Waarom ik toch maar ga twitteren

Omdat tinternet een beetje uit elkaar gevallen is. In kleine brokjes, stukjes, kruimels.
Waar ik eerst nog deel uitmaakte van een flink stuk taart, maak ik nu deel uit van een leeg bordje met kepsel. En dat vind ik heel ongezellig. Er zit een grote leegte tussen mij en de rest van de actieve bloggers. Een leegte die veroorzaakt wordt door stervende, stoppende en slome webloggers, die niet, nauwelijks, of nooit meer schrijven.
Een tijd lang dacht ik: dat trekt wel weer aan. Sterven is niet voor de eeuwigheid, stoppen is voor mietjes en sloom zijn we allemaal wel eens. Maar mijn optimistische zelf werd weer eens met de neus op de feiten gedrukt: als pessimist kan alles alleen maar meevallen, als optimist valt het – grmbldegmbl -ál-tijd tegen.
Dus ik moest iets.
En ik vrees dat ’t twitter moet worden. De rest van de taart is namelijk daarheen vertrokken. En het schaap in mij wil er niet alleen voorstaan. Dus ik trek over die dam, voeg me bij de andere schapen en installeer een twitter-dingski in mijn zijbalk.
Wat niet betekent dat ik mijn wervelende stukje web tussen de massagraven ga verlaten. Morgen gewoon weer een stukje alhier. Over vieze luchtjes en wél rieken. Maar in de tussentijd kunt u natuurlijk, voyeuristisch als u bent – jawel geef maar toe – kijken hoe ik die grote teen (hebben schapen tenen?) in het twitterwater steek.
Brrr.

Wat ik eerder over twitter schreef: klik.
Update: En nu breek ik mijn hoofd over de eerste tweet op die maagdelijke pagina.
Update 2: Dat hierboven had een tweet kunnen zijn.
Update 3: Maar dat zou wat flauw zijn.