Columns

Chris­top­he en de roes van het roze ruit­jes­pa­pier

Vandaag op VPRO’s Café De Liefde:

Hij heette Chris­top­he en zijn grote neus was zo verbrand dat je de vellen kon open­plooi­en. Ik was twaalf, hij was dertien en we liepen elkaar tegen het lijf op een winderig Frans strand. Het was de tijd dat mijn ouders nog dachten dat ik contact legde omwille van zijn voorraad schepjes en emmertjes, terwijl ik al zachtjes ‘je ‘t aime’ fluis­ter­de.

Chris­top­he en ik hadden een ijzeren regelmaat in onze relatie. Na de lunch waren we beiden te vinden bij de strandop­gang aan de zuidkant van het eiland. Onze ouders gingen daar zonk­lop­pen, onze broers en zussen gingen daar water­trap­pe­len en wij gingen daar lost in trans­la­ti­on tegenover elkaar zitten en glim­la­chen.

Dat aankijken was moeilijk. Dan moest ik aan mijn vader denken die mij al dagen pestte met Chris­top­he en zijn grote neus. En dan moest ik me beheersen, om niet de velletjes van zijn neus te peuteren.

Chris­top­he schreef briefjes die ik niet begreep op roze ruit­jes­pa­pier. In het begin was ik daarmee nog wel eens naar mijn vader gestapt. ‘Wat staat hier?’ Maar na verloop van tijd had ik door dat ik de plaag­geest in mijn vader daarmee enorm aan­wak­ker­de. Dus zei ik alleen nog maar merci als ik zo’n briefje kreeg. Thuis, in ons vakan­tie­ap­par­te­ment, zette ik dan mijn walkman op, ging ik op bed liggen en koesterde ik het roze ruit­jes­pa­pier­tje. Terwijl Madonna ‘True Blue, baby I love you’ en ‘Open your heart, tell me you love me’ zong, vroeg ik me af wat de tekst in het typisch Franse hand­schrift van Chris­top­he zou betekenen. Zou hij van me houden? Me mooi vinden? Zou hij met me willen trouwen?

De zon stond laag toen Chris­top­he en ik op een middag gebroe­der­lijk teke­nin­ge­tjes zaten te maken in de branding. We hadden het over demain, morgen. Daar hadden we het vaak over, want ik wist wat demain betekende, hij wist dat ook en het was tege­lij­ker­tijd een keiharde beves­ti­ging van onze relatie. Want als er tussen ons zoiets bestond als ‘morgen’, dan hadden wij verkering. Demain en ‘s embrasser dat was wat Chris­top­he die middag bena­druk­te. Ik begreep alleen maar morgen, en dat wij dus verkering hadden.

Maar het bleef wel hangen en ‘s avonds besloot ik het er toch nog maar eens op te wagen. Ik ging naar mijn vader. ‘Wat betekent embrasser?’. ‘Zoenen’, zei mijn vader, en de pret­licht­jes in zijn ogen ontstaken in vrolijk getwinkel. Ik voelde mijn wangen warm worden en maakte me zo snel ik kon uit de voeten. Liggend op mijn bed – Madonna had het inmiddels over ‘Papa don’t preach’ – nam ik een besluit: tussen mij en Chris­top­he was het uit. Demain en dus verkering: okee. Maar zoenen? Nee.

Edoch, er stonden nog wat wetten in de weg – en wat prak­ti­sche bezwaren. Zoals daar waren: mijn ouders die wilden zonk­lop­pen en mijn zus die wilde water­trap­pe­len. Aan de zuidkant, bij Chris­top­he met zijn rode neus. En ik, die hoopte dat mijn vader aan niemand zou ver­klap­pen hoe het precies zat met dat embrasser en zo.

Drie dagen lang lukte het me. ‘Laten we naar dat andere strand gaan, dan kunnen we langs die zout­pan­nen fietsen’, ‘Laten we vandaag niet naar het strand gaan, ik wilde nog naar La Rochelle’, ‘We zouden vanmiddag toch naar die markt gaan?’. Maar na drie dagen kon ik mijn familie niet langer misleiden. Bloed­ze­nuw­ach­tig zat ik op de fiets richting zuidkant. Ik wilde dolgraag nog meer roze ruit­jes­pa­pier­tjes, maar ik moest een plan bedenken om aan dat ‘s embrasser te ontkomen. Ik nam me voor het maar op ‘non’ in alle toon­aar­den te gooien.

Toen we op de hoogste duin aankwamen, zag ik hem al. Zijn neus blonk in de zon. Maar hij was niet alleen. Naast hem zat een ander meisje van een jaar of twaalf. Samen maakten ze teke­nin­gen in de branding. Hij sprak tegen haar. En het leek alsof ze begreep wat hij bedoelde.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.