Column Appel: Heren, wij hoeven uw steak niet meer

Deze column verscheen in het voorjaar van 2009 in Appel, het tijd­schrift voor de alumni van de faculteit Psy­cho­lo­gie en Peda­go­gi­sche Weten­schap­pen van de KULeuven.

Heren, wij hoeven uw steak niet meer

Vrouwen, het waren er al zoveel en het worden er alleen maar meer. Vorig jaar waren van de 510 inge­stroom­de studenten op de faculteit Psy­cho­lo­gie en Peda­go­gi­sche Weten­schap­pen er nog bijna 80 van het mannelijk geslacht. Dit jaar ver­ste­vig­den de vrouwen hun hegemonie (482 op 543 inschrij­vin­gen) en zakten de mannen verder af naar een schamele 61 stuks. Het is oneerlijk verdeeld in de wereld.

Mijn gedachten gingen bij het zien van deze cijfers terug naar de oertijd, de tijd dat mijn familie en ik nog te vinden waren bij de J van jagers en de V van ver­za­me­laars. De tijd dat alle vrouwen een bochel hadden van het hangen boven de grond, op zoek naar zaadjes en nootjes. De tijd dat mijn lief op zijn borst roffelend naar de uitgang van de grot holde, met zijn maten op weg naar een zelf­ge­scho­ten buffel.

Ik herinner me nog goed dat het toen al begon, dat gea­na­ly­seer van elkaars gedra­gin­gen en elkaars leer­pro­ces­sen. Wij, vrouwen, hangend boven de grond, onze kinderen vermanend en intussen roddelend over elkáárs kinderen en mannen. Over hoe het allemaal beter moest, met de wereld, met de heren, met de kinderen. En dat we dan in de einder starend wat over onze bochel wreven en de mannen luid ver­vloek­ten.

Onze mannen, die als ze thuis­kwa­men in de grot de lompheid zelve waren. Die hun bloedende trofee door de living sleepten, er geen acht op sloegen dat de kinderen sliepen; mannen waarmee niet te praten viel.

En als ik dan het bloed voor het haardvuur wegboende, kwam mijn lief met zijn verweer: hij praatte nu eenmaal nooit, de beesten zouden zich uit de voeten maken als hij en zijn maten te veel babbelden, en of ik wel eens had gepro­beerd 28 kilometer naar huis te lopen met een karkas op mijn rug, want dan zou ik het wel begrijpen. Als je dan bij thuis­komst uitgeput je speer en je knots in de hoek zet, ja, dan heb je dus helemaal geen zin in dat gezever aan je hoofd.

En ik, die wel van een steak poivre hield, vergaf het hem. Miljoenen jaren lang vergaf ik het hem, onderwijl wroetend in de grond – en pratend; altijd maar pratend. Met iedereen die het maar wilde horen, over iedereen die ik kende. Daarmee mijn en onze voor­sprong ver­gro­tend.

Tot nu, anno 2009. Nu zitten we met de gebakken peren. Geen mannen op de faculteit, omdat wij zo nodig een bief­stuk­je wilden. Dus als we er nog iets aan willen ver­an­de­ren, nemen we onze ver­ant­woor­de­lijk­heid: dan worden we vege­ta­ri­ër.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.