Hoe ik langzaam waanzinnig werd, terwijl ik het zo goed bedoelde

Vervolg op (klik) Hoe ik langzaam waanzinnig werd, terwijl ik een dierenvriend ben.

Als je wilt klagen bij de buren over geblaf, is het wel handig als je buren thuis zijn. En dat was het hele probleem: die honden blaften, omdát er nooit iemand thuis was. Zodra Wannes of ik ons hoofd over de schutting staken, begonnen de beesten te kwispelen als een lassozwaaier. En als we dan olijk ‘hallooo’ zeiden, dan waren ze ook een half uurtje stil. Kortom: als er ooit iemand naar ze zou omkijken, was er helemaal geen probleem geweest. Ik voorzag een vicieuze cirkel: geen mensen – geblaf – willen klagen – geen mensen – geblaf – willen klagen – geen mensen – geblaf – enzovoort – et cetera

Nadat we een paar keer voor de vorm hadden aangebeld, gingen we naar de andere buren van de honden, in de hoop dat we een front konden vormen van stapelgek wordende buren. En warempel, dat lukte. ‘Niet te doen hè?’, was het eerste dat buurvrouw 2 zei. Via haar kwamen we erachter dat de vroegere buurvrouw 1 inderdaad verhuisd was en dat haar zoon nu naast ons woonde, met die twee bullbeesten. We wisselden wat frustratie uit en deden wat aan buurtbonding toen er een auto voor onze neus stopte. ‘Daar heb je hem’, fluisterde de buurvrouw. Uit de auto kwam een jongen met een capuchon én een petje.

Of het de druk was van vier omringende buren op de stoep, of dat hij per ongeluk een goed humeur had: ik weet het niet, maar hij beloofde er iets aan te doen en drukte ons op het hart dat we altijd naar hem toe mochten komen als er nog eens iets was. Het was zoveel meer dan we hadden verwacht van een capuchon én een petje dat we opgetogen terugkeerden van onze missie.

Een week lang ging het fantastisch, we werkten grotendeels in stilte en de opluchting kwam in grote bulken naar buiten.
En ik met mijn goede gedrag en jarenlange didactische ervaring dacht dat ik er goed aan deed om te vertellen dat er resultaat was behaald. ‘Hee joh, ze zijn veel stiller. Fijn!’
‘Ja’, zei hij, ‘Ik heb ze zo’n blafband aangedaan, maar die heb ik er gisteren weer afgehaald, zijn ze nog steeds stil?’
Ik dacht na. Ik had ze niet gehoord. ‘Ja.’

Thuis ging ik googelen op blafband. En aiaiai, u wilt niet weten in welk dilemma ik toen verzeilde. Een blafband is zo’n halsband die stroomstoten geeft als de hond blaft. Wilt u zich er iets bij voor kunnen stellen: kijk hier. Kortom: de hond blaft niet meer, omdat dat pijn doet. Verteerd werd ik. Door schuldgevoel. Alsof ik die blafband persoonlijk had aangebracht. Als ik niet had geklaagd, had die hond niet een week lang stroomstoten gehad. Man, ga dan nog maar eens lekker slapen.

Natuurlijk ging de wet van Murphy in werking: de dag nadat ik had gezegd dat het zo lekker stil was geweest, begon het blafconcert opnieuw. En het gegraaf onder de schutting door. En het getrek aan de schutting (‘Hee Wannes, hij gaat óm hoor!’)
En ik kon het me zo goed voorstellen. Twee mensen die olijk hallo zeiden, die wel altijd thuis waren, die drie leuke poezen hadden om mee te spelen… Als je slechts één schuttinkje hoeft om te trekken voor een beter leven, zou ik het ook wel weten.

Dus we dubden. Klagen zou misschien weer de blafband betekenen, niet klagen zou betekenen dat we niet alleen waanzinnig werden van het geblaf, maar ook dat we binnenkort, als de schutting eindelijk tegen de vlakte lag, een iets grotere tuin zouden delen met twee honden. Maar we waren nog onder de indruk van de meevaller van de vorige keer: het petje met de capuchon stond altijd open voor onze klachten, dus we moesten niet talmen, maar we moesten klagen en vragen. En op slinkse wijze zorgen dat hij iets anders zou weten te bedenken dan die blafband. Kortom: we moesten weer even met onze nieuwe buurjongen in conclaaf.

Haha.
Hahahahaha.
Hahahahahahaha.
Dat hadden we gedacht.

(Wordt vervolgd)