Hoe ik langzaam waanzinnig werd, of: Immuun argumenteren voor dummies

Dit is een vervolg op Hoe ik langzaam waanzinnig werd, terwijl ik een dierenvriend ben en Hoe ik langzaam waanzinnig werd terwijl ik het zo goed bedoelde.

De jongen deed open zonder petje en capuchon.
En toen was alles anders.
Hij was niet langer de schappelijke jongen die we onderschat hadden. Hij was niet langer de beminnelijk glimlachende meedenker, hij was niet langer de jongen die zou helpen de schutting omhoog te houden. Hij was een jongen die ons geïrriteerd in de ogen blikte en begon te zuchten toen hij ons zag staan.

Omdat het gesprek zich nog het beste laat samenvatten als een lesje Immuun argumenteren voor Dummies, volgt hier een uittreksel dat binnenkort in boekvorm zal verschijnen.

Immuun argumenteren voor Dummies, les 1

Stelling 1a. ‘Hee, joh, we kwamen nog eens melden dat het toch wel weer behoorlijk erg is met de honden.’
Immuun argument 1a: ‘Da kan nie.’
Stelling 1b: ‘Maar het is toch echt zo. Gisteren sloegen ze om de zeven minuten aan.’
Immuun argument 1b: ‘Ik vertrek om zes uur ’s morgens en ik kom om zes uur ’s avonds thuis. As ik thuis ben, blaffe ze nooit, zenne.’

Stelling 2a. ‘Dat is juist het punt, ze blaffen omdat jij er zo lang niet bent.’
Immuun argument 2a: ‘Ik moet toch werke om eten voor die beeste te kope?’
Stelling 2b: ‘Maar die honden zijn hartstikke ongelukkig als je twaalf uur per dag weg bent.’
Immuun argument 2b: ‘Oke, als gij da wilt, ga ik doppe, dan doe ik da hè. Dan ga ik niet werke zulle, is da wa ge wilt?’ (Voor NL’ers: doppen is uitkeringtrekken)

Stelling 3. ‘Maar jij had gezegd dat we het moesten zeggen als we ergens last van hadden. En nu blaffen ze weer zoveel dat we er zot van worden.’
Immuun argument 3: ‘Hee Peter, kom es!’ – vriend komt achter hem in de gang staan – ‘Blaffen die honden wel us?’ Peter: ‘Neuh.’ ‘Ziet ge: ze blaffen helemaal nie. Ge overdrijft.’

Stelling 4a: ‘Die honden zijn de hele dag alleen in een grote tuin. Juist als jij er niet bent, blaffen ze.’
Immuun argument 4a: ‘Wat wilt ge daarmee zeggen?’
Stelling 4b: ‘Dat we heel goed begrijpen dat jij denkt, dat ze niet blaffen, maar dat wij je nu komen vertellen dat ze wel blaffen. Veel. En hard.’
Immuun argument 4b: ‘Maar het zijn heel lieve honde, zulle.’

Stelling 5a: ‘Dat is juist het punt, ze zijn ook heel lief. Ze willen graag mensen om zich heen. Als ze contact met ons hebben, zijn ze inderdaad stil. Daarom willen ze die schutting weg hebben. Ze willen naar ons toe.’
Immuun argument 5a: ‘Ze trekke aan de schutting, omdat ulle katte daar de ganse dag staan te schuren. Die lopen ze gewoon te treiteren hè.’
Stelling 5b: ‘Onze katten zijn vrijwel nooit meer buiten, sinds die honden er zijn. Dat durven ze helemaal niet.’
Immuun argument 5b: ‘Dit is mijn huis, dat is uw huis. Ziet dat ge weg zijt of ik doe u iets aan.’

Goed, tot zover les 1.
Tijdens les 1 kwam ook nog het immune argument ‘Ge kunt m’n huisbaas bellen’ voorbij. Dat was een immuun argument, omdat zijn huisbaas zijn moeder is en we vermoedden dat die het voor haar zoon zou opnemen.

Dat bleek. De volgende ochtend kwam Mama Petjecapuchon langs en toen begon…

Immuun argumenteren voor Dummies, les 2

Stelling 1a. ‘Ja, we hebben inderdaad gisteren bij uw zoon geklaagd.’
Immuun argument 1a: ‘Maar ’t is zo ne goeie jongen, hij bedoelt het niet slecht, ze. Hij woont hier maar tijdelijk. ’t Is zo ne goeie jongen.’

Stelling 2a. ‘Dat snappen we wel. Maar wij werken thuis en we kunnen gewoon nauwelijks doorwerken met al dat geblaf.’
Immuun argument 2a: ‘Ja zeg, nie iedereen kan thuis werke.’

Stelling 3a. ‘Dat klopt, maar die honden zitten hier altijd alleen. Twaalf uur per dag, en soms is er dagenlang ook ’s avonds niemand.’
Immuun argument 3a: ‘Sommige honden zijn nog veel meer alleen.’
Stelling 3b. ‘Maar ze hebben niets te doen. Die beesten moeten hun energie kwijt. Die moeten rennen, uitgelaten worden, aandacht krijgen.’
Immuun argument 3b: ‘Sommige honden zitten altijd in ne kennel hè.’
Stelling 3c. ‘Maar deze honden moeten duidelijk hun energie kwijt.’
Immuun argument 3c: ‘Hij brengt ze wel es mee als ‘m bij mij komt ete, ze. Dat is tien minuten wandelen, ze.’

Stelling 4a: ‘Maar ze zijn duidelijk ongelukkig.’
Immuun argument 4a: ‘Zal ik u es iets zegge; ik was ook ongelukkig van ulle katten, ze. Ik ging hier mijn hele leven blijven wonen, maar door ulle katten zen ik verhuisd. En ik heb toch ook nie gereclameerd’
Stelling 4b: ‘U heeft daar nooit iets van gezegd. Was iets komen zeggen.’
Immuun argument 4b: ‘Jamaja, ge woont in een stad hè, dan moet ge daar nie over zagen.’
Stelling 4c: ‘Was het komen zeggen! Uw welzijn is belangrijker dan onze katten.’
Immuun argument 4c: ‘Jomme, ik zeg ’t toch: ik kom toch ook nie klage.’

Stelling 5a: ‘Maar wij proberen er juist samen met de buren uit te komen. Daarom komen we ook met u praten.’
Stelling 5b: ‘Mor ik reclameer toch ook nooit. ’t Is toch waar zeker.’

Uiteindelijk heeft de dame in kwestie de les Immuun argumenteren voor Dummies 2 vier keer voor ons herhaald, waarna wij de deur dicht deden.

Stand van zaken sindsdien:
Ik schreef een susbrief waarin ik de honden de hemel inprees – wat niet moeilijk was, want hee, ik ben een dierenvriend – maar waarin ik ook niet naliet erop te wijzen dat we echt veel last hadden van het geblaf en dat ze een oplossing moesten bedenken.
Sindsdien is er een wankel evenwicht. De buurvrouw zwaaide een keer naar me, in die zin had de susbrief geholpen. Maar de honden blaffen nog steeds. Edoch: omdat ze elke duif die langskomt inmiddels wel kennen, wordt het minder en dat geeft ons de kans om onze volgende strategische zet op de lange baan te schuiven. Want de kans op een gevalletje Rijdende Rechter is nog steeds levensgroot en als ik kan voorkomen dat ik Immuun argumenteren voor Dummies les 3 moet doorstaan, dan doe ik dat.