[wijvenweek] Kinderkolder

Ik zou best een kindje willen, maar als ik kleine ijsbeertjes zie, wil ik ook altijd een klein ijsbeertje. En als ik bruine kindjes zie, wil ik graag een bruin kindje. Op National Geographic zag ik onlangs een Vietnamees kindje, dat wilde ik ook wel. En als ik heel kleine Gremlins zie, dan wil ik die ook.

Mijn kindje zou Vlaams moeten spreken. Die afgeplatte klinkers zijn schattig in een brabbeltaaltje. Hoewel ik tweetalig ook heel schattig vind. En handig. Engelssprekende kindjes vind ik ook leuk. Drietalig dus. En mijn kindje moet zich natuurlijk ook kunnen redden in het Noord-Nederlands. Viertalig. Maar het liefst heb ik dat het kindje op gezette tijden zijn mond houdt.

Als het kindje iets zegt, moet het schattig zijn. Filosofisch ook. En een beetje brutaal. Zoals Nina die op de vraag ‘hoe gaat het?’ altijd zei: ‘Leuk!’ En Luca die vermoedde dat hij pas over duizend jaar dood zou gaan. Dat meisje dat tegen Dr. Phil zei: ‘Hee, u heeft geen haar!’ mag ook komen. Ik eis de godganse dag het programma Praatjesmakers, maar dan – alstublieftdankuwel – zonder Jochem van Gelder.

Het kindje moet op mij lijken. Niet helemaal natuurlijk, want al mijn mislukkingen moet het kindje goed maken. Zo moet het kindje een goed gebit krijgen, het zal op zijn of haar vijftiende keurig een typdiploma halen en het zal beter opletten bij Duits. Bovendien zal het geen verkering nemen met die jongen die langspeelplaten stal.

Uiteindelijk zal het kindje geld opbrengen. Hoe, dat weet ik nog niet, maar het zal verdomme betalen voor negen maanden inkomstenderving, en al die luierdoekjes en snoetenpoetsers. Voor niets gaat de zon op en dat zal het weten ook.

Kortom: hier ten huize Zezunja wordt met smart gewacht op de dag dat er een bruin kindje met een Vlaamse tongval en een zak geld voor de deur staat.

(dit is het laatste stukje in het kader van de wijvenweek)