Mijn onvermogen om opgelucht te zijn

Het had een opluchting moeten zijn, maar dat was het niet.

Wacht, laat ik bij het begin beginnen.Ik reis graag alleen. Niet in het algemeen, maar pendelen naar mijn werk of reizen naar mijn roots doe ik het liefst in mijn eentje. Ik nestel mij graag op asociale wijze in de trein: kopje koffie, ruimte voor jas, tas, boeken en kranten. Liefst niemand naast me, en als wel: dan met het armleuninkje naar beneden, a.u.b.. Wegens chronisch ruimte- en privacygebrek in de trein vormt gezelschap vooral een belemmering voor mijn nesteldrang, dus ik reis liever alleen.

Maar elke frequente pendelaar weet dat alleen reizen niet evident is. Er zijn collega’s, kantinemedewerkers, mede-cursisten en toevallige ontmoetingen te over, en allemaal kunnen ze onverwacht dezelfde kant op moeten.

Het begon al als student op de School voor Journalistiek, waar ik voor het eerst werd geconfronteerd met het ongemak van een niet-zelfgekozen reispartner. Dagelijks reisde ik van Amsterdam naar Utrecht, dus het risico op gezelschap was levensgroot. Klasgenoten waar ik, op mijn reisroute na, niets mee gemeen had, docenten die zich net als ik geen houding wisten te geven en, jawel, kantinemedewerkers die mij nauwelijks kenden, maar wel keurig een praatje aanknoopten op het perron. Maar ook mensen die ik wel kende, meed ik liever in de trein.

Toen ik docent werd, was het nog erger. Per jaar kwamen er met gemak achthonderd vage kennissen bij en er waren nog immer docenten (die nu collega waren) die zich geen houding wisten te geven.

Zodoende ontwikkelt de notoire aso (lees: ondergetekende) trucjes om te voorkomen dat de hele reis opgaat aan ongewenst gezelschap. De gemakkelijkste methode is: naar einde van het perron lopen. De meeste mensen blijven ergens rond het midden hangen, dus die extra meters verkleinen de kans op ongewenst gezelschap enorm. Een andere methode is ‘de andere kant opkijken bij het wachten/instappen/plaatsje uitzoeken’. Die tactiek is al een stuk moeilijker, want in de meeste situaties is grote alertheid en scherp acteertalent vereist. Probeer een leuke kennis of een huisgenoot maar eens glashard te negeren. Voor het overige is het vooral een kwestie van het spitsuur vermijden en niet te veel door of langs een trein wandelen. Maar hoe je het ook bekijkt: op het traject Amsterdam-Utrecht of op Leuven-Antwerpen blijft het oppassen geblazen.

Onlangs had ik dus eigenlijk opgelucht moeten zijn. Er bleek een leuke kennis naast me te zitten in de trein. Iemand met wie ik graag praat, met wie ik graag omga. Maar ik zat in de trein, en tja, dan past gezelschap nu eenmaal niet in mijn patroon.

‘Je hoeft niet met me te praten hoor’ zei ze, alsof ik een bordje met mijn mores op mijn voorhoofd had hangen: ‘Ik ben Zezunja en ik word graag met rust gelaten in de trein.’
Ik voelde me betrapt. Wat raar was, want misschien kwam haar geruststelling voort uit haar eigen onwil om Antwerpen-Leuven door te brengen met small talk. Haar kennende, was die kans zelfs best groot en dan waren we dus bondgenoten.

Maar mijn gevoel van betraptheid nam het over, dus ik begon smoesjes te verzinnen waarom ik inderdaad ‘die dag’ niet zo sociaal was. En dat ik ‘best wel’ wil praten, ‘hoor’, in de trein, wat dus helemaal niet waar was. En vervolgens zit ik dus de hele reis te bedenken hoe stom en ingewikkeld ik wel niet in elkaar zit.