Waarom we het vaker moeten doen

‘Heb je nog geneukt?’, vroeg hij steeds. Of: ‘Heb je ‘m nog ergens in gehangen?’ Hij was geen echte lullo, want het jasje-dasje-aardappelindekeel-element ontbrak. Hij was meer een strandstoot, zo’n life guard uit Baywatch.
We kromden allemaal onze tenen als hij dat zei. Maar we vergaven het hem. We wisten dat hij zelden echt van bil ging en twintigers bij wie ‘het jeukt’, kunnen nu eenmaal bronstig voor de dag komen.
We zaten het uit, die testosterontijd van onze eeuwige vrijgezel. We hadden geduld met hem en we probeerden er niet op te reageren. We hoopten dat het tijdelijk zou zijn. Dat hij op een dag met een andere begroeting zou komen. Iets als ‘Hoe is ’t ermee?’ of zo.
Die dag brak aan. Zo’n drie maanden na het begin van zijn vaste verkering. De eerste maanden was het alleen maar erger geworden, omdat hij toen in het stadium van drie keer per dag verkeerde. Maar toen zijn relatie op z’n plaats viel en hij het tempo van de begintijd niet langer kon bijhouden, hield hij zich hij steeds vaker in. Over vrouwen zei hij niet langer ‘Zó, die hangen er goed bij’ en de vraag hoe vaak je het deed werd steeds minder een issue.
Aan onze life guard moest ik denken toen ik de uitslag las van het onderzoek dat Café De Liefde liet doen naar onze vrijfrequentie: we doen het minder vaak dan vroeger. En dat terwijl we er volgens mij wel meer over lullen. Zie verder de discussie over de pornoficatie van de samenleving.
En ineens is daar de oplossing voor die eeuwige pornoficatie: als we de overdaad aan seks in de massamedia en in het straatbeeld willen tegengaan, dan is er geen betere manier dan het gewoon wat vaker te doen. Onze Baywatch-boy is het levende bewijs: als je het te weinig doet, lul je er te veel over.

* Kijk vanavond (maandag) naar de eerste aflevering van dit seizoen van Café De Liefde, om 22:50 uur op Nederland 2.
** Dit stukje staat ook als column op VPRO’s Café De Liefde.