Jaaroverzicht Horen, zien en zwijgen: Zien

Zie ook deel 1 van het jaaroverzicht: Horen.

Ik wilde een stukje schrijven over hoe het is om zo goed als blind te zijn maar ik was zo goed als blind, dus het ging niet.
Nog steeds tuur ik naar u door een vaselinelens, ik knipper op het ritme van de cursor en mijn neus raakt op een haar na mijn scherm in een kamer waarin een 500 watt-bouwlamp het licht zodanig egaliseert dat ik mijn ogen nét open kan houden.
Hoe wordt een mens halfblind? Welaan, ik weet het niet; als u feiten wilt, moet u niet bij mij zijn. Ik heb alleen ervaringen, in allerlei variaties. En emoties, heel veel emoties.

Hoewel ik het woord nog niet kende, werd ik in augustus lichtschuw. Ik bricoleerde een blauw lichtdempend papier om de lamp boven de tafel, omdat dat kan sinds de uitvinding van de spaarlamp, ik zette het scherm van mijn MacBook op de laatste stand voor het zwart wordt, schoof de gordijnen dicht en schreef al knipperend verder aan mijn boek.

Het was de natste augustusmaand in decennia, dus ik miste niks, maar het was dodelijk vermoeiend. Eén van de kenmerken van lichtschuwheid is namelijk dat je steeds bijna moet niezen. Zoals vrijwel iedereen zijn nies op gang kan helpen door in een felle lichtbron te kijken, zo is voor een lichtschuwe elke vorm van reflectie een felle lichtbron die een niesprikkel veroorzaakt. Je hebt dus de godganse dag de niet-ingeloste belofte van een ferme nies. Do-de-lijk vermoeiend.

Omdat de huisarts er niet uit kwam, werd ik doorverwezen naar een oogarts. Ze zag een verkoudheidsvirus. ‘Ja, daar zit het hoor’, zei ze opgetogen toen ik mijn kin in de houder legde. Ik had me een iets exotischer probleem voorgesteld bij drie weken kluizenaren in het duister, en ik dacht: nou, geef mij dan voortaan maar weer gewoon een snotneus. Maar tegelijkertijd was ik opgelucht, een verkoudheidsvirus klinkt alsof het overgaat. Ze schreef me wat middeltjes voor, en jawel, na twee dagen kon ik zonder enig probleem door de Velux naar de grijswitte luchten boven Leuven kijken. Ik ontspande mijn schouders en stelde vast: het duurde lang en het was tamelijk ondermijnend, al dat duister, maar mocht ik het ooit nog eens krijgen, dan is er een middeltje dat me in twee dagen op de been brengt. No worries.

Dus toen mijn ogen begin november automatisch dicht gingen als ik ’s ochtends een streep licht langs het rolgordijn ontwaarde, belde ik vol vertrouwen de huisarts: schrijf me even dat en dat spulletje voor, dan kan ik gewoon doorwerken. Little did I know.

Ik spoot het spulletje en werkte zo goed en zo kwaad als het ging door. Ik probeerde op onopvallende wijze mijn lokalen wat te verduisteren, gaf staand les, omdat vloeren voor lichtschuwen fijner zijn dan plafonds, ik reisde met gesloten ogen en hield bij elk gesprek mijn hand boven mijn wenkbrauwen, terwijl de tranen over mijn wangen biggelden. Soms ging het een dagje wat beter, soms wat slechter, maar nooit ging het over. Na twee weken eiste ik een spoedafspraak. ’26 januari’, stelde de mevrouw aan de andere kant van de lijn voor. Het was half november. ‘Ik stel me iets anders voor bij spoed’, zei ik teleurgesteld. Twee dagen onderhandelen later had ik een afspraak over drie weken bij een oogarts op een half uur rijden van Leuven.

Toen begon het slikken, het doorzetten. Een paar columns nakijken, om vervolgens weer een paar uur met een theedoek over mijn ogen op de bank te liggen, starend naar de nareflectie.

De nareflectie is misschien wel het ergste. Iedereen kent de vlekken die felle lichtbronnen, zoals de zon, achterlaten op je netvlies. De vlek die nog even na blijft schitteren als je je ogen dichtdoet. Bij een lichtschuwe kunnen die vlekken uren duren, ze kunnen flitsen als een stroboscoop en werkelijk élk lichtgekleurd object is aanleiding voor zo’n vlek. Op de ergste momenten bleef een witte papiersnipper op de grond een half uur naflitsen aan de binnenkant van mijn oogleden. Zelfs geen rust hebben als je je ogen dichtdoet, is een van de ergste dingen die ik ooit heb meegemaakt.

Na vijf weken afzien (hm) stapte ik in een auto (van vier kanten licht!), zodat ik een half uur verderop mijn kin in de houder kon leggen. ‘Wondjes’, zei ze. ‘Een heleboel wondjes. Zoals bij lasogen. En droge ogen. Maar geen virus.’
Ze schreef een berg middeltjes voor, die weinig deden. Ik werkte door, afgewisseld met wat staren naar de stroboscoop aan de binnenkant van mijn hoofd. Ik las voor onder podiumspots, om daarna noodgedwongen, en vast ook voor straf, twee dagen lang de knoesten van de vloer te moeten bekijken. En ik stelde vast: dit gaat zo niet langer.

Ik zegde al mijn werk voor december af en begon de oogarts te stalken, ik liet me er nog twee keer naartoe rijden en belde haar drie keer per week op, net niet huilend. Ze schreef me andere middeltjes voor, zei dat het erg lang kon duren en beloofde me stopjes voor in mijn ogen, om te voorkomen dat ze droog zouden worden. En ze wenste me prettige feesten, want ze zou met verlof gaan.

Al zes weken balanceerde ik op de rand van paniek, maar nu viel ik erin. De oogarts met verlof. Ik huilde al maanden elke dag (zie ook het deel van het jaaroverzicht dat nog volgt: Zwijgen), wat op zich goed was, want huilen heeft als voordeel dat je ogen er erg vochtig van worden. Maar een groot nadeel is dat je daarna alleen nog maar naar bed wil. En je loopt al niet over van energie als halfblinde, want door gebrek aan prikkels van buitenaf verveel je je dood. Ik vroeg op Twitter of mensen ideeën hadden voor een leven zonder ogen. De audiolinks en -downloads waren niet van de lucht, maar ik kon de pagina’s waar ze op stonden niet bekijken. En hoewel Wannes de meeste taken van mijn ogen de afgelopen maanden heeft waargenomen, was het ondoenlijk om bij elke link aan hem te vragen: wat is dat voor een link? Kun je die downloaden? Kun je het programma waarmee ik het moet afspelen instellen?

Zo zat ik wekenlang opgesloten in mijn eigen hoofd, met stroboscopisch licht, een shitload aan zelfmedelijden en nauwelijks afleiding. Probeer dan maar ‘ns geen wezensvragen te stellen.

Gelukkig had Wannes de laatste paar dagen van het jaar vrij: afleiding! Hij quizmasterde mij met liefde door de donkere dagen na kerst en toen de klok twaalf sloeg, fluisterde hij: ‘2011 is nu echt voorbij, liefje.’ Waarop ik nog maar eens een potje begon te janken.

Op 1 januari kreeg ik zo’n eurekagloeilampje boven mijn hoofd. ‘Wij hebben toch zo’n soort bouwlamp van 500 watt?’ vroeg ik aan Wannes. We hadden net twee dagen een iPhone en ik had me voorafgaand aan oud en nieuw, met Wannes als rood-witte stok, naar Amsterdam gemanoeuvreerd. Ik was bekaf, van alle lichten, al het vuurwerk en alle voeten in mijn anders zo stille blikveld, maar het nieuwe telefoontje en de noodgedwongen lichttraining hadden mijn lichtschuwheid duidelijk wat verminderd.

Wannes zette de bouwlamp tegen het plafond en het egale licht was een weldaad voor mijn ogen. Het was duidelijk nog lang niet normaal, maar mijn hemel! ‘Ik kan je aankijken!’ riep ik uit. Waarop we gezamenlijk nog maar eens een potje jankten.

Nu, zes dagen later, ben ik nederig. Het was maar een vinger, de hele hand laat op zich wachten. Ik mag dan misschien mijn blik eindelijk kunnen oprichten van vloerhoogte tot kruishoogte (sorry heren!), ik kan nog altijd niet weg bij mijn bouwlamp, ik kan nog steeds niet veel meer dan vier centimeter licht (iPhone) en een half uur per dag een scherm verdragen (zie ook dit stukje), waardoor ik al mijn werk in januari ook maar weer heb afgezegd. Na twee maanden niesprikkels en huilbuien ben ik uitgeput. Mijn nek zit helemaal vast van met gebogen hoofd leven, en de reflectieveling in mij is me kots- en kotsbeu. Mijn werk en financiën lopen in het honderd, mijn boek raakt niet af, al mijn opruim-, opstart-, en andere plannen bleken onhaalbaar. Intussen zit ik op de bank naar de knoesten in de vloer te staren.

En toch: de oogarts is terug van verlof en ik heb haar nog maar één keer gebeld. Ook ween ik nog maar ééns in de twee dagen.
Met iets meer energie richt ik me op de kruizen van de heren en nu al een uur op de tekst van dit stukje. Gisteren keek ik zelfs een half uur tv. De nareflectie onderging ik met een zekere rust.

Dat is misschien wel de grootste winst van de afgelopen tijd: dat ik weet dat zelfs radeloosheid went.

(Wordt vervolgd)