Ik voelde me goed als waarzegster

Het was iets hormonaals, het duurde bijna een jaar en het was bizar. De stad rook naar caviavoer, het water naar jodium en chloor, de poezen naar zure regen en mijn lief naar hetgeen hij zojuist gegeten had.
De wereld kreeg er een dimensie bij. Ik kon niet alleen horen dat er een bus aankwam, ik rook het ook, vaak zelfs voor het geluid hoorbaar was. Als iemand om de hoek een sigaretje opstak, dan voorspelde mijn neus lang op voorhand: als we de hoek om zijn, staat er iemand met een sigaret. En het was altijd waar.
Maar het was ook vervelend, ik dacht te ruiken dat vrouwen voor me op de roltrap hun maandstonden hadden, het zand van remmende trams en treinen brandde diep in mijn neus en één bruin plekje op een banaan had tot gevolg dat ik de bananen wilde weggooien wegens stankoverlast.
Nu is het voorbij, dat hormonale, en gek genoeg mis ik het. Want okee, de biobak is beter te harden, de schimmel in de muren kruipt niet meer in mijn neus en mijn lief ruikt gewoon weer naar mijn lief. Maar ik begon me wel thuis te voelen bij het idee dat ik iedereen vóór was. Dat ik kon voorspellen dat een meloen gistig zou smaken, omdat ik het van een afstand rook, dat ik kon ruiken hoe het weer zich zou ontwikkelen, dat ik steeds kon roepen: ‘Als we de hoek om komen, is daar een frituur/iemand met een sigaar/een houtvuurtje/iemand die het gras staat te maaien.’ Ik voelde me goed als waarzegster, om niet te zeggen superieur. Dat is nu voorbij.