Tsjoeketsjoek

Ik schreef ergens: ‘deze zomer wordt er geweblogd’, maar dat was toen ik dacht dat de zomer als zomer zou voelen. Dat duurde even, en toen schreef ik ook daadwerkelijk iets meer stukjes. Maar somewhere along the way ging er een trein rijden en op de een of andere manier ben ik nog geen station tegen gekomen. Ik moet plassen, roken, weg uit die trein, maar ik zie geen kans om even aan te meren. Alles doet van tsjoeketsjoek.

Mijn enige redding is als ik thuiskom mijn hart te luchten, mijn maag te vullen en hoofd neer te vlijen. Webloggen lijkt een andere wereld. Rustig zitten en freewheelen: ik kan me niet herinneren wanneer ik het voor het laatst deed.

Misschien was het stom om deze zomer ons huis te vergezelligen. Misschien hadden we niet moeten bijschilderen, afkrabben, ophangen en uitmesten. Misschien hadden we moeten freewheelen. En rustig zitten. Maar ik kan me niet herinneren wanneer ik dat voor het laatst deed.

Nu moet ik werken, leuk werken, veel werken, hard werken. Met jongeren. En kranten. En radio. En websites (1, 2). En werkdruk. En reistijd. En deadlines. En dan door, met lesgeven, leuren, met stukken, mezelf. Veel problemen. Van anderen. ’t Is alles ineens en alles of niets.

Ik ben blij met werk, en een gezellig huis. Met al mijn bakens in de vorm van poezenhaar en superman. Ik ben blij dat het leven werkt, dat ik werk, dat wij werken. Maar ik heb nood aan een station. Een perron. Even uitpuffen. Rustig zitten. Plassen. Roken. Webloggen.