap Fischerliedjes zong, met wie ik tot vermoeiens toe over mislukte relaties sprak en met wie ik me wentelde in de nodige Weltschmerz. Micha was verdwenen in Thailand, maar het had NIETS met de tsunami te maken. Lekker dan. Probeer op zo’n moment maar eens hulp te krijgen. Van de politie. Van de ambassade. Van de ministeries. Wat zegt u? Een vermiste? U mag achteraan in de rij van duizenden vermisten.

Uiteindelijk is een vriend van Micha richting Thailand vertrokken om zelf te zoeken. Hij reisde zijn spoor na, kreeg het vermoeden dat Micha is verdronken, kwam uiteindelijk geen steek verder en keerde met lege handen terug. Zijn ouders verklaarden Micha enkele maanden later dood. We herdachten hem met zeker honderd man.

Ja, met Micha en Maarten zou ik zielsgraag op een barkruk eens een flinke boom willen opzetten.