De Inwijkeling: hoe ik Nederlander werd

Sinds ik niet meer in Nederland woon, ben ik een Nederlander.
De 32 jaar daarvoor was ik bij tijd en wijle een Nederlander. Als ik een hotel in het buitenland reserveerde, als ik een ultra-officieel document moest invullen of als ik me identificeerde met de koppen in de krant (‘Nederlander wil meer vakantie’). Zoals ik ook bij tijd en wijle een Amsterdammer, een roker of een wispeltuur was. Mijn land was niet meer of minder mij dan de rest van mijn onhebbelijkheden.

De eerste mail naar mijn Vlaamse man maakte me op slag een Nederlandse vrouw. Ik was al veel geweest: een ongeduldige vrouw, een getrouwde vrouw, een gescheiden vrouw, een leuke vrouw, maar ik kon mij niet herinneren ooit een Nederlandse vrouw te zijn geweest. In elk geval niet zo uitdrukkelijk. Edoch, ik had nog geen argwaan.

Het betitelen begon pas echt toen ik besloot mijn dozen met rotzooi over de grens te zetten. Was ik de weken voor mijn vertrek nog een emigrant, nadat ik twee keer met mijn ogen knipperde, was ik ineens een immigrant, een inwijkeling. Inmiddels ben ik ‘onze dochter die in België woont’, ik heb een aandeel in ‘15% buitenlanders in Leuven’, ik hoor bij de ‘tsunami van nieuwkomers’ en ik schaar mezelf onder de ‘immigranten binnen de EU’. Mijn hart maakt een sprongetje als ik mezelf weer eens in een nieuwe statistiek kan vinden. Zelden had ik zoveel keuze.

Maar een ding heb ik niet te kiezen: in de ogen van de Belg ben ik altijd allereerst een Nederlander. De leuke vrouw, de journalist en de wispeltuur mogen nog zo hard met hun handen wapperen, de Nederlander in mij ontneemt elke Belg het zicht op de rest. En wat blijkt: betitelen is alleen leuk als de connotatie oké is. Het heeft met een beetje goede wil wel iets stoers om emigrant, wispeltuur of een gescheiden vrouw te zijn. En ook journalist, schrijver, zangeres en pulpkijkster klinken nog best te doen. Maar zoals je in Nederland geen Marokkaan wil zijn, wil je in België geen Nederlander zijn. Ik had niet verwacht mij ooit een Marokkaan te voelen, maar ik ben er verdomd dichtbij.

Ik doe voortdurend pogingen om de Nederlander die tussen mij en de Belg in staat onzichtbaar te maken. Ik praat inmiddels redelijk zacht, met een niet eens zo harde g, ik stel vragen niét die ik wel zou willen stellen, ik reageer gelaten op de gelatenheid van een ander en ik praat nauwelijks over de eerste 32 jaar van mijn leven. Maar het mag niet baten. De Belg heeft het gewoon niet zo op mij.
‘Zou je je in Nederland meer thuis voelen?’ vroeg mijn moeder gisteren.
‘Nee’, zei ik. ‘Ik vind Nederlanders en hun maatschappij meedogenloos, gehaast, luidruchtig en arrogant.’
Ik voelde me op slag Belg, maar ik wist dat het niks op zou lossen.