Lenteles

In de trein naar Genk heb ik een wagon voor me alleen; de onderste achterste. De laag­staan­de zon flitst door de fruit­bo­men in het Limburgse glooiende land. Als ik uitstap klinkt er muzak door de luid­spre­kers die overal in het centrum van Genk hangen. Binnen kijk ik stukken na met mijn zonnebril op.
Het is gelukkig nog geen strand­weer als ik de andere kant op ga. Vanaf twintig graden is de trein van Leuven naar Gent ‘s ochtends en ‘s avonds het domein van schepjes, emmertjes en gesta­pel­de mensen. Met 16 graden is het nog gezellig druk.
De zon duwt lange schaduwen uit mijn benen als ik via de Ant­werp­se­steen­weg naar mijn lokaal loop. Op het koereke aan de voorkant sneeuwt het. In de tuin achter ook. Daar staat de boos­doe­ner. Een boom met twijgjes in de vorm van kromme, wollige rupsjes puft talloze witte pluisjes de wereld in.
Ik laat de harige kris­tal­len in mijn wimpers vallen, sluit mijn ogen in de zon en wacht tot mijn leer­ling­schrij­vers rode konen hebben. Als ze aan het einde van de middag hun werk voorlezen, staar ik naar de pluisjes in hun haar.
Ik vind het mooi.

2 reacties

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.