Perikel (1): Choco (slot)

Jullie vonden dat ‘sorry’ maar gelul en jullie hadden natuurlijk gelijk. Dit soort cliffhangers hoor je niet twee weken te laten liggen. Ik heb allemaal goede excuses van heel hard werken en veel pijn in mijn linkerheup, maar daar hebben jullie niets aan. Ook al om dat de kattenhaters dit weblog vast allang niet meer lezen. Dus wat blijft er over? Een bulk kattenvrouwtjes die ik met buikpijn opzadel, omdat ik mijn cliffhangers over verloren poezen zo lang uitsmeer. Daar past maar een woord (daar gaan we weer): sorry!

Okee, maar nu dan toch echt: hoe het afliep.
(voor de inleiding, deel 1, 2 en 3 kun je hier terecht.

Ik herhaal voor het gemak even de laatste alinea van het vorige stukje:
Toen we voor poging 7 teruggingen, hadden we een plan de campagne. We hadden bedacht dat we een zo normaal mogelijke situatie moesten creëren, waarin onze gesprekken niet om háár zouden draaien maar gewoon ‘gewoon’ zouden zijn. En als ze zich eenmaal liet zien (vingers gekruist) dan zouden we nog zeker een half uur aaien, spelen en koesteren. Want als Choco ons eenmaal vertrouwt, vertrouwt ze ons helemaal. Dat wisten we zeker. Het had dus vooral tijd nodig, gokten we.

Met een zwaar gemoed betraden we het oude huis. Toen we de huiskamer in stapten, zagen we Choco op het grasveld in de tuin zitten. De opluchting van haar na twee dagen eindelijk terug te zien, werd gelijk teniet gedaan toen Choco onze galmende voetstappen hoorde. Ze spitste haar oren en vlóóg naar de tuin van de buren.

Mijn hart klopte in mijn keel. Als Choco eenmaal bij de buren was, waren er weinig opties. Maar we mochten de moed niet verliezen. Dat was de essentie van ons plan: geduld, geduld, geduld.

Dus we gingen in de tuin zitten. Zoals afgesproken. Over alles pratend, behalve over Choco. We staken zelfs een sigaret op, terwijl we al drie maanden niet meer rookten. We praatten wat over koetjes, kalfjes, koopjes en klusjes. En we vermeden nauwgezet haar naam en het woord poes, zodat ons gesprek in niets zou lijken op alle pogingen van de afgelopen drie dagen.

Ik vond het moeilijk om ‘normaal’ te doen. ik wilde niets liever dan hysterisch door de tuin struinen en haar naam roepen. ik wilde smakken, tsjirpen en klakken om haar tevoorschijn te toveren. ik wilde dat ze zou galopperen over het gazon en mij luid miauwend in de armen zou vallen.

Na tien minuten praten liet Choco zich warempel zien. Op het dakje van de buren, nog immer haar middelvinger paraat. Ze ging op de nok zitten, op het oog onverschillig voor wat er beneden gebeurde. Maar ik wà­st dat ze niets liever wilde dan naar ons toe komen. Alleen ze deed het niet.

Toch was het feit dat ze zich liet zien een bewijs dat ons plan klopte: we hadden haar niet groepen en ze was gekomen. De afgelopen dagen hadden we haar alleen maar geroepen en toen had ze zich niet laten zien.

Maar goed, het dakje van de buren. We waren nog niet echt gevorderd.
Dus we staken nog maar een sigaret op, sneden nog eens een onderwerp aan en we deden keihard alsof we Choco niet zagen. Het leek een beetje op een situatie waarin gijzelaars moeten overleggen zonder dat de gijzelnemer het hoort. Niet kijken, haar naam niet noemen en een zo neutraal mogelijk gezicht trekken.

Het werkte. Ze werd nieuwsgierig en sprong na een tijdje van het dakje. Een meter of vijf van ons af ging ze zitten. Het leek ons niet slim gelijk al te breken met onze tactiek, dus we zetten door. We negeerden haar, deden alsof we haar niet zagen. We schonken onszelf een colaatje in, gingen naar de wc, kwamen terug, babbelden nog wat, bewonderden voor het laatst de Begijnhofvleermuizen die elke dag met de invallende schemering door de tuin scheerden.

En Choco werd alleen maar nieuwsgieriger. Misschien wel verontwaardigd dat we ons zo weinig van haar aantrokken. Ze kwam steeds dichterbij.

Toch was het nog geenszins ‘kat in het bakkie’, want ze zat nog een paar meter van ons af en wij zaten nog meters van de beruchte wasmand op het terras. Maar mijn hartkloppingen verdwenen: we hadden al meer bereikt dan in alle andere pogingen bij elkaar.

Nadat we ongeveer drie kwartier ins Blaue hinein hadden geluld, besloot Choco ons te begroeten. Wij groetten haar terug en aaiden wat. We doken weer in onze gijzelaarsrol en overlegden in versleutelde taal over de rest van het plan. We zouden haar nu een tijdje aaien en vervolgens naar het terras verhuizen. Het terras waar ze vermoedelijk sinds ze met haar kop door het luikje ramde niet meer geweest was.

Zo gezegd, zo gedaan. We stelden haar gerust door haar te aaien en door heel rustig een beetje tegen haar te sissen. Ze stonk erin: ze gaf kopjes alsof haar leven er vanaf hing, ze kwispelde als een hond en ze had niet door wat haar boven het hoofd hing.

En toen kwam eigenlijk het huzarenstukje: niet gelijk toeslaan, maar de situatie nóg normaler maken. Terwijl ze ons al vertrouwde, terwijl ik een tamelijk ongeduldig type ben, terwijl ik de dagen ervoor meer tijd in het oude huis door had gebracht dan normaal is als je een nieuw huis hebt én terwijl ik doodmoe en stikkapot was van al het geëmmer met die poezen.

Maar we hielden vol. We schonken op het terras nog maar eens een colaatje in, we rookten nog een sigaret, we waren inmiddels wel uitgepraat, maar we hielden het gesprek toch maar gaande. We moesten erom lachen en Choco lachte mee – zij het van een afstand; dat enge terras met die enge wasmand was nog een stap te ver.

Na opnieuw drie kwartier van engelengeduld – we zaten er inmiddels bijna twee uur – zette Choco haar eerste stap op de tegels. We probeerden niet te juichen, dus zeiden we op neutrale toon tegen elkaar:
‘Jeuj, ze komt.’
‘Ja, ze komt.’

En opnieuw begonnen we aan een welness-sessie, met in de hoofdrollen Wannes als masseur, ik als sirene en Choco als verwend nest. We aaiden wat, piepten wat , zorgden dat ze op haar rug krioelend de wereld vergat.

Natuurlijk dachten we duizend keer: is dit niet hét moment? Hebben we onze kans niet al gemist? Neemt ze niet zo weer de benen? Maar we hielden ons strak aan onze strategie: geduld, geduld, geduld.

Toen het echt bijna donker was, besloten we dat het tijd was om de moeilijkste stap te zetten: Choco pakken. Choco gaf de wasmand een kopje. Dat was een goed teken.

‘Ik ga het doen’, zei Wannes op zo neutraal mogelijke toon.
‘Is goed’, zei ik, terwijl ik de kabelbinders pakte.

En jawel! Het lukte. Omdat ze zo relaxt was, had ze pas door wat er gebeurde toen ze al in de wasmand zat, Wannes het deksel dichtdeed en ik de rambokes er omheen trok.

Ik kan niet beschrijven hoe opgelucht ik was, maar die opluchting was maar van korte duur. Choco begon met haar kop tegen de deksel te beuken en nu was het zaak haar in die wasmand te houden. Ik kneep met beide handen het deksel goed dicht. En hoewel die kabelbinders ervoor gemaakt zijn om nooit meer open te gaan (dat zijn die dingen die je alleen dicht kunt doen) leek het erop dat het Choco toch zou lukken.

De rit in de auto was een helletocht. Choco zette al haar kracht in om op de plekken waar ik geen handen had te ontsnappen, en in mijn hoofd verschenen visioenen van twee zwaargewonde mensen en een ontsnapte, wilde, zwarte kat in een Volkswagen Polo.

Om een lang verhaal op het allerlaatste moment toch nog kort te maken: we kwamen thuis, mijn handen beurs van een beukende Choco en veel bloed van alle nagels die ze door de wasmand én drie afdekdoeken in de muis van mijn hand had gehengst. Maar we kwamen thuis, met de derde poes. Ruim een dag voor we de sleutel terug moesten geven. En dat was het belangrijkste.