De middelvinger tegen de heel erge shit

Meermaals dacht ik de afgelopen maanden: wat nou als dit zo blijft? Met die ogen. Wat als ik nooit meer uit het duister raak? Wat als ik alleen nog in donkere kamers naar stemmen kan luisteren? Wat als ik voor altijd de hand van Wannes moet vasthouden? Wat als ik niet meer echt kan schrijven, lezen en tekenen? Wat als ik de zon nooit meer zal zien?

Ik kon de vragen niet bevatten, laat staan ze beantwoorden. Voor mijn geestesoog doemde ik op met hond en stok. De hond zag ik nog wel zitten, de stok niet. De cliché’s in mijn hoofd waren verstikkend. Ik zag mezelf lotgenotencontact zoeken, braille leren en ‘dan maar’ van muziek genieten. Ik zag me met mijn hoofd tegen de muur bonken en de tafel door de kamer smijten, maar ik deed het niet.
Tweeënhalve maand duisternis zijn genoeg om argwanend te worden. Ik zie de cursor knipperen, ik kan naar het woord ‘knipperen’ kijken zonder te knipperen, ik hoef naar schatting pas over een half uurtje weer te druppelen, ik haal waarschijnlijk het einde van dit stukje en toch ben ik op mijn hoede.

Shit happens vaker wel dan niet, staat er in grote graffitiletters op mijn innerlijke muur gespoten. Twee weken beterschap blijken niet genoeg om de superslimme golden retriever in een tuigje uit mijn vooruitzicht te bannen. Mensen die zeggen dat ik mijn portie nu heus wel heb gehad, wil ik in het gezicht spugen. Ik wil uitschreeuwen dat ik mijn portie al lang en breed had gehad en dat het enige dat telt, is hoe je ermee omgaat, met die porties, ongeacht de hoeveelheid. En dan zie ik die golden retriever goedmoedig door mijn beeld sjokken en dan besef ik dat ik me aan hem ben gaan hechten en dat hij het toonbeeld is van hoe ik er niet mee om moet gaan. Ksjt, hond, ksjt.

Want ja, shit happens, en ja, heel erge shit happens ook, en nee, die wordt niet eerlijk verdeeld, dus ja, misschien gaat er morgen iemand dood, of zo, of misschien ben ik over een maand alsnog veroordeeld tot een superslimme hond in een tuigje.
Maar als ik ’s ochtends wakker word, zie ik dit:

Ik kan dat gewoon ZIEN. Ik kan er naar kijken, met open ogen, zonder te tranen, zonder mijn ogen direct weer dicht te doen. En dan laat ik de opluchting toe. Van die diepe, dikke opluchting, die zijn middelvinger opsteekt tegen de heel erge shit. Nu even niet.