Scheet­kus­sens in de wensput

Ik ben een slechte degroe­ten­doe­ner. Noem het blasé, onattent, slecht opgevoed, mag allemaal, feit blijft dat ik zelden de groeten doe. Ook ben ik een slechte ver­jaar­dag­ont­hou­der. Men heeft mij al talloze keren een ver­jaar­dags­ka­len­der cadeau gedaan in de hoop dat ik me eindelijk eens van mijn meest belang­stel­len­de kant zou laten zien, maar het mocht niet baten. Een ver­jaar­dags­ka­len­der ondergaat hetzelfde lot als de post‐its op de onderkant van mijn iMac en de knopen in mijn zakdoek: na een half uurtje zijn ze part of the furniture. Ik kijk thuis nau­we­lijks om me heen.

Jarenlang had ik geen idee hoe schril ik afstak bij geta­len­teer­de degroe­ten­doe­ners. Wist ik veel hoe vaak andere mensen elkaar beter­schap wensten, kaartjes stuurden en kleine attenties toe­fluis­ter­den. Ik herinner me vaagjes dat ik vroeger wekelijks talloze kaartjes op de bus deed, maar vroeger is ruim­schoots in staat van ont­bin­ding. Ik weet ook dat mijn moeder fanatiek elk belang­rijk moment in het leven van een ander decoreert met een hand­ge­schre­ven kaartje. Maar niet al mijn genen zijn van haar. Voor het overige wentelde ik mij in de geluk­za­li­ge onver­schil­lig­heid van iemand die haar neus ophaalt voor indirecte smalltalk.

Tot Twitter. Als je zoals ik bijna 600 mensen op dage­lijk­se basis in de smiezen hebt, dan wordt het ineens pijnlijk duidelijk dat er een heleboel mensen heel goed zijn in de tele­ki­ne­ti­sche versie van de klapzoen. Twitter is een wensput en elke wens van een ander echoot na in mijn gees­tes­oor. Gefe­li­ci­teerd, gecon­do­leerd, zet ‘m op, sterkte, ik denk aan je, je kunt het -et‐et‐et.

De strategie van mijn inner­lij­ke con­tact­ge­stoor­de was er meestal een in de categorie, ‘als de intentie maar goed is’. De uit­voe­ring: een boo­me­rang­kaartje schrijven, te lui zijn om post­ze­gels te kopen, de kaart zó lang op de schoor­steen laten staan dat het gênant wordt om ‘m nog te versturen, weggooien. In de tus­sen­tijd deed ik dan leuke dingen.

En daar zit ‘m de crux. Op Twitter steek je al snel schril af als je een beetje leuke dingen gaat zitten doen, terwijl een ander een mijlpaal slaat. Begrijp me niet verkeerd, ik ben niet het type dat je feestje komt verpesten door alle feest­gan­gers om mij heen te ver­za­me­len alvorens ik mijn broek laat zakken, maar ik ben wel het soort bezoeker dat de ‘hoe is het nou met jou’-gesprekjes probeert te vermijden door met de neef van de bruidegom schuine moppen te tappen in een hoekje van de zaal.

Dat is me op Twitter tot op heden niet gelukt. Ik zit in negentig Twit­ter­lijs­ten en geen van die lijsten heet ‘het hoekje van de zaal’. Als apa­thi­sche veel­ple­ger valt het me zwaar om mijn manieren te houden. Klik. Twit­ter­pro­gram­maatje openen. Timeline vol met gefe­li­ci­teerds en sterktes. Geen idee waar het over gaat. Zin om iets leuks te doen. Schril contrast.

Ik kan mijn goede gedrag niet langer laten ver­stof­fen op de schoor­steen, terwijl ik leuke dingen doe, want ik ben op een feestje beland waar de ene bruidegom de ander aanstoot en zegt: ‘Bij jou kwam ze wel in de rij staan om een handje te geven, bij mij is ze slechts bezig om scheet­kus­sens op de stoelen van de gasten te leggen.’

Het prettige van con­tact­ge­stoord zijn is dat je geen contact maakt. Die tijd is door Twitter voorgoed voorbij.

2 reacties

  1. Octavie

    Oh ja. Dat ken ik. Ik heb een knop omgezet, net als bij het loggen. Iedereen die me wil volgen, gezellig! Iedereen die een reactie ach­ter­laat, me iets liefs stuurt, dingetjes, wensen, vanalles, wat leuk! Maar ik voel me niet meer verplicht om op alles te reageren. Probeer me niet verplicht te voelen. Meestal lukt het. In sommige buien niet.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.