Perikel 1: Choco (2)

Deel 1 vind je hier.

Goed, waar waren we gebleven.
Bij onze eerste nacht in het nieuwe huis. Het huis waar de zon opkomt aan de keukentafel, het huis waar de slaapkamer voelt als de kajuit van een mooie boot, het huis waarin we in onze dromen al weken wakker werden.

Nu werden we er echt wakker. Zonder Choco. Zonder Sjeik. En ook al waren we pas om drie uur gaan slapen na een dag waarop we vier verdiepingen huisraad door onze handen lieten gaan, om half zeven stonden we weer naast ons matrasje. Moe en ongerust.

De autoloze zondag zou om negen uur beginnen, dus we hadden nog tweeëneenhalf uur de tijd om de poezen te vangen en ze naar het nieuwe huis te brengen.

In het oude huis heerste een diepe zondagochtendrust toen we er aankwamen. Binnen was er niks. Buiten ook niet. Leek het. Tot Choco zich even liet zien. Op het terras. We aaiden haar. Ze miauwde. De zon scheen. Alles leek goed.

‘Ik ga haar pakken, goed?’, zei Wannes.
‘Goed’, zei ik.
En toen ging alles heel snel.
Choco zette haar nagels in Wannes’ pols, in zijn borst, in zijn been en wrong zich in een soort s-bocht, maakte haar nekvel ongrijpbaar en draaide in een driedubbele schroef uit zijn handen. Vervolgens vluchtte ze door de open tuindeur naar binnen.
‘Doe de deur dicht’, riep ik, ‘dan sluit ik het luikje van buiten!’
Wannes gooide de deur dicht, en probeerde intussen Choco te kalmeren die binnen aan de grond genageld haar vlaag van verstandsverbijstering te boven stond te komen.
Buiten deed ik het kattenluikje dicht en ik slaakte een zucht van verlichting. De poes was binnen. Nu was het slechts een kwestie van tijd.

Maar dat was iets te vroeg gejuicht. Binnen was Wannes Choco lieflijk aan het toespreken, terwijl hij haar in een hoek dreef toen er ineens een luid bangkletsboemdengdengdeng klonk. Choco probeerde te vluchten, maar omdat het luikje gesloten was, beukte ze zich een onvermijdelijke hersenschudding tegen de binnenkant van het luikje.
Ten slotte roste ze met een keihard KEDENG het luikje uit zijn sponningen. Ze rende voor haar leven naar het Jip Janneke-gat dat naar de buurtuin leidt. Ons hevig bevend achterlatend.

We keken naar Wannes’ pols, naar zijn borst, naar zijn been. En naar de bloeddruppels op de grond. Er was nog ruim een uur over om een list te bedenken, pas daarna zou de stad voor auto’s afgesloten worden. Maar misschien was een ontsmettingsmiddel op dit moment iets urgenter dan een nieuwe poging om een nog opgefoktere kat te vangen.

Het ontsmetten van de schrammen kreeg voorrang en zo begonnen we onze eerste zondag in het nieuwe huis. Een hete dag met één kat in het nieuwe huis en twee katten die elkaar niet kunnen uitstaan in het oude lege huis.

Zo goed en zo kwaad als het ging probeerden we de dag door te komen. Zoeken naar alledaagse dingen (‘Waar zijn de handdoeken?’, ‘Heb jij mijn oplader nog ergens gezien?’, ‘Die doos waar de suikerpot in zat, waar is die?’), pijn hebben in alledaagse spieren (‘Ik ga nooit meer verhuizen!’ ‘Dus we blijven hier ons hele leven wonen?’ ‘Dat weet ik niet, maar ik ga in elk geval nooit meer verhuizen.’) en gek worden van de logikwissen die in de soep liepen.

’s Avonds na negen uur was de stad weer begaanbaar voor auto’s en aangezien katten doorgaans erg actief worden rond de schemering was dat eigenlijk een prima moment.

In het oude huis was geen enkel geluid te horen, geen poes te zien. Niets te beleven.
We begonnen met tsjirpen, smakken en sissen en al gauw kwam Sjeik klagelijk miauwend op ons af.

Het was ons gegund: Sjeik liet zich – hoppakee – zó in de wasmand stoppen.

Choco was inmiddels op het dak van de schuur van de buren gaan zitten. Achterin de tuin. Ze negeerde onze smakjes en tsjirpjes en stak ter verduidelijking nog even haar middelvinger omhoog.

Omdat we het liedje inmiddels kenden (poes gaat klagelijk miauwen-> andere poes krijgt alleen maar meer wasmandargwaan), vertrokken we gelijk met Sjeik naar het nieuwe huis. De zoveelste keer over de ring van Leuven, de tweede keer met een poes. En hopelijk niet de laatste keer.

In het nieuwe huis bespraken we het geval Choco. Wannes’ schrammen zagen er gelukkig niet ontstoken uit, maar ze waren wel immens groot en diep. En ons lichaam wilde eigenlijk niet nog een keer in een lege tuin op de grond zitten. Om twee uur later af te druipen. Met elk spiertje stijf, elk plekje beurs. En totaal ontgoocheld door het gebrek aan medewerking van Choco.

We besloten ook de tweede dag Choco achter te laten op het dak van de schuur van de buren. Bij het afscheid zwaaiden we nog eens. Zij stak haar middelvinger omhoog.

(volgende keer: Hoe het afliep…)