Ooit schreef ik: Dag meneer Bos

In 2005 cor­res­pon­deer­de ik met Wouter Bos. Het ging over mijn lid­maat­schap, zijn kontje en de chemie met Bal­ke­n­en­de. In die brief­wis­se­ling nam ik al afscheid van hem.
Nu hij aftreedt als lijst­trek­ker en vertrekt uit de politiek, plaats ik de brief­wis­se­ling opnieuw.

Destijds verscheen de brief­wis­se­ling hier (klik, klik, klik).

23 februari 2005

Dag meneer Bos

Beste meneer Bos,

U bent mij kwijt. Misschien wel voorgoed. De tijd zal het leren. Maar in elk geval voor nu.

U moet weten, ik was al op onei­gen­lij­ke gronden lid geworden. Het zat namelijk zo: u kunt zich het jaar 2002 vast nog wel her­in­ne­ren. U was toen staats­se­cre­ta­ris van Financiën. Pim Fortuyn dreigde premier te worden. Het was een raar jaar.
Ik werkte nog als jour­na­list en vond dat ik eigenlijk geen lid mocht worden van een politieke partij. Met lede ogen zag ik toe dat kranten kopten dat de LPF zo’n gestaag groeiend leden­aan­tal had.

Ik ben erg anti-LPF. En ik ben erg anti-VVD, die ver­ma­le­dij­de wolf in schaaps­kle­ren. Dus vroeg ik mij af hoe ik in hemels­naam een tegen­ge­luid kon laten horen. Ik piekerde me suf, meneer Bos, dat moet u geloven.

Een jaar later was ik ineens in de gele­gen­heid. Ik free­lan­ce­te nau­we­lijks nog en ik vond dat ik als docent best lid mocht worden van een politieke partij. Maar welke? Welke, meneer Bos? Dat was helemaal zo makkelijk nog niet.
Ik besloot prag­ma­tisch te redeneren: geen van alle staan me helemaal aan, dus welke partij waar ik achter kan staan (en hier zit hem de kneep, let maar op) kan het meest uithalen?
Nou, meneer Bos: dat was uw partij. Ik had natuur­lijk geheel buiten chemie en andere zweverige onzin gerekend. Ik was van mening dat alleen uw partij het cluster van het CDA, de VVD en de LPF kon stoppen.
Maar… ik wist ook dat ú dat moest doen. Niet Jeltje van Nieu­wen­ho­ven. In het Pim Fortuyn-tijdperk draaide de wereld om kontjes en U2-muziek. Niet om integere vrouwen met jaren­lan­ge politieke ervaring.

Nou wil het geval dat ik mijn beslis­sing om lid te worden van uw partij net nam op de dag dat de stem­bil­jet­ten voor de nieuwe lijst­trek­ker op de deurmat vielen. Daarvoor was ik dus te laat. En met alle respect: met Jeltje zouden jullie het niet redden, dus ik her­o­ver­woog mijn lid­maat­schap gelijk dezelfde dag nog. Ik kon ook nog een ander plan bedenken, een andere partij desnoods.

Welnu, meneer Bos, ik bedacht iets. Mijn moeder is namelijk al jarenlang lid van uw partij. Ze was ook actief en bezoekt nog steeds keurig ver­ga­de­rin­gen. Ze hangt zelfs posters voor de ramen. Mijn moeder dus. U zult dat vast fijn vinden om te horen.
Maar mijn moeder was niet zo dol op u. Te weinig inhoud, vond ze. Te weinig dui­de­lijk­heid over uw politieke koers. Mijn moeder is geen product van het kont­jes­tijd­perk, zoals u hieruit zult begrijpen. Mijn moeder is een gene­ra­tie­ge­noot van Jeltje. Mijn moeder heeft meer op met integere vrouwen met jaren­lan­ge politieke ervaring, dan met pr-hoofden en kontjes die zich beroepen op chemie en zaken als ‘eerst opruimen, alvorens een politieke koers uit te zetten’.
Maar ik ken mijn moeder, meneer Bos. Mijn moeder kun je best over­tui­gen. Dus ik over­tuig­de haar. Mama, zei ik, luister. Met goede ideeën win je de ver­kie­zin­gen niet anno 2003. En als je de ver­kie­zin­gen niet wint dan weet je wat er gebeurt. Ik schetste het doem­sce­na­rio van nog een periode LPF, of misschien wel CDA en VVD.
U moet weten, meneer Bos, mijn moeder had veel nodig om zich te laten over­tui­gen. U had op haar nog weinig indruk gemaakt. Zelfs mijn doem­sce­na­rio, waar ze wel éven van moest slikken, was niet voldoende. Mijn volle gewicht erin en nóg zei ze steeds ‘Maar Jeltje..’.
Gelukkig, meneer Bos, bedacht ik een list.
Mama, zei ik, als ik nou lid word van de PvdA, stem jij dan op Wouter Bos?
Nou, de stilte die toen viel, meneer Bos, die hoor ik nú nog.
Die stilte werd gevuld met gedachten over haar PvdA-nest van vroeger eens en over hoe ze haar dochter in dat nest kon trekken. Met gedachten over Jeltje en over uw kontje. Dat weet ik zeker. Mijn moeder heeft vast gedacht aan dat gedoe rond uw kontje. Dat heeft u niet geholpen, meneer Bos. Dat weet ik ook zeker. Dat heeft u niet geholpen.
Maar ze stemde toe. Toch. Zij zou op u stemmen en ik zou lid worden.
Nou is mijn moeder een onbe­trouw­baar sujet, meneer Bos. Tenminste daar kwam ik toen achter.
Ik was lid geworden. Braaf.
Zij had op Jeltje gestemd.

Maar, meneer Bos, gelukkig kwam het goed. Kont­jes­min­nend par­tij­pu­bliek stemde u recht­streeks naar de top. En ik was lid. Met dank aan mijn moeder.

Ik wachtte met spanning af of mijn theorie zou kloppen. Ik had dan wel geen enkele bijdrage geleverd aan uw benoeming tot lijst­trek­ker (met dank aan mijn moeder, meneer Bos, met dank aan mijn moeder), maar ik kon nu wel met recht en reden duimen dat mijn ver­on­der­stel­ling zou kloppen.
En jawel hoor. You beat them all, meneer Bos.
Ik zag het al helemaal voor me, helaas met dat CDA , maar toch.
Ik besloot lid te blijven. Vol ver­wach­ting klopte mijn hart.

Nou ja en toen kwam dat van die chemie. Mijn theorie stortte als een kaar­ten­huis in elkaar. U wordt bedankt, meneer Bos. Hadden we van Jeltje en JP wel een plezierig schei­kun­dig mengsel kunnen maken?
Ik vroeg mij dat af ten behoeve van het overeind houden van mijn theorie. Ik wist het niet. In elk geval kwam mijn ergste nacht­mer­rie uit en kregen we een CDA/VVD-regering (Wat zegt u, meneer Bos? D66? Daar lach ik om).

Nou ja. Ik kon toen natuur­lijk al vast­stel­len dat mijn lid­maat­schap een aan­flui­ting was. Maar dat deed ik niet. Ik geloofde in een sterke oppositie, meneer Bos, in linksig geluid. En ik rekende op spoedige ver­kie­zin­gen. Ik dacht dat u daar ook in geloofde, meneer Bos. Ik had dan wel niet meer hoogte van u dan tot uw middel, maar ik geloofde dat u hetzelfde voor ogen had, meneer Bos. Heus.

Nou, meneer Bos: u en ik kunnen vast­stel­len dat ik de ballen verstand heb van politiek. Niks linksig geluid. Niks sterke oppositie. En sterker: het zinnetje “…waar ik achter kan staan…” kwam danig in het geding.

Door de jaren stond ik al steeds minder achter van alles en nog wat. Het spijt me, meneer Bos, ik heb niet alles onthouden, maar er kwam behoor­lijk wat langs dat mij nau­we­lijks ruimte bood erachter te gaan staan.
Maar de laatste tijd. Tsjon­ge­jon­ge, meneer Bos. U maakt er een potje van.

Die discussie over gods­las­te­ring. Schokkend bijna.
Kijk, ik ben het er best mee eens dat Donner een Pinkeltje-achtig wereld­beeld ten­toon­spreid­de toen hij na de moord op Theo van Gogh die discussie opende. En dat die discussie daarmee dus al een flut­dis­cus­sie was, want in de verkeerde context gevoerd.
Maar weet u, meneer Bos. Ik ben ik. Ik ben gewoon maar een dertiger met een mening.
U bent volks­ver­te­gen­woor­di­ger van de PvdA, meneer Bos, dus zodra die discussie aan de orde komt, heeft u zich niet te bedienen van pr-praat in de trant van ‘niet het juiste moment’. Dat is het soort damage-management waar de RVD nog een puntje aan kan zuigen.
Snapt u wat ik bedoel, meneer Bos? Kijk, dat die wet slui­me­rend bestaat, is al een beetje gek. Maar als zo’n rechtse regering hem aan de orde stelt en dus eigenlijk opnieuw de vraag voorlegt of we god wettelijk meer rechten moeten geven dan pak ‘m beet homo’s, zwarten en gehan­di­cap­ten, dan moet u als PvdA-vertegenwoordiger natuur­lijk gewoon zeggen: hebbes! Die wet moet weg. Niks ‘niet het juiste moment’. Een kwestie van principes, meneer Bos. Prin-ci-pes.

En dan dat pun­ten­plan van een linkse coalitie, meneer Bos. Dat vond ik ook erg. Dat u dat afwees.
Ook hierin kon ik nog een heel eind begrip opbrengen. Ik vond het niet voor niets moeilijk om te kiezen van welke partij ik lid zou worden, meneer Bos. Dat moet u van me aannemen. Ik zou ook twijfelen bij bepaalde voor­stel­len van Groen­Links en de SP. Dus tot zover begrijp ik uw aarzeling.
Maar… als u even later wel met zoveel woorden wilt zeggen dat u een coalitie met Wilders ‘niet uitsluit’, dan bent u mij kwijt. Dan zakt mijn broek af, om niet meer omhoog te komen, meneer Bos. Dat is toch onbe­grij­pe­lijk?

Tot slot: de ter­ro­ris­me­dis­cus­sie.
Ik had van u wel wat tegen­ge­luid verwacht, meneer Bos. Ik kijk om me heen en zie geen ter­ro­ris­me in Nederland. Nu zult u zeggen: ja, maar jij bent maar een gewone dertiger met opvat­tin­gen. En daar heeft u gelijk in, meneer Bos. Die heeft u wel niet van uzelf, maar het is wel waar.
Maar ik kan wel zien dat er heel rijke mensen zijn die hypotheekrente-aftrek hebben, ik weet dat er veel kinderen zijn die zonder te eten naar school gaan. En zonder lunch­pak­ket. Ik weet dat Nederland over vijftig jaar zeer waar­schijn­lijk tot aan de Utrechste Heuvelrug onder water staat.
Als dertiger met opvat­tin­gen mag ik best con­sta­te­ren dat u meewaait in de waan van ter­ro­ris­me, terwijl u de rest op uw dooie akkertje eens gaat over­den­ken. Vindt u ook niet? Meneer Bos?
Dit zijn slechts een paar voor­beel­den, maar voldoende om alle ruimte die er was om achter u en uw partij te staan teniet te doen.

Om het kort te houden: u bent mij kwijt.
Vaarwel, meneer Bos.
Vaarwel.

Zezunja

24 februari 2005

En toen was er antwoord…

Beste meneer Bos,

Bedankt voor uw snelle reactie terug. U mag best weten dat ik onder de indruk was van het feit dat u binnen 24 uur zo’n uit­ge­brei­de mail terug­stuur­de. En zo serieus. Ik vond dat sportief. Vooral omdat ik u flink plaagde in mijn brief. Met dat kontje en met dat ge-meneer Bos. Ik had mij best kunnen voor­stel­len dat u zou denken: nou ja, als we aan elke plagerige dertiger met een mening een mail terug moeten sturen, kunnen we wel aan de gang blijven.
Maar u dacht dat niet. U ging in op alle concrete punten die ik noemde. En u was zo vrien­de­lijk mijn moeder erbuiten te laten.

Omdat ik het niet kies vind uw brief op mijn site te plaatsen, zal ik u slechts para­fra­se­ren.
U vindt het net als ik jammer dat de formatie destijds mislukte, maar u schrijft dat het eigenlijk niet uitmaakte of u en meneer Bal­ke­n­en­de chemie hadden. Het CDA was achter de coulissen allang bezig met lijntjes uitrollen naar de VVD en D66.
Ik weet het, meneer Bos. Ik weet het. En dat was een rat­ten­streek van ze. Echt een luizige actie. Dat had nooit onder de zachte zomer­avond­noe­mer ‘chemie’ naar­bui­ten gebracht mogen worden. Maar goed, misschien wist u toen nog niet dat ze er zulke sluwe prak­tij­ken op nahielden.
Blijft natuur­lijk overeind dat mijn reden om lid te worden (welke partij kan dat blok vormen tegen LPF, VVD en CDA? de PvdA) daarmee al in rook opging.

U gaat ook in op mijn aan­tij­ging over het gebrek aan oppositie, aan links geluid, aan tegen­wicht. U zegt dat u niet schreeu­we­rig oppositie wilt voeren, omdat u zich rea­li­seert dat u sommige problemen aan uzelf te danken hebt. Dat vind ik nobel, en zelfs een beetje ont­wa­pe­nend.
Maar ik herneem mij: u moet harder schreeu­wen. Echt. Zelfs al is het uw eigen schuld. Zo ging dat vroeger ook, meneer Bos. Op het school­plein. Je kreeg pas aandacht als je heel hard ging huilen, meneer Bos. Als je met een smak uit het klimrek viel, kon je wel denken: eigen schuld, maar de oplossing voor je tranen kwam pas als je kabaal maakte. Eigen schuld of niet.

Dan zegt u dat u probeert voor onder meer die gemiste kansen reële oplos­sin­gen te zoeken, waardoor de oppositie niet altijd even sterk overkomt. Denk aan het school­plein, meneer Bos. Want als je schreeuw­de, kreeg je behalve die Bert en Ernie-pleister ook een heleboel aandacht. Mensen keken naar je. Andere, vreemde juffen gaven je een aai over je bol. Zelfs als je dan heel hard geroepen had: ‘Het was wel heel erg mijn eigen schuld, maar er moet nu toch echt iets aan mijn knie gebeuren’, dan wist nog iedereen: het is dan wel zijn eigen schuld, maar hij wil wel dat er iets aan zijn knie gedaan wordt. Dat is reëel. En komt sterk over.
Trouwens, men zou natuur­lijk ook denken: goh, wat een diplo­ma­tiek kind, daar onder dat klimrek. Want het wordt zo lang­za­mer­hand wel een beetje een malle metafoor.
Nog even dan: ik vind echt dat dit kabinet het verdient dat het hele school­plein stil blijft staan om te beseffen hoeveel pleisters en glaasjes water er wel niet nodig zijn om wat het aanricht weer goed te maken. En als dan en passant de fouten van uw eigen partij ook nog even opgelost worden, is dat alleen maar mooi mee­ge­no­men.

Hoe dan ook, ik ga nog even verder, met uw welnemen, meneer Bos.
U zegt dat we het prin­ci­pi­eel eens zijn over de gods­las­te­ring­dis­cus­sie, maar tege­lij­ker­tijd zegt u dat de discussie nergens over ging. U haalt daarbij aan dat die wet in honderd jaar maar drie keer gebruikt werd. U zegt: het was een discussie over niets en het kon in een over­ver­hit­te samen­le­ving wel problemen opleveren die discussie verder te voeren.
Zoals ik al in mijn opzeg­brief schreef: ik ben het met u eens dat het geen bijzonder goed moment was. Maar dat is het ver­ve­len­de aan die verrekte principes: voor principes maakt het niet veel uit of ze goed getimed opgediend worden, of op een beroerd ogenblik. Daar zijn het principes voor. Die staan altíjd als een paal boven water.

U komt daarna met een prachtig, eerlijk stukje. U geeft toe dat u onge­loof­lijk inge­wik­keld klinkt als u zegt dat u geen enkele coalitie uitsluit, maar wel uitsluit dat u het met Wilders op bepaalde punten eens zult worden. Nou, ik kan u vertellen: alleen al het naver­tel­len valt niet mee, dus het bedenken moet een boven­men­se­lij­ke krachts­in­span­ning gevergd hebben. U erkent gelukkig zelf ook direct dat u dat misschien anders had moeten brengen.
Ja, dus.

Verder zegt u dat we van het Fortuyn-tijdperk hebben kunnen leren dat je niet de personen moet bestrij­den, maar op inhou­de­lij­ke gronden de strijd moet aangaan.
Ja. Uhm. Dat lijkt mij nou precies een reden om een coalitie met Wilders uit te sluiten: inhou­de­lij­ke gronden.

U verwijst mij naar uw eigen website waar het gaat om het ter­ro­ris­me­de­bat en uw dui­de­lijk­heid daarover. Omdat ik dat wel zo netjes vind, zal ik mijn lezers daar ook naar verwijzen. (klik)
U zegt er in uw mail aan mij ook iets over. U zegt dat u het gevaar van ter­ro­ris­me niet onder­schat maar niet bij voorbaat allerlei geliefde bur­ger­rech­ten wilt opofferen. U vindt dat u zich daarin onder­scheidt van alle andere partijen omdat die ófwel alle rege­rings­plan­nen op voorhand afkeuren, ófwel de rege­rings­par­tij­en een carte blanche geven bij de aanpak van dat -wat ik dan noem vermeende- ter­ro­ris­me­pro­bleem. U zegt dat u tegen de stroom in wilt blijven pleiten voor nuch­ter­heid, evenwicht en nuance.
Mijn probleem is dat u ook hier niet hard genoeg roept waar het écht over zou moeten gaan. U moet immers niet alleen de regering kritisch volgen, maar die lui ook op andere gedachten brengen, andere pri­o­ri­tei­ten geven. De regering zal hard genoeg over dat ter­ro­ris­me schreeu­wen. Als leider van een linksige oppo­si­tie­par­tij zou u wat harder moeten roepen dat er wel belang­rij­ke­re dingen zijn om over na te denken.
U vindt het kennelijk een ver­dien­ste dat u zich onder­scheidt van de rest van de ertoe doende partijen, maar misschien was het op dit punt logisch geweest als u zich juist vrij­wil­lig wat méér tegen andere partijen had aan­ge­schurkt. Als u zich wat meer aan de zijde van de linkse partijen had geschaard. Want zeg nou eerlijk, dit kabinet geeft toch aan­lei­ding om inderdáád al op voorhand al die onnutte, idiote, onvrije ter­ro­ris­me­be­strij­dings­plan­ne­tjes af te schieten?

Ik ben zo vrij om uw laatste zin wél let­ter­lijk te citeren, omdat ik die waan­zin­nig ont­roe­rend vind. Bijna mach­te­loos. In weerwil van alles, tegen de bierkaai en de wind frontaal.
“Dat is af en toe verdomd moeilijk uit te leggen, zoals ook uit deze mail­wis­se­ling blijkt. Maar ik wilde het toch nog maar even volhouden.Vriendelijke groet, Wouter Bos Frac­tie­voor­zit­ter Partij van de Arbeid .”
Zucht.

Tot slot: u bent een charmante meneer, meneer Bos. En dan heb ik het niet over uw kontje, want daar heb ik me eerlijk gezegd nooit in verdiept.
U heeft mij best ingepakt met die brief en de snelheid waarmee die naar mij toekwam. De chemie deugt. Maar toch word ik niet opnieuw lid.
U moet, wat mij betreft, eerst maar eens wat harder gaan schreeu­wen.

Met vrien­de­lij­ke groet,
Zezunja

28 februari 2005

Pen­vriend­jes

We lijken wel pen­vriend­jes, Wouter Bos en ik. Ik ben echt verbaasd.
Ook mijn weerwoord op zijn weerwoord werd beant­woord.
En hoe. Nergens haalt hij politieke geintjes uit, hij kletst niet om de hete brij heen, hij pakt mij niet op punten waarop hij dat vast makkelijk had kunnen doen. (Ik heb namelijk nau­we­lijks gedegen research gedaan alvorens mijn brieven te schrijven en ik sla vast wel ergens de plank mis. Maar een lid­maat­schap opzeggen moet geen werk worden, dus ik dacht: uit het blote hoofd, de dikke duim en hup: dat toet­sen­bord in.)
Maar hij houdt zich in. Hij geeft me zelfs niet het mailadres van de weer-aanmeld-administratie.

Nee, hij bedankt mij (‘Beste Zezunja’) voor mijn uit­ge­brei­de brieven en belooft nog eens hard na te denken over het harde schreeu­wen. Daarmee heb ik voor even de gedachten van een belang­rijk politicus bepaald. Dat doet me deugd.
Verder haakt-ie in op mijn zin: ‘Ja. Uhm. Dat lijkt mij nou precies een reden om een coalitie met Wilders uit te sluiten: inhou­de­lij­ke gronden.’
In hetzelfde interview als waarin hij zei dat hij die coalitie niet uitsloot, zei hij ook dat een coalitie met Wilders wel ‘onwaar­schijn­lijk’ leek op inhou­de­lij­ke gronden. ‘Maar’, zegt hij, ‘ik had uiteraard moeten beseffen dat het eerste deel van mijn bewering de aandacht voor het tweede deel zou over­scha­du­wen. ”
Ver­vol­gens groet hij mij vrien­de­lijk .

Je zou er toch bijna opti­mis­tisch van worden.

2 reacties

  1. Vrouwe Zezunja toch algelijk!
    Hoedat gij toch geen eigen partij begint!?! Zo goed dat gij dat allemaal uitgelegd krijgt.
    Nee, ernstig nu. Het betreft hier een geheel nieuwe stijl van brieven schrijven aan politici: op het eerste gezicht naïef, maar wel heerlijk eenvoudig to the point.
    Met vrien­de­lij­ke groeten,
    De Drs.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.