De wereld in het klein (2)

Ik zit met mijn mannelijke collega’s van de Taalunie in een dubbeldektrein van Utrecht naar Rotterdam. Het is warm, rumoerig, vol. Boven de paarse stoeltjes in de verte zie ik een hoofd verrijzen. Kaal, stoer, vriendelijke ogen, zwarte kraag. ‘Hee dames’, zegt hij tegen de drie joelende en gillende meisjes in het zitje voor hem. Hij zet een stap in het gangpad. De zwarte kraag hoort bij een zwart jasje met een wat alternatieve schwung. Zonder dat jasje was hij soort kickbokser geweest, nu lijkt hij een kunstenaar, rijp voor een oorbel. Een jaar of veertig. ‘Kijken jullie naar BNN?’ vraagt hij. ‘Want als jullie naar BNN kijken, kunnen jullie zien dat ik jullie nomineer als meest luidruchtige passagiers ever.’
‘Huh, wat? BNN? Ben je van BNN?’ Ik zie het meisje niet. Haar taal, haar stem en haar dictie zijn zoals die van veel meisjes uit multiculturele steden: heel hard en heel plat. Zo’n stem waar je heel goed ‘doekoe’ mee kunt zeggen. ‘Ben jij van BNN? Ik kijk niet naar BNN! Ben jij van BNN? Wat moet je man? Ben jij van BNN?’ De andere meisjes doen tsss.
‘Nee, ik ben niet van BNN, maar ik heb nog nooit zulke luidruchtige meisjes gehoord, dus ik nomineer jullie.’
‘Hee man, ben je gek of zo? Ben je van BNN? Heb je wel eens meisjes gezien? Jij hebt nog nooit meisjes gezien. Ben je homo of zo? Ja, je bent homo hè? Je bent homo.’
Een ander meisje, zelfde taal, zelfde dictie, iets zachtere stem, ook onzichtbaar: ‘Ja man, hij is homo. Je bent homo toch? Hij is homo.’
De eerste: ‘Ja, hij is homo. Geef maar toe je bent homo.’
‘Ja, ik ben homo, nou en?’ Hij is weer gaan zitten. Ik zie hem niet meer. ‘Ik wil jullie gewoon vragen of je wat rustiger wilt doen, zo gek is dat toch niet?’ Een derde meisje bemoeit zich ermee, ‘Hij is homo man, hij heeft nog nooit meisjes gezien, waar heeft hij het over? Is hij van BNN? Je bent niet van BNN? hè?’
Het eerste meisje weer, het tweede, het derde. Ja man, hij is homo en hij is helemaal niet van BNN, hij is homo en hij moet normaal doen, hij heeft nog nooit meisjes gezien, hij moet normaal doen.
De man zegt zalvende dingen, rustig maar en wat maakt het uit dat ik homo ben en doe nou eens even kalm, maar de meisje razen door over dat er stiltecoupés zijn en dat hij homo is en nog nooit meisjes heeft gezien en dan valt het woord halal.
‘Hou nou eens even op met allochtoonse gedoe’, zegt de man.
Ik zie dat ook mijn collega’s hun tenen krommen. Waar gaat dit naartoe?
Er volgt een brij. Wat nou met je allochtonië? Hoezo allochtonië? Hij zei allochtoons! Waarom zijn wij allochtonen? Waarom zeg je dat? Je moet oprotten met je allochtoons, homo.
Het hele treinstel is inmiddels stilletjes aan het meeluisteren.
‘Maar jullie begonnen met halal. Kunnen jullie nou niet gewoon even rustig zijn?’
Een kluwen. Wij zijn niet begonnen, man, gast, homo en als je aan het einde van de dag nog leeft, krijg je vijf euro van me.
Mijn collega’s en ik schuiven wat op onze stoel.
‘Hee, je maakt toch geen foto?’ De man klinkt bezorgd, staat op. Zijn vriendelijke ogen staan banger dan eerst.
Het schelle gekrijs van de meisjes is vrijwel onverstaanbaar. Ze staan ook op, het zijn modepopjes, twee Marokkaanse en een Turkse, gok ik. Ze zijn groot, stevig, sterk waarschijnlijk.
De man gaat weer zitten en blijft roepen dat ze geen foto van hem mogen maken. De meisjes houden vol dat als hij aan het eind van de dag nog leeft, hij vijf euro krijgt.
Ze staan naast hem, met zijn drieën langs een tweepersoonszitje. Raak ons dan aan hè? Wou je ons aanraken? Raak ons dan aan? Je wou ons aanraken? Je hebt nog nooit meisjes aangeraakt man! Homo! Een van de meisjes heft haar arm op en maakt een vuist. Mijn collega en drie passagiers springen ertussen.
Alsof het zo gerepeteerd was, staat de trein net stil bij Rotterdam Alexander. Het meisje van de vuist draait zich om en de andere twee lopen erachter aan. Voor ze uitstappen, roept een van hen: ‘Met je BNN! Als je het nou gewoon normaal had gevraagd!’

Zie ook De wereld in het klein (1)