Gisteren tuurde ik langs mijn borsten

De kleren van de dood koester ik. Zeven jaar geleden schreef ik al eens over het herenkostuum van mijn opa, gisteren lag ik in bed en keek ik naar mijn buik. Zwart. Glimmend. Prima truitje. Iets te wijd. Iets te los. Iets te flubberig. Nu.
Toen iets te duur. Maar beknibbelen op een outfit voor een begrafenis kwam niet in me op. Ik kocht het truitje met een broek. Ook glimmend. Ook strak. Zwart met krijtstreepjes. Daar stond ik, 22 jaar. Dankzij mijn 12 centimeter hoge hakken kwam de rand van het katheder slechts tot mijn dijen. Ik kneep mijn ogen samen om mijn tekst te kunnen lezen. De zaal lachte toen ik vertelde over haar gesnurk, over hoe ze eieren bakte, over hoe ze snooker keek. Daarna kwamen de zakdoeken. Ik tuurde langs mijn glimmende borsten naar de tekst op de lessenaar en wist dat ik er goed aan had gedaan, die veertig gulden voor dat truitje. Oma zou gevraagd hebben: ‘Is dat nieuw?’
Gisteren tuurde ik opnieuw langs mijn borsten. Tot het dekbed en terug. Oma zou gevraagd hebben: ‘Is dat nog steeds dat truitje van zeventien jaar geleden?’
Ik zou knikken.
Glimlachen.
En niet verklappen dat het nu als pyjama diende.