Jaarallegaar (2)

2008 was het jaar dat zowel mijn fototoestel als dat van mijn Weederhelft kaduuk ging, maar op de een of andere manier lukte het me toch om uit de schamele verzameling een jaaroverzicht te selecteren. Bij deze.
Voor alle foto’s geldt: klik voor een groter exemplaar.



In 2004, het jaar van lief en leed, ziek en zeer wenste ik iedereen een gezapig 2005. In 2008 had ik na jaren van aan de haak slaan, verhuizen, heraarden en voorthollen dan eindelijk dat gezapige jaar dat ik wenste. De zonsondergang in de tuin was het spannendste dat ik meemaakte.



Rij-examinator: ‘Laat maar eens zien waar u de olie ververst.’
Zezunja stroopt mouwen op, legt zonnebril even op het dak, wijst zonder haperen oliedop aan, stapt in, rijdt weg en constateert dan dat haar zonnebril nog op het dak ligt.



Ons huis is in de zomer een fijn huis, wegens tuin. In de zomer is het huis 150 vierkante meter groter dan in de winter. In de zomer liggen de vestjes buiten. En de poezen ook. Met de groeten van Sjeik.



Ik gaf dit jaar les aan cursisten van velerlei pluimage. Aan hobbyisten, aan mensen die over afvalverwerking schreven, aan jonge reporters van StampMedia, aan beroepsschrijvers van grote bedrijven, aan de schrijfclub in Gent en dus aan de jongen die het contract van Contact won, en aan de CJP-reporters. De foto is gemaakt in Gent tijdens een workshopweekend van CJP België.



We gaan over een maand samenleefcontracten, om de ongezellige reden dat ’t goed is voor onze toko. Niettemin kreeg mijn schoonmoeder een appelflauwte toen ze het hoorde.



Op 24 mei overleed Kitti Manning, de enige vrouwelijke collega op de SvJ met wie ik vriendinnetjes was. Ik wist nog niet dat de kanker was teruggekomen. Op mijn afscheid van de school in 2006 gaf ze me een prachtige muis onder het motto Diamonds are a girl’s best friend.



In mei hing ik de muis naast mijn bureau tussen alle andere dingen die belangrijk voor me zijn. Kitti leeft niet meer, maar ik denk bijna dagelijks aan haar. Aan haar extravagantie, aan haar onafhankelijkheid, aan haar onmetelijke vrolijkheid en aan haar schijt aan alles. Haar diamonds zijn nu deel van mijn best friends.



Toen de Vlier volhing hadden we geen ladder die hoog genoeg was om te oogsten. Een maand later hadden we die ladder wel, maar toen was het te laat. Die grote ladder lag weken in de gang, omdat ons wiskundige oog de ladder niet door ons bochtige huis kreeg. Via de straat, de slaapkamer en het dak van de keuken lukte het ten slotte toch.



In de zomer kwamen mijn neefje en nichtje logeren. Een paar dagen na hun vertrek vond ik dit briefje van mijn neefje op de grond. De lijm van de post-it had losgelaten, daarom had niemand het nog gevonden. ‘Ik ben weg. Luca.’

(Wordt vervolgd)