Stukjes in het wild

Gedachten die men­sen­schuw zijn

Eigenlijk mag er niemand meer bin­nen­ko­men, maar de dakwerker komt. Hij zal me een trapje vragen, een teiltje, een vod. Hij gaat met zijn vieze poten in mijn bad staan, naast mijn wasgoed, mijn make‐up, mijn plee. Hij zal het lek dichten, maar zelf bin­nen­sij­pe­len.
Terwijl er eigenlijk niemand meer mag bin­nen­ko­men. Ik heb namelijk draadjes gespannen. Tien­tal­len draadjes van per­so­na­ges naar gebeur­te­nis­sen, van bladzijde 37 naar bladzijde 156, van verdriet naar loutering en weer terug. De draadjes zitten vast aan gedachten, die weer vast­zit­ten aan andere gedachten. Gedachten die men­sen­schuw zijn. Als je ze benadert zijn ze weg.
De dakwerker komt. Met zijn kolen­schop­pen in zijn zij zal hij naar het plafond turen en ‘jot jot, madammeke’ mompelen, en ik zal meeknik­ken, terwijl ik met mijn wijs­vin­ger heel voor­zich­tig de draadjes omhoog hou. Hij zal het niet zien, hij zal niet bukken, hij zal niets voelen als het breekt.
Als hij weg is, zal ik mijn gedachten vast­hou­den, zonder te knijpen. In de hoop dat ze er allemaal nog zijn.

9 reacties

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.