De wereld in het klein

Hij heeft de stunteligheid van een dertienjarige, zij al borstjes. En zwarte lippenstift.
Om zijn pols een leren band met pinnen, op zijn bovenlip een bijna onzichtbaar donsje.
‘Ey’, ze legt zijn hand weer op zijn eigen knie. ‘We zitten op de trein, allez!’
Zijn vingers kruipen van zijn skinny jeans naar haar skinny jeans.
‘Die mensen zien alles’, giebelt ze.
Hij geeft haar een kus in haar nek, bij het kettinkje, en likt langs haar oor.
‘Aaa, da’s vies!’
Hij pakt haar vol op de mond.
Een gesmoord ‘nee’. Daarna een grote ademhap. ‘Ge moogt me niet meer kussen.’
Gezwind verdwijnt zijn hand onder haar jasje.
Ze kijkt naar buiten en houdt haar lach in. ‘Ge laat het, se?’
Zijn blik vangt de mijne. Een brutale oogopslag in combinatie met wit babyvlees. Hij graait in haar decolleté.
‘Zeg, niet doen, we zitten op de trein.’
Zijn arm verdwijnt dieper in de opening van haar jas. Met zijn tong zoekt hij een weg langs haar wang, naar haar mond.
‘Laat dat, ge moet nu echt ophouden!’ Haar zwarte lippen vertrekken. Ze tuurt door het raam.
De handen van de jongen proberen nu twee andere routes, ze duwt ze weg, zijn tong belandt weer in haar nek, haar oor, ze trekt haar schouder op, hij houdt zijn gezicht op twee neuzen afstand voor het hare, ze wendt zich af. ‘Amai, houdt u een beetje in se.’
Zijn hand kruipt weer omhoog als ik opsta.
Met buikpijn stap ik uit.