Lieve Johan en Karen,

Ik zou jullie een brief schrijven, maar mijn vulpen is zoek en ik geloof niet dat ik al ooit een brief zonder vulpen schreef. Maar zelfs als ik mijn vulpen in de aanslag zou hebben, was het een beroerd plan. Ooit schreef ik: ‘De strategie van mijn innerlijke contactgestoorde is er meestal een in de categorie, ‘als de intentie maar goed is’. De uitvoering: een boomerangkaartje schrijven, te lui zijn om postzegels te kopen, de kaart zó lang op de schoorsteen laten staan dat het gênant wordt om ‘m nog te versturen, weggooien. In de tussentijd doe ik dan leuke dingen.’ Et voilà: echte, tastbare, fysieke brieven zijn een slecht plan. Ziehier het alternatief, geen postzegels involved: aankomst gegarandeerd.

Ik zou jullie een brief schrijven. Waarom weet ik al niet meer. Hadden we het over handschriften? Hier kun je mijn handschrift zien. Of hadden we het over brieven, gedachten, mijmeringen, contact? Welnu, daar komt-ie.

Ik hou niet van niet-reflectieve brieven. Voor koetjes en kalfjes heb je op zijn minst een naambordje, een glas champagne en schaal bitterballen nodig. Voor reflectieve brieven heb je vrienden nodig. Of in elk geval het gevoel vrienden te willen worden. Ik heb dat niet vaak.
Vroeger had ik dat alleen maar. Ik wilde vriendin genoemd worden, het liefst ‘beste vriendin’. Ik wilde een uitnodiging voor elk partijtje en ik wilde bij de mensen horen die veel vrienden hadden. In de tijd van de telefoon met draaischijf wist ik met gemak honderd telefoonnummers uit mijn hoofd en toen ik mijn eerste eigen eettafel kreeg, organiseerde ik elke avond een etentje of een Risk-toernooi. Nu vraag ik me soms af waar de vriendin in mij gebleven is.

De vriendin in mij schreef brieven. De vriendin in mij deelde zich suf. De vriendin in mij gaf zich over en nam op sleeptouw. De vriendin in mij zat op een dag thuis, aan tafel, en stelde vast dat de schaal bitterballen niet veraf was. Vol overgave stortten mijn vrienden zich op mijn eettafel, ze lieten zich bellen en noemden me hun vriendin. Onderwijl had ik het idee dat ik niet verder kwam dan een poging The Queen of the Small Talk te worden.

‘Ik kom nog elke maand terug hoor’, drukte ik mijn vrienden op het hart. ‘Zo ver is het niet.’ Ik was zelfs van plan mijn bandje voort te zetten toen ik in 2006 naar België verhuisde. Dit jaar was ik twee keer in Amsterdam, ik bezocht één vriend. Als je afstand neemt, begint het herijken. Onherroepelijk. Voor wie wil ik drie uur reizen? Wie mag een heel weekend komen slapen? Aan welke ‘we houden contact’-belofte zal ik nog voldoen? Ik heb alle bitterbalvrienden geschrapt en dat ruimt op.

Ik zou jullie een brief schrijven. Maanden stond het in mijn agenda. Maanden vroeg ik me af waarom ik een brief zou schrijven aan twee wildvreemden als ik nog niet eens een brief aan een bitterbalvriend schreef. Maar toen wist ik het: van bitterbalvrienden verwacht je dat ze de bitterbal op een dag ontstijgen. En dat het moment van wederkerigheid dan aanbreekt. Van vreemden niet.
Misschien is dat wel de zuiverste vorm van overgave, als je er vanuit gaat dat je er niets voor terugkrijgt. Dat zou betekenen dat contact niet van twee kanten hoeft te komen en dat is BREAKING, zou ik zeggen.

Maartje