Rij­lespro­za

Gisteren slaagde ik voor mijn theorie-examen. Ik had twee fouten, waarvan ik er eentje zelf al wist toen ik ‘volgende vraag’ aanklikte. Niet slecht, al zeg ik het zelf.

Dat betekent dat ik nooit meer met mijn neus in het the­o­rie­boek hoef, wat enerzijds een plezierig voor­uit­zicht is, maar ander­zijds een groot gemis. Want het rij­lespro­za in Wees Wegwijs is niet te versmaden en ik betwijfel of ik snel weer één wenkbrauw zal optrekken terwijl ik een boek lees. En daar hou ik van. Eén wenkbrauw optrekken terwijl ik een boek lees.

Zo trok ik een wenkbrauw op toen ik dit las:
“Een dronken bestuur­der is een moor­de­naar op vrije voeten.” Ik vond dat een boude bewering die volgens mij in het rijtje ‘kun je alles omdraaien?’ valt. De kans is aanwezig dat je als dronken bestuur­der iemand vermoordt, en je bent inderdaad op vrije voeten, maar is elke dronken bestuur­der daarmee een moor­de­naar op vrije voeten? Het was natuur­lijk de bedoeling dat ik me pre­ven­tief schuldig zou voelen, zo van ‘een moor­de­naar op vrije voeten, dat wil je niet zijn’, maar dat pakte niet zo uit. Ik begon slechts een denk­exer­ci­tie in het ‘omdraai­pa­troon’ en kwam tot de conclusie dat ik – als het zo makkelijk was – ook een moor­de­naar op vrije voeten ben als ik niet gedronken heb. Want kennelijk mag je ‘als de kans aanwezig is’ afronden tot 100 procent. Ik prees mezelf gelukkig dat ik nog op vrije voeten was.

En al die tijd had ik mijn wenkbrauw opge­trok­ken.

Mijn wenkbrauw was net weer aan het zakken, toen-ie – zwiep – weer omhoog ging. “Let extra goed op als je gehaast bent. Probeer nooit verloren tijd tijdens een rit in te halen. Vertrek op tijd, dan kom je nooit te laat.” Aha. Dat laatste. Dat zou gemak­ke­lijk zijn. Dat we voortaan alle toeval en inci­den­ten gewoon afschaf­fen en ervan uitgaan dat we, als we op tijd ver­trek­ken, nooit te laat komen. Whatever ‘op tijd’ may be… Ik begon er lol in te krijgen.

“Nader een overweg voor­zich­tig. Zorg dat je vooraf weet of het spoor vrij is. Een tweede kans krijg je misschien niet meer.” Prachtig toch? Dat ik zonder dit boek al die overwegen in mijn leven heb overleefd, ‘t is een wonder. De grote vraag is trouwens welke tweede kans je dan precies niet krijgt. In deze zin kan tweede kans verwijzen naar de handeling ‘naderen van een overweg’ of ‘weten dat het spoor vrij is’, en daar krijg je dan dus geen kans meer voor. Nooit meer een overweg naderen, je er nooit meer van ver­ge­wis­sen dat het spoor vrij is, denk je dát eens in. Maar het kan ook zijn dat je een tweede kans in the bigger scheme of things verspeelt. Brrr. Gek eigenlijk dat niet het hele boek volstaat met die mede­de­ling, auto­rij­den is immers een gevaar­lijk spelletje. Voor je het weet is die tweede kans in rook vervlogen.

Ik werd er poëtisch van. En dat doe ik doorgaans met ‘n wenkbrauw naar beneden. Poëtisch zijn. Het woord ‘fiets­sug­ges­tie­strook’ bij­voor­beeld. Dat vind ik een heel poëtisch woord. Mooi ritme. ‘Fiets­sug­ges­tie­strook’.

Maar dan: “Op auto­snel­we­gen is het verboden om het even welk voorwerp te verkopen of te koop aan te bieden, behoudens toelating van de Minister of zijn gemach­tig­de.” Kortom: je mag geen gejatte dvd-spelers uit de achterbak verkopen op de snelweg, maar als je een ver­gun­ning hebt, mag je je hot­dog­kraam op de pech­strook stallen. Mijn wenk­brau­wen ontaarden in zo’n geval in een ware wave.

Totdat ik doorhad dat ik het allemaal niet zo serieus moest nemen.
“Bestuur­ders die bij het naderen van vee-, trek-, last- of rijdieren zien dat deze dieren tekenen van angst vertonen, moeten
a. vertragen en aan­hou­dend claxon­ne­ren
b. stoppen
c. vertragen, maar mogen altijd door­rij­den”

Toen pas besefte ik dat niet alleen antwoord A vergezeld ging van een Beavis en But­the­a­d­ach­tig ge-huhuh. Alle quasi filo­so­fi­sche stel­ling­na­mes over tweede kansen en ‘alle dronken bestuur­ders zijn moor­de­naars’ kwamen uit de koker van een lolbroek. Go wenkbrauw, go! En als zo’n lolbroek ervoor zorgt dat mijn wenkbrauw en ik glansrijk ons theorie-examen halen, dan is het dus een fokking goed boek.

En zo ging jolijt (geslaagd!) gepaard met spijt (dag boek!) en leefden we nog lang en gelukkig. Dat wil zeggen: mijn theorie-examenpapiertje is drie jaar geldig. In die tijd moet ik prak­tijk­exa­men doen, dan ben ik pas écht op vrije voeten.

Dag boek!

15 reacties

  1. “Nader een overweg voor­zich­tig. Zorg dat je vooraf weet of het spoor vrij is. Een tweede kans krijg je misschien niet meer.”

    Vrouwe Zunja, mijn nonkel Edward moet dit boek ook ooit hebben gelezen en heeft deze didac­ti­sche waar­schu­wing altijd heel trouw ter harte genomen. Ook tante Imelda deed ruim­schoots haar duit in het zakje om van elk spoor­rail­over­gangs­avon­tuur (doe hier eventueel uw voordeel mee tijdens het scrab­be­len) een waarlijk bij­zon­de­re gebeur­te­nis te maken.

    Ruim 250 meter voor de bewuste overweg maande mijn tante mijn nonkel tot stilstand. ‘Edward, roep uw voituur een halt toe want wij naderen een overweg!’ krijste zij telkens weer uitermate enthou­si­ast. Midden op de rijweg stopte mijn nonkel dan bruusk de Opel Kadet want Befehl was Befehl. Eenmaal tot stilstand gekomen stapte tante Imelda uit, gespte een flu­o­ri­se­ren­de armband met de letters ‘BVOC’ (bond voor oplet­ten­de chauf­feurs) om haar bovenarm, gritste een scheeps­toe­ter en een rode vlag van de ach­ter­bank, nam een (hiertoe speciaal mee­rei­zen­de tuinstoel) uit de koffer en ging zich op tien meter achter de wagen midden op de rijweg zetten teneinde naderend verkeer via de vlag eveneens een halt toe te roepen. Eenmaal gezeten lies zij kort edoch krachtig op haar toeter dewelke voor nonkel Edward een sein was om zijn gedeelte van het over­gangs­ri­tu­eel ten uitvoer te brengen. Nonkel betrad zonder schroom en met een groene vlag in de hand de rails, keek een wijle naar links en naar rechts, zette zich op de knieën en legde zijn oor enige tellen op de sporen teneinde eventueel onver­wacht aan­stor­mend trein­ge­weld te loka­li­se­ren.
    Als de kust veilig was seinde hij dit heuglijk nieuws middels de groene vlag naar mijn tante aan wiens arendsoog niks ontsnapte. Na het sein nam hij opnieuw plaats achter het stuur. Eenmaal het sein ontwaard ver­za­mel­de mijn tante haar attri­bu­ten, schikte deze orden­te­lijk op hun vaste plaats, zette zich met een diepe zucht van tevre­den­heid naast mijn nonkel en sprak: ‘Duw hem op zijn staart, Edward, de kust is veilig!’

    Edoch, het leven heeft soms grillige scenario’s voor ons in petto. Toen mijn tante Imelda en mijn nonkel Edward geza­men­lijk op een gehuurde tandem door de stede Gent fietsten werden zij ter hoogte van de Vrij­dag­markt gegrepen door een tram. Alle hulp kwam te laat en het incident werd beiden nood­lot­tig.

    Uw ver­tel­ling bracht mij het prachtige koppel weer heel even in her­in­ne­ring. Mijn dank is groot.

  2. Als die boeken in Nederland zo geschre­ven waren dan had ik met een brede glimlach op mijn hoofd in één keer dat examen gehaald. Maar die kost is hier zo droog, dat een compleet irri­ga­tie­werk er nog niet een beetje sjeu in zou kunnen brengen.

    Ik zeg van harte, nou het rijbewijs nog…

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.