Hoe ik langzaam waanzinnig werd, terwijl ik een dierenvriend ben



In het begin was het gewoon een vaststelling: hee, de buren hebben vrienden die hun pitbull hebben gedropt voor hun skivakantie. En die hond blaft nogal veel. Hee, het zijn er twee. O, nee, die ander is een bullterriër. En ze zitten de hele dag in de tuin. En ze worden nooit uitgelaten. Nou ja, hopen dat ze gauw weer weg zijn.

Maar toen de krokusvakantie was afgelopen, waren ze er nog steeds. Ik twitterde toen: ‘Zijn er ook mensen die twee weken krokusvakantie hebben?’ Dat was een soort wishful thinking. De honden blaften vrolijk voort.

Na drie weken blafconcert, opperde ik tegen Wannes: ‘Misschien hebben we nieuwe buren. Met honden.’ ‘Neuh’, zei Wannes, ‘dan hadden we heus wel iets gezien of gehoord.’ We bestudeerden de tuin van de buren. Binnen vier weken was het keurige gazonnetje veranderd in een modderig rally-terrein voor uit de kluiten gewassen honden. Ze hadden veel voor hun logeerhonden over, constateerden we.

De deels doorzichtige schutting was voor de honden een venster op de wereld. Een wereld die dag in dag uit luid becommentariëerd moest worden. Onze poezen durfden nauwelijks nog naar buiten, met als gevolg dat ik dagelijks de vloer afspiedde op zoek naar per ongeluk binnen gepleegde plasjes. Elke rikketik van het kattenluikje leidde tot een hels gegrom en geblaf en zelfs als de katten zich binnen voor het raam lieten zien, kregen ze er auditief van langs.

‘Ik denk toch dat er nieuwe buren zijn’, zei ik ergens in maart. Ik hapte inmiddels al naar adem als ik het over de honden had. Het scheelde niet veel of ik werd waanzinnig van het blafdieet van 120 x daags 3 minuten. ‘Zou het?’ zei Wannes en hij keek me nog steeds ongelovig aan. ‘Ja, want ik hoor haar nooit meer ruzie maken en ik hoor ook die zoon nooit meer. Ik hoor alleen nog maar geblaf.’

Omdat de hoop dat het slechts logeerhonden waren definitief vervlogen was, bedekten we de schutting met rieten matten om te voorkomen dat elke beweging die we binnen maakten ons op geluidsoverlast kwam te staan. Ons kantoor grenst aan de tuin en het was me een lieve duit waard als ik mijn kop koffie kon oppakken zonder uitgeblaft te worden.

Hoewel de honden inderdaad minder aansloegen door wat er bij ons gebeurde, sloegen ze nu aan van alles wat ze hoorden en wat ze in de lucht zagen: duiven, eksters, kraaien, mussen, merels, mezen, lijsters, borende buren, windvlagen, aanslaande geisers en vollopende spoelbakken, you name it. De beesten waren aan vier kanten ommuurd, met de blauwe lucht als spannendste uitzicht. Gekooid in de saaiste omgeving ever. Ik kon begrijpen dat elk teken van leven een reden was om hun stembanden nog eens te testen.

Maar mijn begrip kende grenzen. Denk aan de grens van een eindredactiedeadline. Kauwen op een zin. Blafblafblafgromblaf. Klopt die zin? Gromblafblaf. Shit. Nog een keer lezen. Blafblafblaf. Kut. Ik moet nu echt opschieten. Wat staat er nu eigenlijk? Blafblafblafgrom. Verdomme.
Of de grens van lepeltjelepeltje liggen en willen wegzakken in de koestering van de nacht. Kaikaigromblafblaf. Blafblafblaf. ‘Lief?’ ‘Ja?’ ‘Het is toch al half een of zo?’ ‘Ja.’
Of de grens van ‘Wacht even mam. Ik kan je niet verstaan. Zeg dat nog eens. Wacht ik neem je wel even mee naar boven, want hier kan ik je niet verstaan.’
Of de grens van: godverdomme we zijn toch niet acht maanden geleden verhuisd naar een huis waar acht maanden later de rust voorgoed verpest zou zijn?
Of de grens van ‘Fuck! Wannes, ze zijn de schutting omver aan het trekken.’

En toen die grenzen stuk voor stuk werden bereikt, togen we naar de buren.

Wordt vervolgd (klik), met in het volgende deel interessante kwesties als: hoezeer ik de haan mis, de argumentatieleer van de buren en de susbrief.